Playscape

In de jaren 70 van de vorige eeuw komt het dynamisch systeemdenken in de psychologie en pedagogiek op, als reactie op de gefragmenteerde wetenschappelijke theorieën die er op dat moment heersen. In plaats van zich te concentreren op de afzonderlijke elementen wordt de aandacht verschoven naar het systeem. In het systeemdenken wordt het kind geobserveerd in de context en de omgeving waarin hij opgroeit. Op microniveau is dat het kind, op mesoniveau de school, de buurt en externe gezinsfactoren en het macroniveau omvat de maatschappij en cultuur in brede zin. Het gedrag van het kind wordt in deze visie niet gezien als een simpele keten van oorzaak-gevolg relaties maar als een samenspel van met elkaar interagerende deelsystemen. Het systeemdenken is een holistische benadering die zich richt de samenhang tussen de verschillende deelsystemen.

Een meer hedendaagse variant van het systeemdenken is de ecologische pedagogiek.  In de ecologische visie staat de mens niet los van zijn omgeving maar maakt hij deel uit van verschillende, voortdurend in beweging zijnde systemen.  De zelf-organisatie van het organisme, de aard van de omgeving en de eisen die de taak stelt bepalen gezamenlijk de uitkomst van het gedrag. De interne componenten van het organisme en de externe context staan in voortdurende wisselwerking met elkaar.  De ecologische pedagogiek kijkt niet alleen naar sociale systemen maar ziet de omgeving als een samenspel van cultuur en natuur. Binnen de ecologische pedagogiek staat de dynamiek van de wisselwerking tussen organismen centraal, met name hoe de verschillende onderdelen van het ecosysteem zich tot elkaar verhouden.

Volgense de ecologische pedagogiek maakt de mens onlosmakelijk deel uit van de natuur; we ademen de lucht in en hebben de aarde nodig om in onze primaire behoeften te kunnen voorzien. Bovendien hebben we de natuur nodig om te kunnen genieten, te spelen, tot rust te komen en om geïnspireerd te raken (Both, 2010). We staan dus niet alleen in voortdurende verbinding met het sociale landschap ook het natuurlijke landschap is wezenlijk voor ons mens-zijn.

Wanneer ik het heb over een natuurlijk landschap, dan bedoel ik daarmee niet uitsluitend wildernis of wilde natuur. Immers, ieder stukje natuur in Nederland is inmiddels gecultiveerd. Het laatste stukje oerbos is met de kap van het Beekbergerwoud bij Apeldoorn in 1871 verdwenen. Op sommige plekken in het land ontstaan er wel  ‘nieuwe wildernissen’, stukjes land waar natuurlijke processen als begrazing, overstromingen, het afsterven van bomen en het vergaan van dode dieren de ruimte krijgen.

Wanneer ik het over een natuurlijk landschap heb, dan heb ik het over stukjes land zoals een open veld, een bos, een stuk braakliggend land, een bouwterrein of een gebied met beekjes en waterplassen.  Het natuurlijk landschap is een complexe omgeving die het kind uitdaagt zowel wat betreft motorische vaardigheden als spel.

Onderzoek laat zien dat de aanwezigheid van een natuurlijke omgeving invloed heeft op de creativiteit[1] en het activiteitsniveau van een kind [2]: beiden zijn aanzienlijk hoger in natuurlijke omgevingen.  Er moet daarbij een onderscheid gemaakt worden tussen speeltuinen en natuurlijke omgevingen. Speeltuinen zijn geconstrueerde speelplekken die meestal vlak en onbegroeid zijn, bedekt met asfalt of ander materiaal, en waar een zandbak, schommel, glijbaan en andere speeltoestellen zijn geplaatst. Een natuurlijke omgeving daarentegen is een rauwer en de topografie en vegetatie ontlokken bij het kind verschillende manieren van bewegen en spelen. De kwaliteiten die kinderen in een natuurlijke omgeving waarderen zijn de volgende: de kleuren in de natuur, bomen, bossen, schaduwrijke gebieden, weiden en  plaatsen om te klimmen en te bouwen. Dergelijke natuurlijke omgevingen zijn complexer en uitdagender dan de geconstrueerde en kunstmatige speeltuinen die we met name in stedelijke woonomgevingen terugzien[3]. In een stadse omgeving geven kinderen de voorkeur aan tussenliggende stukjes terrein, zoals een braakliggend land dat verwilderd en verlaten is. Goed onderhouden gemeenteplantsoenen spreken nauwelijks tot de verbeelding.

Natuurlijke omgevingen zijn open, vrijblijvende ruimtes waar het kind een eigen invulling aan kan geven. De veelvormigheid van het natuurlijke landschap roept allerlei associaties bij het kind op waardoor spel en verbeelding vrij baan krijgen. De lijnen en vormen van het landschap geven kinderen een idee van ruimte en vorm.

Onderzoek laat zien dat kinderen het liefst spelen in gevarieerde natuurlijke omgevingen: zij kunnen zich bovendien beter verbinden met landschappen die glooien en zachte randen hebben. Lage struiken en bosjes geven de mogelijkheid van ‘doorkijkjes’, diepte en diversiteit. De natuurlijke omgeving betrekt alle zintuigen. Het gaat om onvoorspelbaarheid, om het ongebruikelijke en ongerijmde, om verrassing en ontdekking.

In het onderzoek van Moore en Wong werd een speeltuin veranderd in een natuurlijke tuin[4]. De kinderen werd gevraagd wat zij van die verandering vonden: zij associeerden de natuurlijke tuin met diversiteit, rijkheid en een vriendelijke atmosfeer.  De natuurlijke tuin riep bovendien meer omgevingsbewustzijn dan de traditionele speeltuin op.  

Een natuurlijke spelomgeving is een natuurlijke omgeving die het kind verleidt tot een scala van (spel)-activiteiten. Een veelzijdige natuurlijke omgeving daagt het kind motorisch uit. Een helling beklimmen vraagt om kracht en uithoudingsvermogen: een afdaling daarentegen vraagt om beheersing en souplesse.  Rotsen, stenen, omgevallen bomen, uitstekende wortels, vormen fysieke uitdagingen voor het kind. De natuurlijke spelomgeving is veelvormig: die verschillende vormen ontlokken een bepaald gedrag bij het kind.

De theorie van affordances van Gibson wordt in dit verband vaak als onderlegger gebruikt. Het begrip affordances verwijst naar de interactie tussen een ding en een organisme. Het ding heeft bepaalde eigenschappen waar het organisme (mens, dier, plant) op reageert. Een trap biedt bijvoorbeeld de affordance om erop te klimmen. Een stoel biedt de affordance om erop te zitten. De theorie van Gibson gaat uit van een nauwe relatie tussen perceptuele en motorische systemen.

Kinderen kijken naar de omgeving in termen van bruikbaarheid.  In een boom waarvan de takken goed verdeeld zijn, kan je klimmen. Met een steen die goed in de hand past, kan gegooid worden.  Op een rots die aan de bovenkant is afgevlakt, kan je zitten. Van een helling die glad en steil is, kan je glijden. Ligt er op diezelfde helling sneeuw, dan kan er geskied worden. Struiken en bosjes lenen zich goed voor verstop- en bouwplekken. Open velden daarentegen zijn geschikt om te vangen, te rennen, te voetballen en tikkertje te spelen.

Een voorbeeld: mijn zoon is goed in steentje ketsen. Bij steentje ketsen wordt een plat, klein steentje met grote vaart op het water gekeild waarbij het de kunst is om het steentje zo vaak mogelijk te laten stuiteren op het water. Van belang zijn de vaart van het steentje, de hoek waarmee de steen het water raakt en de draaisnelheid. Daarnaast spelen twee andere factoren een rol: een vlak wateroppervlak en het steentje zelf. Platte, ronde steentjes die niet te zwaar en niet te licht zijn, genieten de voorkeur. Samen met mijn zoon heb ik op menig warme zomerdag steentjes gekeild. Waar ik niet verder kom dan 5 keer ketsen, komt mijn zoon bij een goede worp op het drievoudige uit waarbij hij ook nog eens met gemak de overkant van de rivier haalt. Minstens net zo leuk als het ketsen is het zoeken naar geschikte stenen. De stenen moeten zeker niet te zwaar zijn want een zware steen verdwijnt na één dramatische plons direct naar de bodem. Plonzen is sowieso geen goed teken: het steentje moet zich al stuiterend en dansend over het wateroppervlak verplaatsen. Bij voorkeur is het steentje vlak en ovaal of rond. Een puntige steen maakt weinig kans net als een hoekige of gebolde steen. Bij twijfel neem je het steentje in de hand: je voelt de textuur, de vorm, de zwaarte en schat in of het een geschikte steen is om te werpen. Op grond daarvan bepaal je de affordance die het betreffende steentje heeft wanneer het gaat om ketsen. Onnodig om te zeggen dat een steen waarmee je een muur wil bouwen om geheel andere affordance kwaliteiten vraagt. In dat geval zal het vooral om stapelbaarheid gaan.

Het kind reageert aldus intuïtief op de affordances die zich in de natuurlijke spelomgeving bevinden. In dit verband wordt ook wel gesproken van playscape: de elementen die in een landschap aanwezig zijn en die bepaalde spelactiviteiten bij het kind ontlokken.[6]

Het is belangrijk om hierbij op te merken dat de affordances van een kind van een andere aard zijn dan die van volwassenen. Neem een stoel. De meeste volwassenen associëren de stoel met de affordance ‘zitten’. Maar voor een kind kan de stoel van alles betekenen: een stoel kan het voorste gedeelte van een trein zijn, een stoel kan gebruikt worden om iets van de tafel te pakken, een stoel kan het fundament vormen van een hut en een stoel kan ook iets zijn waar je op kunt zitten.  Waar volwassenen veel doelgerichter naar de objecten in de omgeving kijken en doorgaans slechts één of een beperkt aantal affordances aan een bepaald object toekennen, daar is een voorwerp voor een kind meer diffuus en veelvormig van aard.

Een object kan talrijke affordances oproepen die bovendien vaak tijdelijk en vluchtig van aard zijn. Een tak kan gebruikt worden om vuur mee te maken maar ook om er een pijl en boog van te maken. Met een tak kun je een hut maken, een speer, of eigenlijk elk soort wapen. Je kan er vijanden mee verslaan. Je kan met een tak zwaaien, ermee zwiepen, en ga zo maar door.

Er zijn volgens mij twee redenen waarom de affordances van kinderen meer dynamisch en variabel zijn. Allereerst worden affordances bij kinderen nog meer getriggerd door de verbeelding dan bij volwassenen. Ten tweede is er bij kinderen een minder strak onderscheid tussen mens-zijn, dier-zijn en object-zijn.

De natuurlijke spelomgeving roept een scala van affordances bij het kind op. Is het daarom dat we het zo belangrijk vinden dat kinderen buiten spelen? Het is een ongeschreven regel dat het kind iedere dag even naar buiten moet om een frisse neus te halen. De buitenlucht is goed, de buitenlucht is gezond, de buitenlucht maakt actief. De buitenlucht zou het kind zelfs gelukkiger maken.

Tot slot nog eens de feiten op een rijtje:

  • Onderzoek van Fjørtoft (2000) laat zien dat kinderen in een natuurlijke spelomgeving een betere balans en coördinatie ontwikkelen ten opzichte van kinderen die in een speeltuin spelen. Bovendien zijn zij motorisch fitter. Dit laatste wordt ook bevestigd door een ander onderzoek van Fjortoft en Sagele.
  • Onderzoek laat zien dat een natuurlijke spelomgeving verschillende soorten spel uitlokt: de heterogeniteit en diversiteit zorgen ervoor dat kinderen zowel fysiek, sociaal als in de verbeelding worden uitgedaagd (Fjørtoft en Sagele, 2000).|
  • Natuurlijke spelomgevingen lokken samenwerking en constructief spel uit (Kuh, Ponte, Chau, 2013). Ook leren kinderen risico’s te nemen en beter in te schatten in natuurlijke spelomgevingen (Bento & Dias, 2017). 
  • Kortom, de natuurlijke spelomgeving stimuleert:
    – creativiteit en probleemoplossen vermogen (Kellert, 2005)
    – samenwerking tussen kinderen (Bell & Dyment, 2006)
    – verhoogt aandacht en focus van kinderen en daarmee de cognitieve ontwikkeling (Wells, 2000)
    – de motorische ontwikkeling (Bell & Dyment, 2006)
    – zelfcontrole en zelfdiscipline (Taylor, Kuo and Sullivan, 2001)
    – en vermindert stress (Wells en Evans, 2003).

 

Footnotes:

[1]Lindholm, G. (1995). Schoolyards- The Significance of Place Properties to Outdoor Activities in Schools. Environment and Behavior, 23(3), pp. 259-293.

[2]Baranowski, T., Thompson, W.O., DuRant,  R.H., Baranowski, J., & Puhl, J. (1993). Observations on Physical Activity in Physical Locations: Age, Gender, Ethnicity, and Month Effects. Research Quarterly for Exercise and Sport, 64(2), pp. 127-133.

[3]Fjørtoft, I. (2000). Landscape as Playscape: Learning Effects from Playing in a Natural Environment on Motor Development in Children. Doctoral Dissertation. Oslo: Norwegian University of Sport and Physical Education.

[4]Moore, R.C., & Wong, H.H. (1997). Natural Learning: Creating Environments for Rediscovering Nature’s Way of Teaching. Berkley: MIG Communications.

[5]Gibson, J. (1979). “The Ecological Approach to Visual Perception.” Boston: Hughton Mifflin Company.

[6]Frost, J. L. (1992). Play and Playscapes. New York: Delmar Publishers Inc.

Kuh, L. P., Ponte, I., Chau, C., (2013). The impact of a natural playscape installation on young children’s play behaviors. Children, Youth and Environments, 23(2), 49-77.

Bento, G., & Dias, G. (2017). The importance of outdoor play for young children’s healthy development. Porto Biomedical Journal, 2(5), 157-160.

Kellert, S.(2005). Building for Life: Designing and Understanding the Human-Nature Connection.Washington, DC: Island press.

Bell, A.C., & Dyment, J.E. (2006). Grounds for Action: Promoting Physical Activity through School Ground Greening in Canada. Available at: http://www.evergreen.ca/en/lg/lg-resources.html
 
Wells, N.M., Evans, G.W. (2003). Nearby nature: A buffer of life stress among rural children. Environment and Behavior, 35, 311-330.
 

Wells, N.M. (2000). At home with nature: Effects of greenness on children’s cognitive functioning. Environment and Behavior, 32, 775-795.

Taylor, A.F., Kuo, F.E., &  Sullivan, W.C. (2001).Coping with add: The surprising Connection to Green Play Settings. Environment and Behavior, 33(1), 54-77. 

Picture: Benjamin Davies

Wildcraften

De wildernis oefent aantrekkingskracht op ons uit. Het verhaal van Tarzan en Jane is inmiddels honderd jaar oud maar door toedoen van Disney groeien er hele generaties mee op. Het archetype van de langharige half-naakte wilde jongen met slechts een lendenlap om de edele delen, heeft zich in ons collectief geheugen genesteld, al waar het onbewust ons jungle-gevoel voedt. Eeuwenoud is deze fascinatie voor wolfskinderen –  kinderen die zijn opgegroeid in de natuur zonder menselijk contact en die alleen konden overleven doordat ze geadopteerd werden door wolven, beren, apen of wilde honden. Rome is er zelfs op gebouwd.

De jungle is exotisch, en dat exotische halen we graag in huis. Kijk maar eens op internet, google op ‘junglefever’ en je zult zien dat er een ware oerwoudtrend gaande is, inclusief Bromelia planten, jungle behang en allerhande voorwerpen die gemaakt zijn van natuurlijke materialen (bamboe, hout etc.). Ook in andere omgevingen, zoals bijvoorbeeld het ziekenhuis, laten we ons graag omgeven door het groene en zien we liever landschapsfotografie dan moderne kunst aan de muur.

Dat heeft een reden. Natuurbeelden roepen een positieve emotionele respons op. Het vermogen om gezonde, natuurlijke omgevingen te herkennen levert ons, evolutionair gezien, een overlevingsvoordeel op: deze omgevingen bevatten de meeste natuurlijke rijkdommen. De postmoderne mens reageert daarom nog steeds met een positieve emotionele response bij het aanschouwen van gezonde, natuurlijke omgevingen.[1]

In een laboratorium onderzoek, waarbij proefpersonen in een MRI scanner naar foto’s van de natuur keken, werd een verhoogde activiteit geconstateerd in de auditieve cortex (het luisteren), het pallidum (de vrije beweging), het caudatus (gevoel van waarde) en precunius (zelfbewustzijn en reflectie). Bij de controle groep, die voornamelijk naar foto’s van gebouwen keken, werd met name de visuele schors (kijken) en de temporale pool (rekening houden met anderen) geactiveerd. Daar waar de foto’s van gebouwen vooral een beroep doen op visuele waakzaamheid, daar bieden de landschapsfoto’s ruimte voor reflectie, waarde en zelfbewustzijn[2].

En dat niet alleen. De wildernis werpt ons terug op ons meest primaire zijn. Je verhouden tot de wildernis – in de volste zin van het woord- betekent terugkeren naar eenvoud en leven van de dingen die de natuur je biedt. Jagen, voedsel zoeken, vuur maken, water halen, een onderkomen bouwen, het zijn de activiteien waarmee de dagen in de wildernis gevuld zijn. Activiteiten die in schril contrast staan met de dagelijkse belsommeringen van de moderne, stedelijke mens.

De wildernis dus. Ik zelf ben een heus stadsmens, ik dompel me graag onder in het stadse tumult, de hectiek, de verkeerschaos, de anonimiteit van teveel mensen op een te klein oppervlak, ik vind het allemaal reuze aantrekkelijk. Daar staat dan weer tegenover dat wanneer ik oog in oog sta met een stukje natuur (dat op zichzelf best onooglijk mag zijn), ik daar in alle heftigheid op reageer. Een verwilderde tuin volstaat eigenlijk al. Die heftigheid valt het best te omschrijven als:

  • het open trekken van alle zintuigen (voelen, horen, ruiken, zien, proeven);
  • als gevolg daarvan worden ook nieuwe denkregisters open getrokken;
  • een voelbaar en verhoogd lichaamsbewustzijn;
  • en een onmiddellijke (hier en nu) gevoelservaring.

Toen ik nog kleine kinderen had, vroeg ik me af of de stadse leefomgeving niet teveel de ‘omgang met de natuurlijke wereld’ zou belemmeren. Ravotten in de natuur, de frisse gezonde buitenlicht in ademen, boompje klimmen, slootje springen, naar een zingende merel luisteren: zijn dat soort ervaringen nu juist niet wezenlijk voor het kind-zijn?

Ik gaf gehoor aan dit verlangen en dus gingen we op zoek naar een tuinhuisje, een hut, een plek ergens in de natuur waar we in de weekenden naar toe konden gaan. Het moest niets kosten en toch redelijk dicht in de buurt zijn. Na een aantal weken googelen, viel ons oog op een klein hutje in een natuurgebied in België.  Het was zeker 3 uur rijden van Amsterdam en we concludeerden onmiddellijk dat het te ver weg lag. Het prefab houten huisje  met golfplaten dak leek in de verste verte niet op wat ik er in mijn hoofd van had voorgesteld.  

De reactie van mijn kinderen sprak boekdelen: verloren stonden ze in het bos. Een driejarige en vijfjarige. Geen idee wat ze er moesten doen. ‘Ga lekker de omgeving verkennen’ zeiden wij maar onze kinderen bleven stokstijf staan. Geen zin. Geen idee wat ze in de natuur moesten doen.

Dat hutje hebben we niet gekocht maar bijna 10 jaar later hebben we wel een molen in Frankrijk gekocht met een wild stromende rivier, veel water en een stuk onontgonnen terrein. Met de angst in ons hart dat onze aankomende pubers zich er vast rot zullen vervelen. Want wat moeten ze straks in de natuur, op een plek waar geen Wi-Fi is?

De natuur – de wildernis- doet wat met ons. Het doet ook wat met het kind. Het is volgens mij het onvoorspelbare element dat ons doet wankelen en ons uitdaagt. Wij moeten ons bewijzen in de wildernis. Wij moeten laten zien dat wij ons tot de wildernis kunnen verhouden.

Wildcraften wordt het ook wel genoemd.  Snelcursussen overleven – ze worden aangeboden op internet en zijn bedoeld voor de moderne mens die zelf vuur wil maken, zelf brood wil bakken en onder de sterrenhemel wil slapen.  Onderdak, vuur, water en voedsel zijn de vier basispijlers van wildcraften en afhankelijk van de omgeving dient aan het een of juist aan het andere meer prioriteit te worden gegeven.

Dit soort overlevingsvaardigheden maken een vast onderdeel uit van het spelrepertoire van kinderen. Hutten bouwen, zelf voedsel klaarmaken, gereedschap en wapens maken, vuurtje stoken, het zijn allemaal spelactiviteiten die terug te vinden zijn bij het kind.  Door het speels oefenen met basale overlevingstactieken leert het kind zichzelf kennen, zijn of haar overlevingsvaardigheden te testen en daaruit zelfvertrouwen en zelfkennis op te bouwen.

Overigens wil ik met bovenstaande geen strakke tweedeling maken tussen natuur en cultuur. Ook in een stedelijke, gecultiveerde omgeving kan het kind hutten bouwen, wilde dieren ontmoeten (een slak of een regenworm bijvoorbeeld), voedsel bereiden en een vuurtje maken. De stadse omgeving kan een ware jungle zijn: de aanwezigheid van verlaten stukjes (vaak verboden) bouwland, het verkeer dat een slagveld onder dieren en mensen aan richt en de stad als een onheilspellende plek waar misdaad, gevaar en destructie op de loer liggen: allen dragen ze bij aan het jungle-gevoel. Niet zelden vraagt een grootstedelijke omgeving om dezelfde of vergelijkbare ‘overlevingstactieken’ die in de natuur noodzakelijk zijn. Bovendien doet de verbeelding een deel van het werk. Een paar struiken kunnen het jungle-gevoel al oproepen, net zoals een berg zand op een bouwterrein het gevoel van willen beklimmen en veroveren ontlokt. Het is in feite de verbeelding die ‘het wilde zijn’ aanwakkert maar de werkelijkheid kan het wilde element wel versterken en inkleuren.

De natuurfilosofie van Deleuze en Guattari plaatst de mens niet tegenover de natuur. Daar waar ecologen de natuur vaak zonder de mens denken, daar stelt het filosofen duo dat een dergelijke oppositie tot een verdergaande vervreemding van de mens ten opzichte van de natuur zal leiden. Door grote hekken te plaatsen rondom natuurgebieden, door parkdeskundigen zoals biologen, dierverzorgers en boswachters aan te stellen, door zo weinig mogelijk te interfereren met de natuur, wordt de ‘gewone mens’ een bezoeker en consument van de natuur[3]. Een natuurpark lijkt tegenwoordig verdacht veel op een attractie park. Zoals met een four wheel drive door het Serengeti park in Afrika scheuren op zoek naar de grote vijf. Ik heb het zelf gedaan. Het voelde eerlijk gezegd nogal onwerkelijk aan:  alsof ik door een grote, eindeloze dierentuin reed. 

De natuurfilosofie van Deleuze en Guattari gaat uit van krachten/bewegingen die zowel de mens als zijn omgeving maken.[4]Iedere beweging, ook de denkbeweging, is verbonden met de beweging van de aarde.

Het lichaam is altijd ergens, het is gesitueerd en eigent zich een plek toe in de ruimte. Territoriumdrang, zo wordt dit verlangen naar een eigen ruimte ook wel genoemd. Zowel de mens als het dieren kennen de behoefte om een eigen plek te verwerven, en het liefst is dat een plek waar voldoende eten is,een schuilplaats, nestgelegenheid en een veilige plek om de jongen groot te brengen. Eenmaal in bezit, personaliseren, bezetten, markeren, bewaken en verdedigen we die ruimte.Een territorium is een gebied dat toebehoort aan een persoon of dier of aan een groep.

Het territorium biedt een veilige plek waar voedsel is en een schuilplek. Bij een territorium is er dus altijd sprake van een binnen dat aan een buiten grenst. Binnen is het veilig, buiten ligt het gevaar mogelijk op de loer.

In het afbakenen van een territorium gaat het jonge kind nomadisch te werk. Het kind bouwt tijdelijke territoria om zich heen: speciale plekken die kinderen in en rondom het huis voor zichzelf creëren. Jonge kinderen (4-7 jaar) bouwen hun schuilplek of hut meestal binnenshuis in de directe nabijheid van de ouders. Meubels dienen als fundament voor de hut: stoelen, tafels en banken zijn uitermate geschikt daarvoor. Lakens en doeken worden erover gedrapeerd, en voilà, de hut staat. Dit soort onderkomens zijn meestal uitermate krakkemikkig en storten om de haverklap in. Tijdelijkheid is een kenmerk van de zelfgemaakte stoffen kinderhut. Wasknijpers, touw, tape zelfs plakband kan gebruikt worden om de lakens met elkaar te verbinden en een ingang te creëren die open en dicht kan.

Deze schuilplekken zijn geïmproviseerde bouwsels, samenraapsels van materialen die ter plekke gevonden en in zichzelf niet bedoeld zijn om mee te bouwen – een aaneenrijging van toevallige oplossingen. Deze bouwsels kunnen relatief snel opgezet en afgebroken worden. Tijdelijkheid is daarmee een belangrijk kenmerk van de hutten, tenten en schuilplekken die binnenshuis door jonge kinderen gebouwd worden.

Oudere kinderen (7-11 jaar) bouwen hun hutten verder van huis. Ze verzamelen los materiaal dat zij ter plekke vinden: takken, stenen, bladeren etcetera. In een stedelijke omgeving kunnen dat ook buizen, houten vlonders, kartonnen dozen of een stuk canvas etzijn. In tegenstelling tot de hutten en bouwsels die binnenhuis worden gemaakt, zijn de hutten van de kinderen in de natuur bijna altijd gemaakt van natuurlijke materialen. Hoewel de hut zich onderscheidt van de omgeving, doet het dat op een subtiele en fijnzinnige manier. Een schuilplek moet nooit teveel op de voorgrond springen anders kan het te gemakkelijk door indringers en vijanden ontdekt worden.

David Sobel heeft onderzoek gedaan naar de speciale plekken van kinderen. In zijn boek ‘Children’s special places’ laat hij kinderen aan het woord.[6]Nicolas is een van de kinderen die een hut heeft gebouwd op een klein eilandje, in de bocht van een beekje, zo’n 150 meter van zijn huis in Canada Hill. Nicolas vertelt dat hij het mogelijke indringers lastig heeft gemaakt door het beekje bij de ingang van zijn hut iets te verwijden. In de bosjes heeft hij een plank verstopt die hij kan gebruiken om het beekje over te steken. Eenmaal aan de overkant,  haalt hij de plank weer weg.  Ook bedekt hij het traag stromende beekje soms met bladeren zodat het een stevig pad lijkt. Mogelijke indringers zullen op de bladeren stappen, natte voeten krijgen en door het beekje meegenomen worden. De hut is voor Nicolas een plek waar niemand hem kan zien[7].

Het idee van mogelijke indringers speelt een rol bij veel kinderen. Niet voor niets liggen de hutten op een verscholen plek. Ook de weg naar de hut kent hindernissen: struiken, tunnels, omgevallen bomen dienen allemaal om het de mogelijke indringer zo moeilijk mogelijk te maken. Bij de ene hut moet je eerst door een gat in de bramenstruik kruipen, een andere hut heeft uitkijkpunten waarmee de indringer op tijd gesignaleerd kan worden.

Ook worden er vluchtroutes bedacht. In het boek van Sobel vertelt een groepje kinderen over de gezamenlijke schuilplek op een vervallen bouwplaats. In een uitgeholde haag van struiken heeft ieder kind zijn eigen kamertje, met ieder een geheime ingang. De kamertjes komen uit op een centrale schuilplek. Er is een vlucht uitgang en zelfs een vluchtplan opgesteld: ‘Ik ga eerst, dan Simon, daarna Sara. We rennen achter elkaar, door de greppel, door het paadje en dan via de uitgang naar het veld’[8].

Een territorium is een tegen soortgenoten verdedigd leefgebied, opgeëist door een individu, of door een sociale groep. Een territorium kan aangevallen worden. De eigenaar dient daarom altijd op zijn hoede te zijn en bereid zijn om indien nodig zijn territorium te verdedigen. Dit spel van aangevallen worden en zichzelf verdedigen zien we in het spel van kinderen terug. Zelfgemaakte wapens maar ook allerhande objecten als stokken, buizen, kussens worden ingezet om de schuilplek met hand en tand te verdedigen. Overigens gaat het hier om spel: het kind speelt dat zijn territorium wordt aangevallen en hij zich verdedigen moet. Het gaat dus nooit om het werkelijk fysiek schade willen toedoen aan een ander.

Overigens gaat het er in de dierenwereld ongeveer vergelijkbaar aan toe. Dieren die hun territorium verdedigen zetten hun haren of veren overeind, stampen op de grond, fladderen wild met hun vleugen en blazen, zingen, brullen erop los.  Er is sprake van veel luidruchtigheid alsook ook veel poespas, maar slechts zelden leidt het gedrag in de dierenwereld tot werkelijke verwondingen.  Wanneer je het spel van imponeren goed beheerst dan is de kans groot dat je je territorium behoudt.

Het gaat daarbij niet alleen om kracht en fysieke sterkte, een belangrijk onderdeel van de tactiek is het lezen van elkaars gedrag. Want door het gedrag van de ander te lezen, kan je erop anticiperen en er een verassingsvoordeel mee doen.

De hut is een geheime schuilplek voor kinderen. In het onderzoek van Sobel vertellen de kinderen dat zij naar hun schuilplek gaan om alleen te zijn en alleen te spelen. ‘Het is hier zo rustig dat je alleen jezelf kan horen’, zegt een jongen. In hutten die gedeeld worden met andere kinderen, lijkt er qua spel een wezenlijk verschil te zetten tussen kinderen onder de 8 jaar en kinderen tussen de 8 en 11 jaar.  Onder de 8 jaar zijn de groepen gemengd en bestaat het spel vooral uit rollenspel waarbij dagelijks activiteiten als eten zoeken, koken, schoonmaken en slapen het uitgangspunt vormen. Ook worden er schatten verzameld (bloemen, schelpen, stenen maar ook een gevonden tas, een stuk doek, gordijnen, batterijen etc.). Vanaf 8 jaar zijn de groepen homogener samengesteld: meiden spelen voornamelijk met meiden en jongens spelen voornamelijk met jongens. Daarnaast wordt er een ander opvallend verschil zichtbaar. De meisjes houden zich vooral bezig met het interieur, terwijl de jongens zich bezig houden met de constructie van de hut. In andere woorden, de meisjes en jongens kijken vanuit een ander perspectief naar de schuilplek en het territorium. Meisjes doen dat van binnenuit, jongens doen dat van buitenaf.

Geslacht lijkt aldus een invloed te hebben op het perspectief waarmee naar de schuilplek en de omringende omgeving wordt gekeken. Sobel is hier in eerste instantie sceptisch over. Hij vertelt hoe een schoolmeester hem probeert te overtuigen. ‘Hoeveel ramen zijn er in je huis?’ vraagt hij. Sobel denkt na en verbeeldt zich zijn eigen huis. Meteen daarop stelt de schoolmeester de volgende vraag: ‘Waar was je toen je de kamers telde?’. Wat blijkt? De meeste vrouwen verbeelden zich het huis van binnen, terwijl de meeste mannen het huis van buitenaf verbeelden[9].

Tot slot nog een laatste ding over het territorium, de hut en de schuilplek. Ieder kind heeft de behoefte aan een eigen plek die van hemzelf is en waar hij zichzelf kan zijn. Zo’n plek hoeft niet groot te zijn: de meest eenvoudige plekken volstaan eigenlijk al, zolang ze nog niet opgeëist zijn door een ander. Het is het recht van het kind om een plaats in de wereld te hebben. Hoewel dat zeer zeker ook een emotionele plaats is, doel ik hier in de eerste plaats op een fysieke plaats. Een plaats waar het kind zich kan terugtrekken of op eigen houtje de wereld kan verkennen.

Volgens David Sobel hebben kinderen een universele behoefte aan een eigen, speciale plek. Jonge kinderen (4 –7 jaar) zoeken naar die special plekken in en rondom het eigen huis, in de directe nabijheid van de ouders. Oudere kinderen (7-11 jaar) bouwen hun hutten verder van huis, bij voorkeur in een natuurlijke gevarieerde omgeving die uitnodigt tot vrij spel. Sobel stelt dat deze speciale plekken meerdere ontwikkelingsgebieden van het kind stimuleren. Allereerst vormt een speciale plek een brug tussen de veilige beschermde wereld en de wereld daarbuiten. Door de speciale plek leert het kind zichzelf kennen en kan het oefenen in het onafhankelijk zijn. Ten tweede, zorgen de speciale plekken voor een binding met de natuur. Het kind leert zich comfortabel en thuis voelen in de natuur.

Of de plek zich nu dichtbij huis bevindt of verder weg is gelegen, in beide gevallen creëren kinderen voor zichzelf een plek die van hen is. Op die plek wordt druk geoefend met allerlei overlevingsvaardigheden zoals zelf voedsel zoeken en klaarmaken, op jacht gaan, een vuurtje stoken of het verdedigen van het territorium tegen vreemde indringers. Bij jonge kinderen zullen die overlevingsvaardigheden vooral in het doen-alsof spel geoefend worden. Oudere kinderen zullen steeds meer behoefte krijgen aan levensechtheid.

Net zoals dat bij micro-avonturen gaat, kan het kind op micro-niveau met die overlevingsvaardigheden oefenen. Het begint eigenlijk allemaal bij de achterdeur. Het verzamelen van bladeren bijvoorbeeld, of vruchten en besjes, en daar een lekker soepje van maken. Dat mag een heus soepje zijn maar een nep soepje is ook leuk. Of een vuurtje maken. Eerst misschien alleen een kaarsje aansteken, dan snel je vinger door de vlam halen, vervolgens buiten in een vuurkorf een vuurtje stoken en tot slot een fikkie stoken in het wild. Niks zo leuk als samen naar het vuur staren, er verschillende kleuren in ontdekken, de hitte voelen en het hout horen knetteren. Zo’n vuurtje vraagt natuurlijk om er met een stokje in te porren. Ook leuk: aard-appels roosteren, brooddeeg op een stokje of mierzoete marshmallows naar binnen werken. Naast vuur is water een element dat niet in het overlevingsspel mag ontbreken. Kleuters rennen als vanzelf op een waterplas of beekje af: lekker spatten in het water, water overhevelen van het ene emmertje naar het andere emmertje, en in combinatie met zand kunnen er de meest vreemde bouwsels en brouwsels ontstaan. De aantrekkingskracht van water verdwijnt niet bij het ouder worden: hooguit krijgt het spel een andere vorm. Denk aan dammen bouwen, vissen, een eigen vlot maken en die uittesten.

Wildcraften kun je ook dichtbij huis doen. Daarvoor hoef je niet duizenden kilometers te reizen of je op een afgelegen plek te begeven. Waar het bij wildcraften om gaat is dat de buitenruimte zich op een organische en natuurlijke wijze verbindt met de binnenruimte van het kind.

 

[1]Lankston, L., Cusack, P., Fremantle, C., & Isles, C. (2010). Visual art in hospitals: case studies and review of the evidence.J R Soc Med.,103(12), 490–499. doi:  10.1258/jrsm.2010.100256

 

[2]Kim, G.-W. et al. (2010). Functional Neuroanatomy Associated with Natural and Urban Scenic Views in the Human Brain: 3.0T Functional MR Imaging. Korean Journal of Radiology, 11, 507.

 

 

[3]Ten Bos, R. (2008). Het geniale dier.Amsterdam: Boom Uitgeverij.

[4]Rick Dolphijn, p.17. De natuurfilosofie van Deleuze en Guattari. Wijsgerig perspectief, 54(2), 2014.

[5]Weten moet hier opgevat worden als een belichaamd lichamelijk weten. Door de geleefde ervaring situeert het lichaam zich, ook in de slaap. 

 

[6]Sobel, D. (2001). Children’s Special Places:  Exploring the Role of Forts, Dens, and Bush Houses in Middle Childhood.Wayne State: Wayne State University Press.

 

[7]Zie ook het essay over verstoppen.

[8]Pagina 23, Sobel, 2001.

[9]Ik hoop dat het de lezer inmiddels duidelijk is dat ik niet in stereotypen wil denken.  In het bovenstaande poneer ik dat er een tendens lijkt te zijn dat meisjes een meer naar binnen gericht perspectief hanteren terwijl jongens meer van buitenaf naar de schuilplek kijken. Echter, even als het territorium is ook het perspectief er op bij met name jonge kinderen nog veranderlijk en fluide. Er zijn altijd verschillen tussen kinderen en die verschillen worden niet uitsluitend bepaald door geslacht.

Verstoppertje

Het is oudjaarsavond (31 december 2017). We zijn Molletje, onze zwarte hamster, kwijt. Ze is voor de zoveelste keer uit haar kooi ontsnapt. Uit ervaring weten we inmiddels dat de hamster na een aantal dagen waarschijnlijk uit zichzelf zal terugkeren. Gedreven door honger, zoekt het beestje toch weer de kooi op. Molletje is een slim diertje dat 24/7 bezig is met ontsnappen. De zwakste plek van de kooi is de luchtschacht aan het einde van de hoogste buis. Uren is eraan geknaagd, tot het plastic verbindingsstukje brak en een duwtje met de kop voldoende was om van de vrijheid te proeven.

De ellende aan ontsnappen is dat de hamsters zich verschuilen op de meest onmogelijke plekken. Achter de loodzware 4 meter hoge boekenkast bijvoorbeeld, of onder de trap waar manlief bergruimte heeft gecreëerd. Naarstig wordt er geknaagd aan elektriciteitskabels, speelgoed, een oude doos met Pampers (bewaard om mee te spelen), eigenlijk aan alles dat een knaagbare kwaliteit heeft. De ravage is enorm. Want ondertussen wordt er natuurlijk ook nog driftig gescheten en gepist.

Uiteindelijk vinden we onze hamster terug bij de overbuurvrouw. Molletje is in een onbewaakte moment ons huis uit geglipt en haar huis in geglipt en heeft zich in de kussensloop, op het bed, verstopt. Een geniale en tegelijkertijd ongelooflijk domme verstopplek. Er is niemand die een hamster in zijn bed wil vinden.

 ‘De natuur houdt ervan zich te verstoppen’, schrijft Heraclitus omstreeks het jaar 500 voor Christus.

Dieren zijn meesters in het verstoppen. Het vermogen om zich te verbergen en op de achtergrond te blijven, is precies wat het dier geniaal maakt, stelt Ten Bos. Dieren gebruiken allerlei camouflage technieken – schutkleuren, vormvervaging, omgekeerde schaduwwerking, nabootsen van een ander dier[1]– om zichzelf zo onzichtbaar mogelijk te maken Het is een gave die de mens grotendeels verloren heeft. Grotendeels want bij sommigen is deze gave nog niet verloren gegaan. Het kind, de kunstenaar, de vluchtende en de soldaat[2]: zij weten hoe ze zich moeten verstoppen en verbergen. In dit essay beperken we ons tot het kind en de kunstenaar.

Dat kinderen zich zo graag onzichtbaar maken, zien we vooral aan de verstopspelletjes die zij met zoveel plezier spelen. Verstoppertje spelen in bed zal voor velen een herkenbaar bed ritueel zijn. Groot plezier ontleenden mijn kinderen aan dit ritueel: het wegkruipen onder het dekbed, onze  (gespeelde) verbazing wanneer we het lege bed aantroffen, ‘huh, maar net was ze nog hier’ om na wat zinloos gezoek ontredderd op het bed, op die vreemde hobbel, neer te ploffen. ‘Nou, dan weet ik het ook niet meer’.

(Voor een grappige verzameling van kinderen die zich verstoppen, zie de website van bored panda).

Voor jonge kinderen maakt het niet eens veel uit of er objecten zijn om je achter te beschermen. Zo speelde ik eens verstoppertje met mijn dochter in een dans studio. De studio was leeg: er waren geen objecten om je achter te verschuilen, geen gordijnen, kasten of doorgangen. Ik stond met mijn gezicht naar de muur, ogen gesloten en telde langzaam tot tien. Toen ik me omdraaide zag ik mijn dochter midden op de vloer liggen met haar handen voor haar ogen. ‘Als ik mijzelf niet kan zien, dan kan de ander mij ook niet zien’ zo lijkt de redenering. Onderzoek laat echter zien dat de redenering van jonge kinderen al een stuk ingewikkelder in elkaar zit. Kinderen tussen de 2-4 jaar hebben wel degelijk in de gaten dat zij nog steeds zichtbaar zijn voor anderen als zij hun handen voor hun ogen houden. Het lijkt hier meer om gedeelde aandacht te gaan: je kan pas waargenomen worden als er een gedeelde ervaring is, dat wil zeggen, er zijn twee paar ogen (die van jezelf en die van de ander) nodig om zichtbaar te worden[3].

Een andere manier om jezelf onzichtbaar te maken, is door jezelf in te graven. Het gebeurde toevallig gisteren nog toen we op het strand bij Wijk aan Zee waren. Manlief werd door mijn dochter in gegraven. Zijn hele lichaam was bedolven onder het zand, alleen het hoofd en de tenen staken er eenzaam boven uit. We kregen er een gesprek over. ‘Het is raar om je tenen te bewegen’ zei mijn man. ‘Het lijkt net alsof ze niet meer bij de rest van het lichaam horen’.

Niet alleen kinderen begraven anderen of zichzelf in het zand, veel schelpdieren en krabjes kruipen bij eb het zand in. Op die manier drogen ze niet uit en zijn ze onzichtbaar voor meeuwen. Dat doen ze razendsnel: binnen enkele seconden verdwijnen ze in het zand. Zeepieren graven zich ook in: ze zuigen het zand aan de ene kant op, poepen het aan de andere kant weer uit en tijdens dat proces filteren ze kleine voedseldeeltjes uit het zand.

Waar dier en kind zich naar de achtergrond verdringen, daar treedt de volwassen mens op de voorgrond. Volgens Ten Bos (die op zijn beurt verwijst naar Deleuze) is de mens een wezen die zich al denkend en analyserend tot een ik heeft gevormd: een ik dat zich wil onderscheiden en naar voren wil treden. Het dier daarentegen zorgt ervoor dat het zich niet te sterk onderscheidt van de achtergrond. Camouflage vormt een van de belangrijkste hulpmiddelen van het dier om zich tegen de achtergrond te verbergen. De camouflage wordt door zowel prooi als jager ingezet: beiden willen onzichtbaar voor de ander zijn.

Hoewel de meeste dieren zich goed weten te verbergen in de achtergrond, treden sommige dieren juist op de voorgrond. Niet geheel toevallig treden dieren vaak op de voorgrond wanneer het om paring en voortplanting gaat. Dat geldt bijvoorbeeld voor een aantal vogels die moeten opvallen om de aandacht van het andere geslacht te krijgen om zich zodoende te kunnen voortplanten. De jonkies daarentegen zijn weer wel vaker bedekt met schutkleuren.

Trekken we die gedachte door naar de mens, dan is het zeer wel mogelijk dat bij kinderen, die kwetsbaarder en hulpelozer zijn dan volwassenen, de natuurlijke drang om zich te verbergen sterker aanwezig is dan bij volwassenen die in hun wens tot voortplanting meer willen opvallen.

Er zijn dus twee redenen (en waarschijnlijk nog wel wat meer) te bedenken waarom kinderen zich beter kunnen verbergen dan volwassenen: een evolutionaire reden (overleven=  je goed kunnen verbergen, voortplanten = op de voorgrond treden) en Deleuze’s argument dat de denkende en analyserende mens zich tot een ‘ik’ heeft gevormd: een ik dat zich los zingt van de achtergrond en naar voren treedt.

Verstopspelletjes en je laten ingraven in het zand, zijn niet de enige spelactiviteiten waarbij het zich verbergen centraal staat. Kinderen zoeken geheime plekjes op, in en rondom het huis, die van hen zijn en waar volwassenen het bestaan niet van weten. Op deze speciale plekken kan het kind op autonome wijze de eigen ervaring vorm geven. Vier activiteiten staan daarbij centraal: spelen, verstoppen, uitrusten en verkennen.[4]Door deze activiteiten ontwikkelt het kind een gevoel van ruimtelijke autonomie en controle op de omgeving.

Het kind eigent zich de geheime plek toe. Het is zijn territorium. In de literatuur spreekt men van plek-identiteit en zelfidentiteit: door cognities over de fysieke omgeving (de plek) leert het kind zichzelf als persoon te definiëren. Ik zelf spreek liever van plek-wordingen en zelfwordingen. Niet de cognities en representaties vormen daarbij het uitgangspunt maar de belichaamde ervaringen. Het kind verbindt zich fysiek aan een plek en dat verbinden is een dynamisch en steeds veranderend proces. Het zichzelf worden is daarmee ook altijd een ruimtelijk worden.

Een speciale, geheime plek is een plek dat het kind opeist, een plek waar het kind eigenaarschap over voelt. Het jonge kind (5-7 jaar) zoekt de geheime plek dichtbij huis en zal niet snel veranderingen in de bestaande structuur aanbrengen.  Veranderingen vinden wel via spel en de verbeelding plaats: de geheime plek wordt tot iets anders omdat het in de verbeelding en in spel een andere betekenis en beleving krijgt. Het oudere kind (7-11 jaar) daarentegen gaat op zoek naar geheime plekken die verder van huis liggen. Zij bouwen hun eigen plek met los materiaal dat zij ter plekke vinden.

Jonge kinderen zijn vooral op zoek naar een rustige plek waar zij zich kunnen verbergen. Zij worden aangetrokken tot plekken die iets geheimzinnigs hebben en waar een zekere exclusiviteit en privacy vanuit gaat. Jonge kinderen ontlenen plezier aan het feit dat ze niet vindbaar voor anderen zijn.  Een geheime plek kan je alleen of met een groepje kinderen bezitten. Is er sprake van een gedeelde geheime plek dan staat het bewaken en verdedigen (tegen mogelijke indringers zoals een andere groep kinderen) centraal. 

Geheime plekken in huis zijn de plekken die óf het verst weg van de centrale gezinsruimte liggen (kelder, zolder) óf vergeten plekken zijn, zoals hoekjes of nisjes, de smalle ruimte achter de bank, de holte tussen bed en muur, een kast, onder de trap etc. Kleine kinderen hebben er lol in om zichzelf in een zo klein mogelijke ruimte te proppen.

Het thema van ‘verstoppen en tevoorschijn komen’ zien we ook bij een aantal kunstenaars terug. Een voorbeeld daarvan is de video installatie ‘Jump’ uit 1998 van Job Koelewijn. Koelewijn heeft een diep gat gegraven, daar een trampoline in verborgen, zo diep dat bij het springen alleen zijn hoofd boven de grond uitsteekt. Tegen een grauwe Hollandse achtergrond zien we soms zijn hoofd tevoorschijn komen, om dan onmiddellijk weer in het gat te verdwijnen.

Bruce Nauman, beeldend kunstenaar, gaat nog een stap verder. Hij wil onderzoeken in hoeverre het lichaam onzichtbaar kan worden. Hij vraagt aan twee performers, Tony en Elke, om door middel van mentale activiteit hun lichaam in de vloer te laten zinken en/of hun lichaam door de vloer te laten insluiten. In ‘Tony sinking into the floor flace up and face down’ (1974) zien we Tony’s verwoede mentale pogingen om in de vloer te verdwijnen. Het lukt niet. Wat we wel zien is de concentratie, het in gedachten weg proberen te zijn. De foto’s waarop het experiment is vastgelegd, doen me sterk denken aan mijn driejarige dochter die zich onzichtbaar waant op een lege dansvloer. Dezelfde concentratie, dezelfde afwezige aanwezigheid. 

Waar Job Koelewijn en Bruce Nauman spelen met het tijdelijk verdwijnen en verschijnen, daar stelt Berlinde de Bruyckere in de dekenvrouwen het thema van verbergen centraal. Net als menig ander kunstenaar (waaronder Joseph Beuys) heeft zij een fascinatie voor dekens. Wollen dekens bedekken en beschermen. Dekens staan symbool voor geborgenheid en veiligheid maar ook voor angst en kwetsbaarheid. Bruyckere zegt daarover: ‘Een deken is voor mij een symboolvan geborgenheid. Het heeft een ziel, die meestal positief geladen is. Een deken dekt je toe, je voelt je het kind dat binnen zit terwijl het buiten regent. Ik gebruik een deken ook als negatief voorwerp. Je kan iemand zo veel liefde en geborgenheid geven dat hij erdoor verstikt raakt, zichzelf niet meer vindt. Onder een stapel dekens liggen desoriënteert! Die dubbelzinnigheid speel ik graag uit in mijn werk.’[5]De Dekenvrouwen bestaat uit een reeks van vrouwenfiguren waarvan armen en benen levensecht lijken terwijl de rest van het lichaam schuil gaat onder dekens. Bruyckere werkt in deze serie met marmer zodat de ledematen realistisch en figuratief aanvoelen. 

Het thema van verbergen keert terug in het werk ‘Vrouw in Boom’ (1994). In dit werk plaatst Bruyckere een vrouwenfiguur in een boom, onder een deken. De vrouwenfiguur klampt zich vast aan de boomstam. De deken verhult de identiteit van de vrouwenfiguur: we weten niet wie het is maar we voelen wel haar aanwezigheid. De Bruyckere zelf associeert de vrouwenfiguur in de boom met het kind dat zich verschuilt en zich onzichtbaar waant voor de ander. Vrouw in Boom is een sculptuur dat op locatie is gemaakt: opnieuw zien we dat plekwording en -in dit geval- vrouwwording met elkaar samengaan.

Het in een boom zitten is een manier om je aan het zicht te onttrekken. Het is een geliefde bezigheid van kinderen. Waarom eigenlijk? Een check op internet levert niet veel informatie op, behalve de gebruikelijke verklaringen: kinderen houden van experimenteren, van risicovol gedrag, in een boom klimmen hoort daar ook bij. Klimmen is bovendien goed voor de motorische ontwikkeling. Ik vraag het aan mijn kinderen. ‘Gewoon, ik weet niet’ is de reactie. ‘Omdat je lekker hoog zit’ krijg ik na enig doorvragen te horen. Dat is tenminste iets. Ik denk er zelf het volgende van: een boom roept de affordance ‘klimmen’ op bij het kind. Iedere potentiële boom wordt door het kind nauwkeurig gecheckt op die affordance. Zitten er voldoende takken onderaan de boom? Zijn de takken sterk genoeg? Kan je hoog genoeg komen?

Er zijn allerlei redenen om je te willen verbergen. Bij een kind is het verbergen vaak onderdeel van het spel. Soms echter wil een kind ook gewoon even alleen zijn, met rust gelaten worden, even niemand in de buurt hebben waarvan hij iets moet. Een kind heeft in die zin best weinig privé: hij is de hele dag met anderen in de weer (op school, op een clubje, bij vriendjes), er is altijd een volwassene ergens in de buurt en veel van zijn gedachten worden opgeëist door anderen. Hoe was het op school? Is er nog wat gebeurd? Met wie heb je gespeeld? En nog meer van dat soort vragen stel ik aan mijn dochter of zoon wanneer ze van school komen. Lekker kopje thee erbij, even aan tafel zitten, hoe was je dag vandaag? Veel meer dan wat algemeenheden wordt er echter niet uitgewisseld. Mijn man pakt het veel slimmer aan, die gaat met mijn dochter frisbeeën en stelt intussen allerlei vragen, ongemerkt, heel subtiel, en intussen (ik zit bij het raam, dus ik kan het hele gesprek horen), hoor ik hoe mijn dochter honderduit vertelt over het schoolfeestje dat ze aan het voorbereiden zijn, de groepsapp, de groepjes die zijn gevormd, de leraren die te druk zijn om het feest te organiseren, dus zij hebben de verantwoordelijkheid gekregen om het zelf te organiseren.

Het alleen zijn, het zich onttrekken aan de blik van de ander, een privé leven hebben dat niet met een ander gedeeld hoeft te worden:  het zijn allemaal dingen waar het kind behoefte aan heeft.

De kunst van het verbergen zien we niet alleen bij kinderen, dieren en kunstenaars terug. Ook in onze volksverhalen is het een geliefd thema. Overal ter wereld komen mythologische wezens voor die zich er op hebben toegelegd om zo onzichtbaar mogelijk voor de mens te zijn. Kabouters, bijvoorbeeld, zijn mythologische wezens die over de hele wereld maar met name in Noord-Europa, Scandinavië en Rusland voorkomen.  Het zijn kleine wezentjes die in Nederland te herkennen zijn aan hun rode puntmuts, een lange baard, bolle wangen en stevige buiken. Een kabouterman draagt meestal wollige laarzen en een riem om zijn buik. Kaboutervrouwen dragen meestal een rok. Kabouters onderhouden nauwe contacten met mens en dier. Per regio verschillen ze van uiterlijk en gedrag maar ze hebben met elkaar gemeen dat het kleine wezentjes zijn die zich onzichtbaar kunnen maken en zich verborgen kunnen houden voor de mens. Verwant met de kabouters zijn onder andere de huishoudgeesten (de hob, onder meer bekend van Tolkien en Harry Potter), de aardmannetjes, de bosgeest (puca) en de tylwyth teg (een elf).

In IJsland gaan verhalen rond over het verborgen volk, het huldufólk, een elfenvolk dat op mensen lijkt, alleen zijn ze mooier, slimmer, charmanter en kleiner. Het verborgen volk kent zijn oorsprong in het paradijs. Volgens de overlevering had Eva vele kinderen. Op een dag kondigde God aan dat hij haar ging bezoeken. Eva ging meteen aan de slag, poetste alle kinderen maar de tijd was te kort en sommige kinderen waren nog vies toen God zich aankondigde. Eva verborg de vieze kinderen. Toen God alle kinderen had geïnspecteerd, vroeg hij aan Eva of ze nog meer kinderen had. Eva ontkende met als gevolg dat de vieze kinderen veroordeeld werden tot een leven van onzichtbaarheid.

De vieze kinderen zijn aldus het verborgen volk van IJsland geworden. Veel IJslanders sluiten het bestaan van het volk niet uit. In een onderzoek van de universiteit van IJsland in 2011 zegt 37% van de IJslanders dat het verborgen volk mogelijk bestaat. Het huldufólk zou in (grote) stenen en in rotsen leven. Het volkje is in principe goedaardig maar mensen die hun huis verstoren of vernietigen, roepen onheil en zelfs de dood op hen af. 

Men kan dit eenvoudigweg afdoen als oud bijgeloof maarde invloed van het Huldufólk op het denken van de IJslanders moet niet onderschat worden. In IJsland wordt elke steen benoemd en het is een ongeschreven wet dat niemand met stenen gooit. Bij de aanleg van wegen wordt rekening gehouden met het Huldufólk. De hoofdweg van Reykjavík naar Selfoss bijvoorbeeld, buigt een paar kilometer voorbij Hveragerði af om een elfenheuvel te ontwijken. In een woonwijk in IJsland kregen de bewoners van een steen zelfs een officieel adres. Grundargata 84 verwijst naar de elfen die er wonen. Een bekend verhaal is de bouw van een nieuwe weg naar Akranes in 1999. Tijdens de bouw ging er voortdurend iets mis: constructiegereedschap ging steeds kapot en er waren aan de lopende band tegenslagen. Toen een bouwvakker door een ongeluk overleed werd uiteindelijk een lokale inwoonster ingeschakeld, waarvan men beweerde dat zij in contact stond met het huldufólk. Volgens de elfenfluisteraar woonde het verborgen volk op de geplande nieuwe weg: ze waren bezig met verhuizen en hadden meer tijd nodig. De werkzaamheden werden tijdelijk gestaakt totdat de vrouw hen berichtte dat het huldufólk verhuisd was. De werkzaamheden werden hervat en er waren geen tegenslagen meer.

Het landschap in IJsland is ontzagwekkend, woest en rauw. De grond borrelt, de donkere, zwarte bergen zien er onheilspellend uit en de luchten zijn met ijzergrijze wolken gevuld. Actieve vulkanen, lavastromen, hete, bubbelende waterpoelen en spuitende geisers, het is een landschap dat zich voortdurend transformeert. Het landschap heeft invloed op het denken van de IJslanders: bij zoveel ontzagwekkends moet je wel geloven in krachten die groter zijn dan jezelf.

De IJslanders hebben een sterke band met de natuur en als gevolg daarvan is er in hun dagelijks leven nog ruimte voor het wilde, magische denken. Dat geldt voor alle culturen die een sterke band met de natuur hebben.

Ook bij kinderen lijken een sterke affiniteit met de natuur en met dieren te hebben. Kinderen voelen zich verbonden met dieren, met eigenlijk alles wat leeft. Volgens Deleuze en Guattari komt dit doordat het kind zich nog niet heeft los gemaakt van de achtergrond, terwijl de volwassen mens zich al denkend op de voorgrond heeft geplaatst. De volwassen mens heeft een allesomvattend ik gevormd, een ego dat alleen kan bestaan doordat het zich heeft losgeweekt van de achtergrond. Een ik is zichtbaar, een ik is waarneembaar. Daarmee, zo stelt ten Bos, ‘verliest de mens iedere betrokkenheid bij die wereld die normaal gesproken de achtergrond van zijn bestaan is’.[6]

Een kind daarentegen is zintuiglijk aanwezig in de wereld: hij laat zich meevoeren en is gevoelig voor de kleinste gebeurtenissen (een mier die een stukje kruimel op de rug mee sjouwt, een spin die een vlieg in zijn web heeft gevangen, een sprinkhaan die reuze sprongen maakt). Het jonge kind ondergaat de stroom van gebeurtenissen: hij legt schijnbaar willekeurige verbanden en speelt met wat fantasie en wat werkelijkheid zou kunnen zijn. Het kind voelt intuïtief aan dat het verbeelde evengoed het werkelijke kan zijn, terwijl het werkelijke op zijn beurt een afdruk van het verbeelde kan zijn.

Dat het kind zich kan laten meevoeren met de gebeurtenissen in de wereld, komt omdat hij zichzelf nog in veel mindere mate bepaald heeft. Er is nog geen vastomlijnd ik, een naar voren staand ego dat zichzelf en de wereld om hem heen voortdurend definieert. In plaats daarvan zijn er indrukken, associaties, verbindingen. Er is veel ruimte voor het andere, juist doordat het zelf nog een losse, vrije vorm heeft.

Het kind staat in de wereld, hij blijft dichtbij de dingen en laat zich er ook door aanraken. Met aanraken bedoel ik niet alleen het directe fysieke contact met de dingen en de wereld, maar ook het ‘geraakt worden’ in figuurlijke zin. Het gevoelsmatig meegenomen worden zodat er een affectieve verbinding tussen het kind en de natuur, tussen het kind en het dier, ontstaat. Ofwel, het kind ‘laat zich raken door de veelheid van bewegingen in de omgeving’ [7]

Jezelf verbergen betekent in die zin ook dat het andere – het mogelijke- op de voorgrond mag treden. Onzichtbaarheid betekent minder waarde toekennen aan het ‘ik’, accepteren dat je geen vaststaande entiteit bent en je zintuiglijk laat meevoeren met de stroom van gebeurtenissen.

 

 

[1]Dieren maken gebruik van verschillende camouflage technieken:
(1) het gebruik van schutkleuren (dat wil zeggen de kleur aannemen van de achtergrond zoals bijvoorbeeld een wandelende tak);
(2) vormvervaging (ook wel disruptieve kleuring genoemd): het strepenpatroon van een bepaald dier zorgt ervoor dat vorm en contouren van het lichaam vager worden (denk bijvoorbeeld aan een zebra)[1];
(3) omgekeerde schaduwwerking: bij bepaalde haaien en pinguins bijvoorbeeld is de buik wit en de rug donker waardoor de ruimtelijke waarneming wordt verstoord en we niet goed meer weten wat boven en onder is;
(4) nabootsing (mimicry): het dier neemt de vorm aan van een ander object of dier (sommige insecten kunnen bijvoorbeeld wespen nabootsen).

 

[3]Russell, J., Gee, B., & Bullard, C. (2011). Why Do Young Children Hide by Closing Their Eyes? Self-Visibility and the Developing Concept of Self. Journal of Cognition and Development 13(4),pp. 550-576.

 

[4]Green, C. (2013). A sense of autonomy in Young Children’s Special Places. International Journal of Early Childhood Environmental Education, 9(1), pp.65-85.

 

[5]http://www.kunstbus.nl/kunst/berlinde+de+bruyckere.html

[6] Pagina 85, Ten Bos, R. (2008). Het geniale dier: Een andere antropologie.Amsterdam: Uitgeverij Boom. 

 

[7]Pagina 90, Ten Bos, R. (2008). Het geniale dier: Een andere antropologie.Amsterdam: Uitgeverij Boom. 

Dier en Kind

Wat wil je later worden? is een vraag die menig volwassene aan een kind stelt. Zo ook ik. Nu mijn kinderen inmiddels 12 en 14 jaar oud zijn, probeer ik me voor te stellen wat zij later zouden willen gaan doen. Toch vraag ik niet aan hen: ‘Wat wil je later gaan doen?’ Nee, ik vraag: Wat wil je later worden? Een dergelijke vraag vooronderstelt dat het kind straks iets gaat worden dat hij nu nog niet is. Een beetje vergelijkbaar met een rups die zich ontpopt tot een vlinder.

Ik vroeg het aan mijn destijds driejarige dochter. Wat wil je later worden? Mijn dochter dacht even na en zei toen: ‘Ik wil later een vis worden’. Ik grinnikte maar mijn dochter was volstrekt serieus.  Veel mogelijkheden kwamen in mij op – kok, in een winkel werken, kassajuffrouw, chemicus, laboratorium assistent – maar het dier worden zat er niet bij.  Waar ik dacht aan beroepen, daar dacht mijn dochter in veel bredere zin na over ‘het worden’. Het idee om een vis te worden was niet eenmalig. Iedere keer als ik ernaar vroeg, kreeg ik hetzelfde antwoord. ‘Ik wil graag een vis worden’. Het duurde een hele tijd voor mijn dochter begreep dat ik eigenlijk niet vroeg naar wat ze wilde worden maar naar wat ze later in haar werkende leven wilde gaan doen. Het vis worden werd vervangen door het kassajuffrouw worden of nog liever, later een eigen restaurantje beginnen, ergens in de rimboe, op een afgelegen boerderij, samen met haar beste vriendin Lune.

Het is een mooi idee. Vis worden: in het water zwemmen, de golven voelen, je mee laten voeren door de stroom. Ik zou ook wel een vis willen worden, een dolfijn bijvoorbeeld, maar een stokstaartje lijkt me ook wel wat. Met worden bedoel ik hier overigens niet het letterlijk transformeren van mens naar vis. (Benen die verdwijnen, een staart die zich vormt, de huid die schubben krijgt, kieuwen zie zich vlakbij de oren vormen, dat soort dingen). Het gaat er niet om dat je op een vis gaat lijken of dat je een vis gaat imiteren. Door een vissenpak aan te trekken, wordt je geen vis.  Een dergelijke manier van denken vooronderstelt volgens het filosofen duo Deleuze en Guattari dat mens en dier vaste identiteiten hebben en dat we onze eigen identiteit moeten opheffen om een andere identiteit te worden. Echter, mens en dier staan niet tegenover elkaar, het zijn geen eindpunten: waar het omgaat zijn de gebeurtenissen en processen die er tussenin plaatsvinden. ‘Het gaat om de bereidheid om je te laten raken door gebeurtenissen in jezelf en in het dier’[1]

Kinderen hebben een complexe en veelzijdige relatie tot het dier. Het begint eigenlijk direct al bij de geboorte. De eerste knuffel: een teddy beer. Een schattig bruin diertje, met ronde oren, een grappig neusje, vaak ook met een leuk T-shirtje aan.  Beren zijn in het echt nauwelijks schattig te noemen en de pluche teddybeer lijkt in de verste verte niet op het dier waar het zijn naam aan ontleent. De teddybeer is echter niet het enige knuffeldier dat het kind trouw vergezelt. Mijn dochter Lisa heeft een indrukwekkende verzameling van knuffels aangelegd: haar meest dierbare knuffels liggen in bed, de iets minder dierbare knuffels in het raam en de vergeten knuffels liggen in bakken onder het bed en bovenop de kast. Mijn zoon Luuk – 14 jaar- heeft zijn verzameling knuffels gereduceerd tot drie. Het drietal (grote beer, Winnie en Yoshi) mag het bed niet verlaten vanwege groeiende schaamte voor het hebben van knuffels terwijl de knuffels van Lisa nog overal mee naartoe gesjouwd worden, naar beneden bijvoorbeeld, maar ook op schoolreisje of op vakantie. Daar gaat altijd een flinke onderhandeling aan vooraf: maximaal tien knuffels mogen mee en dat aantal probeer ik iederjaar naar beneden te krijgen.

Bijna alle knuffels hebben een dierlijke gedaante. Ik weet niet goed waarom dat is, een check op internet levert niet veel op. Er zijn wel veel sites te vinden die het belang van knuffels benadrukken: volgens Rita Kohnstamm is de knuffel er altijd, het is een surrogaat voor de afwezige ouder (bijv. wanneer het kind s ‘nachts alleen in bed ligt). Een knuffel zou bovendien de eerste voorbode zijn voor de hechting met andere figuren dan de vader of moeder. Verbeelding speelt ook een rol: de knuffel kan super krachten hebben, kan een held zijn, een redder in nood.

Maar waarom zijn er vooral dierenknuffels? Oké, er zijn ook fantasie knuffels en knuffels in de vorm van planten maar dat soort knuffels vormen meer de uitzondering dan de regel. Ik kan er niet echt een verklaring voor bedenken: veel theorieën wijzen in de hoek van het antropomorfisme, het toedichten van menselijke eigenschappen aan dieren en objecten.

Deleuze en Guattari hebben geenszins interesse in antropomorfisme – het menselijk maken van het(knuffel-) dier omdat zij geïnteresseerd zijn in het worden in plaats van het zijn. Het antropomorfisme doet mijn inziens ook geen recht aan hoe het kind het dier/knuffeldier ervaart. De scheiding tussen mens en dier is helemaal niet zo evident voor het kind. Het kind verhoudt zich met evenveel gemak tot het dierlijke dan tot het menselijke.

Het knuffeldier is een uitvinding van de volwassene – niet van het kind. Een pasgeboren baby zal er niets om geven of er een giraffe, een beer of een kangoeroe in het wiegje ligt. De baby wordt vooral getriggerd door vorm, textuur en geur. Kleur doet er nog niet toe, net als de herkenbaarheid van het knuffeldier. Eigenlijk volstaat een zacht lapje; niet te groot, niet te klein, behapbaar. Dat laatste is niet onbelangrijk want de mond is in die allereerste fase een essentieel zintuiglijk orgaan.

Naast knuffeldieren is de kinderwereld omgeven met ‘echte’ dieren. Kinderen hebben een intense verhouding met het dier: ze staan dichter bij dieren dan volwassenen.

Het kind heeft aan de ene kant de neiging om het dier te vermenselijken door er menselijke trekken aan toe te kennen. Anderzijds kan het kind het dier ook behandelen als iets mechanisch, een levenloos ding. Een spin de pootjes uittrekken, zout op een slak trekken, een worm door midden hakken. Zulke handelingen worden vooral gedreven door nieuwsgierigheid en experiment. Wat gebeurt er met de slak als je er zout op strooit? Kan een spin nog lopen op 3 poten? Een dergelijke handeling is niet meteen wreed te noemen: het wordt wreed wanneer er een wrede intentie aan ten grondslag ligt.

Een voorbeeld uit eigen leven. We zijn in Kreta, in de meivakantie van 2015. We besluiten te gaan kamperen: het is het jaar daarvoor zo goed bevallen (de vrijheid, in de natuur zijn) dat het ons ook wel iets voor Kreta lijkt.  We zijn uitermate slecht voorbereid, komen er pas op het laatste moment achter dat we alleen handbagage in het low budget vliegtuig mogen meenemen. Met flink proppen, waarbij we ernstig bezuinigen op kleren, lukt het ons toch om een tweepersoonstentje, twee opblaasbare matjes, vier slaapzakken, een pan en een kookpitje mee te nemen. Na de eerste nacht weten we dat je niet met vier personen in een tweepersoons tentje kunt slapen en dus kopen we er op Kreta een tentje bij. We kamperen de eerste twee nachten op een verlaten hippie-achtige camping, daarna in het wild en wandelen veel, tot grote afschuw van onze kinderen) Aangezien de meeste campings onder de noemer ‘lelijk en stom’ vallen, zijn we heel wat uurtjes bezig met het vinden van een oké-camping (dat enigszins tegemoet komt aan het romantische beeld dat ik van een camping heb). We belanden in het binnenland en zien op de tomtom een eco-camping staan. Het lijkt ons wel wat. We rijden er zeker vijf keer aan voorbij, de camping is niet vindbaar, tot we een klein pad aan de linkerkant ontdekken. Hoewel we niet van plan zijn om er te kamperen (we willen terug naar de hippie camping), is onze nieuwsgierigheid gewekt en gaan we een kijkje nemen.

De camping ligt prachtig, in het groene binnenland met uitzicht op de besneeuwde bergtoppen. Het is voorjaar en alles staat in bloei. Het is verreweg het beste moment om naar Kreta te gaan. Er is een hek, hmm, mogen we wel naar binnen, het oogt namelijk nogal uitgestorven, ach gewoon maar doen. We kijken van bovenaf op de camping neer en zien zeker twintig witte (indianen-) tentjes op een rijtje staan. Eco-camping? Bij een eco-camping stellen we ons een groen natuurveldje met minimale voorzieningen voor. We lopen door, we zijn de enigen, het is inmiddels duidelijk dat de camping nog gesloten is, de eigenaar blijkt echter wel aanwezig. Hij loopt ons tegemoet, schudt ons vriendelijk de hand, een wat oudere Griekse man die zelf veel gereisd heeft met zijn vrouw. De mooiste plekken van de wereld heeft hij gezien maar de overnachtingen waren vaak onaangenaam (doorgezakte matrassen, veel insecten, op de grond slapen, douches waar geen water uitkomt etc.). Ze wilden de reiziger van een optimale ervaring voorzien: een prachtige natuurlijke omgeving maar wel met comfort. Wij knikken ongemakkelijk. We vinden het zelf niet zo erg om op de grond te slapen: de puntige stenen die in je zij prikken, het om het kwartier wisselen van zij omdat je lichaam verlamd en als een stenen klomp aanvoelt, de harde muziek (uit het eettentje een paar meter van ons vandaan), allemaal onderdeel van de charme vinden wij.

‘Goh, jammer dat de camping nog gesloten is’ zeggen we.

‘Nou’ zegt de oudere man ‘ik maak een uitzondering, jullie zijn welkom om hier een nachtje te slapen’. Hij voegt eraan toe: ‘Ik zag het al meteen, jullie zijn echte eco-kampeerders’. Ik vraag me onmiddellijk af waar hij dat aan kan zien. Ik zie er zelf behoorlijk doorsnee uit en mijn kinderen zijn eerder luidruchtig (en vies) te noemen dan rustig en in harmonie met de natuur. ‘Mogen we hier ook kamperen’ vragen we ‘want dat lijkt ons eigenlijk het leukste’. De oudere man vindt alles prima. Hij geeft ons een rondleiding en laat ons een van de tentjes van binnen zien. Met ingehouden adem nemen we het interieur op: een houten vlonder, 3 bedden (twee eenpersoons en een tweepersoons), een klein badkamertje (douche, wc, wasbak). Wat een luxe. Kwijl druipt uit onze mond. De matrassen zien er heerlijk uit, alles is schoon, de lakens, de kussens, de handdoeken (je moet weten, we hebben iedere dag dezelfde kleren aan, de slaapzakken zitten vol zand, we hebben maar twee handdoeken die we met z’n vieren moeten delen en die zowel voor het zwemmen als het douchen worden gebruikt). Het Walhalla.

‘Uh, hoeveel zou zo’n tent voor een nachtje kosten’ vraag ik voorzichtig. ‘Normaal gesproken 60 Euro, maar we zijn nog niet geopend, 20 Euro is prima’. We aarzelen geen moment. Mijn dochter is verguld: onze hele reis is in haar ogen nogal skeer, armoeiig, dit hier is pas echt vakantie. We installeren ons, gaan pontificaal op bed liggen, alles gaat goed, totdat ik mijn man naar een balk zie staren, naar een zwart puntje, op zo’n manier dat ik onmiddellijk weet dat er iets aan de hand is. Ik vraag zachtjes wat er is, hij schudt zijn hoofd, een teken dat hij de kinderen niet ongerust wil maken. Haastig grijpt hij naar zijn fototoestel en klimt op het bed om een foto te maken van het insect. ‘Dat dacht ik al’ zegt hij terwijl hij mij de foto laat zien. Het is een schorpioen. Een schorpioen in onze hemelse hut! We zeggen niks tegen de kinderen, paniek is nu nergens goed voor. Manlief pakt een glas en een stuk papier: in één beweging schuift hij de schorpioen in het glas. We drommen met z’n allen om het glas heen: een schorpioen, wat een vangst. Toch maar even navraag doen bij de oudere man. ‘Oh’ zegt hij nuchter  ‘Er zijn hier alleen maar kleine schorpioenen, die zijn volstrekt onschuldig’. Ik vind het bijna jammer: het avontuur was veel grootser geweest wanneer we oog in oog hadden gestaan met een dodelijke vijand. De oudere man loopt mee naar de tent, pakt het glas, loopt naar buiten, gooit het glas om en stampt de schorpioen voor onze ogen kapot. Wij zijn diep geschokt. Een schorpioen, een van de oudste spinachtige ter wereld, die doodt je toch niet zomaar? We zaten hier toch op een eco-camping? Het is een klein minpuntje op de verder smetteloze camping.

Het verhaal eindigt hier echter niet. Na een droomloze nacht worden we wakker in ons hemelse tentje. Iedereen heeft goed geslapen (hoe kan het ook anders?). Mijn man zet zijn bril op en opnieuw zie ik hem fronzen, ditmaal in de richting van mijn dochters bed. Net erboven zit een zwart insectje. Ja hoor, een schorpioen. Ditmaal is er geen paniek, we weten wat te doen, het diertje wordt met een glas gevangen. We besluiten de oudere man niet te informeren. Het doodstampen vonden we maar niets. We zullen de schorpioen straks, een stukje verderop, vrijlaten.

Eerst echter houden we het diertje nog even in gevangenschap. In het glas. Niets leukers dan toe te kijken hoe het diertje wanhopig probeert de gladde wand op te kruipen, wat natuurlijk niet lukt. Na een aantal verwoede pogingen geeft de schorpioen het op. Het glas is wel erg leeg en dus besluiten de kinderen er wat groene bladeren bij te doen. Voor de gezelligheid waarschijnlijk want veel zal het diertje er niet van eten. Wat eten schorpioenen eigenlijk? Kleine insecten waarschijnlijk. De kinderen gaan op zoek naar mieren. Huppakee, ook in het glas. Nu, wordt het pas echt leuk. Dit is pas vermaak. Zal de schorpioen jacht gaan maken op de mieren? Is het al hongerig genoeg of is het juist te gestrest om aan eten te denken? Kinderen en manlief kijken aandachtig naar het schouwspel, met de neuzen op het glas. Er gebeurt niets. De schorpioen maakt geen aanstalten. Toch teveel stress.  De actie komt uit onverwachte hoek. Het zijn de mieren die de aanval openen. Ze lopen op de schorpioen af, kruipen op de rug en sluiten de schorpioen in. Even lijkt het erop dat de mieren de schorpioen gaan afmaken. Het gebeurt niet: misschien omdat ik er een stokje voor steek (want ik kan het niet meer langer aanzien), misschien omdat de mieren geen verdere actie ondernemen. Ik kan het me niet meer herinneren. Ik weet wel dat we de schorpioen een eindje verderop vrij laten en dat we de rest van de vakantie onze schoenen iedere ochtend grondig op schorpioenen controleren.

Dit soort experimenten zijn tamelijk onschuldig, er vallen geen dooien, en het biedt kinderen de gelegenheid om insecten en spinnetjes van dichtbij te bestuderen. Kinderen voelen affiniteit met dieren omdat zij de scheiding tussen dier en mens als minder evident zien. Ten Bos stelt dat we in onze opvoeding kinderen teveel laten vervreemden van de natuur en van het dier.

Er is niks mis met een rups in een jampotje, het ontleden van een worm of het vangen van kleine visjes. Nog belangrijker dan het contact met huisdieren is het contact met wilde dieren.  Onwillekeurig denken we bij wilde dieren aan exotische soorten (leeuwen, olifanten, nijlpaarden) maar insecten, larven of wormen volstaan prima.

Wij wonen in Amsterdam Oud-west, in een stadse oase. Rondom ons huis liggen gezamenlijke tuinen: we hebben een kippenhok waar ook cavia’s en konijnen rondlopen.  Vroeger (nu doen we het niet meer) was het een aangenaam tijdverdrijf om wormen te vangen voor de kippen. Met een schop wat aarde omspitten waarna fraaie, glinsterende regenwormen tevoorschijn kwamen. Ik moest me over heel wat heen zetten (weerzin, walging) om zo’n regenworm op te pakken en in mijn handen te houden maar mijn kinderen hadden er geen moeite mee, trouwens ook niet om de regenworm te voeren aan de kip. Ik wel. Had ik nog morele bezwaren, een weerloos diertje aan een ander dier overleveren, mijn kinderen genoten van het schouwspel van eten-en-gegeten worden. Sprinkhanen op vakantie vangen en in een jampotje stoppen was ook een geliefde hobby. De sprinkhaan kreeg een naam, Sprinkie. Soms verdween ie op vreemde wijze om dan op miraculeuze wijze honderden kilometers verderop weer op te duiken. ‘Daar is ie weer,’ riepen we vol verbazing uit. Ik weet nu nog steeds niet of mijn kinderen het spel meespeelden of dat ze werkelijk geloofden dat Sprinkie superkrachten had.

Kikkervisjes vangen en ze in een bak water stoppen hebben we ook gedaan. Mooi, dachten we, dan kunnen kinderen de metamorfose van visje naar kikker van dichtbij aanschouwen. Tjonge, dat bleek veel ingewikkelder dan we van tevoren hadden gedacht. We besloten het internet te raadplegen.  Slootwater, zo lazen we, is eigenlijk het beste, het moet op de juiste temperatuur zijn en het water moet af en toe vervangen worden. Lukte allemaal. Het probleem ontstond toen de kieuwen van de dikkopjes verdwenen, er pootjes aan het lijfje groeiden terwijl de staart verdween. Van het leven onder water moesten de mini-kikkers nu ook op het land kunnen. Aan de slag. Een stellage werd gebouwd met stenen waar de mini-kikkers op konden kruipen. Ook het menu moest worden aangepast: de tijd van plantaardig materiaal was voorbij, nu moesten er (fruit)-vliegjes gekweekt worden.  We deden iets niet goed want het ene na het andere mini-kikkertje sneuvelde. Een veldslag. Oorzaken: te weinig zuurstof in het water, temperatuur te hoog, teveel kikkertjes op een te klein oppervlak? We wisten het niet. Iedere ochtend lagen er wel een paar slachtoffers. Vreselijk. Uiteindelijk heeft mijn man de overgebleven mini-kikkertjes in het park terug gezet. Mislukt project, concludeerden we.

Het hoogtepunt waren echter de triopsen. Een triops is een prehistorisch waterdiertje dat maar liefst 351 miljoen jaar in de tijd teruggaat. De triops ontleent zijn naam aan de drie ogen die het beestje heeft. Op Wikipedia valt te lezen dat ze zolang hebben kunnen overleven doordat de eitjes tegen alle weersomstandigheden bestand zijn. Triopsen behoren tot de kreeftachtigen. Het zijn kleine, doorzichtige diertjes die twee tot vier maanden leven. Het goede nieuws is dat triopsen gewoon te koop zijn in de speelgoedwinkel, onder de noemer ‘wetenschap en spel’ kan het kind zijn eigen triopsen in een aquarium tot leven brengen. De beschrijving sprak enorm tot de verbeelding en dus plaatsten mijn zoon en dochter (destijds respectievelijk 7 en 9 jaar oud) de triops bovenaan het verlanglijstje. Om geen van twee teleur te stellen, kocht ik twee dozen. Mijn kinderen zijn in februari jarig en ergens in maart gingen we ermee aan de slag. Ik kocht enkele flessen gedemineraliseerd water, het voedsel werd in een zakje erbij geleverd. Handig. Met de slechte ervaring van het kikker-project in mijn achterhoofd, het beeld van levenloze mini-kikkertjes die in het water dreven spookte nog steeds door mijn hoofd, vreesde ik het ergste.  De vrees bleek ongegrond want na enkele dagen kwamen de eitjes uit. Eerst eentje, we waren verguld, en daarna nog drie exemplaren. De eerste had aldus een voorsprong en groeide al snel uit tot een kreeftachtig beestje van 6 centimeter met een heleboel kleine pootjes. Een ongelooflijk lelijk beestje. Ik kon me goed voorstellen dat juist dit exemplaar de ijstijd had doorstaan want kakkerlakken zijn er niets bij.

De triops bleek niet alleen een omnivoor te zijn maar ook een kannibaal. We hadden de kreeftjes uit voorzorg van elkaar gescheiden, met een handig plastic tussenwandje, aangeleverd door de speelgoedwinkel, want erg vreedzaam gingen ze niet met elkaar om. Op een ochtend troffen we in plaats van vier triopsen er nog maar drie aan. Huh, hoe kan dat? We hadden toch tussenschotjes geplaatst? Die ellendige dikzak, de eerstgeborene, was vast over het tussenschotje gedoken en had zijn kameraad met huid en haar opgevreten. We controleerden de tussenschotjes en vervloekten de dikzak. Enkele dagen later volgde opnieuw een onaangename verrassing. De twee overgebleven triopsen waren nu ook verdwenen. We tuurden in het heldere water maar er was geen enkel spoor van het tweetal te vinden. Geen achtergebleven pootjes, geen stukjes vel. De dikzak zag er wel opvallend dik uit, zo constateerden wij. Onze hekel aan het beestje bevond zich op een hoogtepunt. Op de verpakking las ik dat de beestjes gemiddeld 2 tot 3 maanden oud worden. Gelukkig maar.

Helaas bleek de dikzak onuitroeibaar. De grote vakantie naderde. Wanneer gaat dat beest nou eindelijk dood? – het was de enige gedachte die ik nog bij de triops had. Mijn kinderen waren ook helemaal klaar met de kannibaal die zijn eigen maatjes had verorberd. Uithongeren of per ongeluk in de wc doorspoelen, vonden we echter niet gepast. We hadden zelf gekozen voor de triopsen- nu gingen we door tot het einde.  De grote vakantie kwam eraan en godsamme nu moest ik ook nog een oppasplek voor het stomme beestje vinden. Ik vroeg de buren. Geen probleem, zeiden ze. Het hele aquarium verhuisde mee. ‘Het is echt helemaal niet erg als de triops dood gaat’ benadrukten wij. Het was een understatement. We hoopten namelijk vurig dat die stomme dikzak dood ging. Twee dagen later kregen we een sms’je. ‘De triops is helaas dood’. De dikzak was vermoedelijk door de kat opgegeten.  

De tweede triops doos ligt nog steeds onaangebroken in de kast.

De triops is niet het enige huisdiertje dat we hebben gehad. Twee cavia’s en twee hamsters hebben jarenlang deel uitgemaakt van ons gezin. Waar de triops geen naam verdiende, werden de namen van de andere huisdieren zorgvuldig uitgezocht. Moppie, Muisje, Snuffie en Molletje. De cavia’s kregen we van mijn zus, de hamsters vonden we op marktplaats. Dat laatstgenoemde site misschien niet de goeie plek is om een huisdier te zoeken werd bevestigd door de malafide praktijken van de man die de hamsters aanbood. 5 Euro per stuk. Toegegeven, het is niet veel. In een doorsnee woonwijk had de man in zijn achtertuin een klein schuurtje gebouwd waar hij in te kleine kooien hamsters maar ook andere dieren zoals uilen hield. De hamsters zaten in een la. Een vorige bezoeker vond de toestand zo dieronvriendelijk dat hij dreigde de politie te waarschuwen. Wij vermoedden dat de hamsters niet alleen voor de verkoop bedoeld waren maar ook als voer dienden voor de uil. Enfin, door het kopen van de twee hamsters, werd hun dat lot bespaard. Met die gedachte probeerden we onze aankoop goed te praten.

Huisdieren leven, moeten verzorgd worden, de bakken moeten verschoond worden, er moet aandacht aan gegeven worden. Het verschonen en eten geven kwam helaas, ondanks eerder gemaakte afspraken op mijn schouders neer. Maar huisdieren gaan ook dood. Muisje troffen we op een ochtend dood in de kooi aan. Onze dochter moest vreselijk huilen, een paar uur lang, daarna ging ze aan de slag met het versieren van het doosje waarin Muisje begraven zou worden. Het verdriet zakte weg en leefde nog even op toen we in een heuse begrafenisstoet naar beneden gingen en het diertje plechtig op onze zelfbedachte dierenkerkhof begroeven. Met bloemetjes en schelpjes versierden we het graf plus een steen met de naam van de cavia erop. De andere cavia, Moppie, bleef alleen achter. Cavia’s kunnen moeilijk alleen zijn dus plaatsten we het beestje bij de andere cavia’s in het kippenhok. Ging niet goed. De andere cavia’s, nota bene zijn eigen kinderen en kleinkinderen,  accepteerden opa niet, het beestje at niks meer en toen hij na een aantal weken geheel uitgemergeld was, hebben we de cavia toch weer naar binnen gehaald. Moppie is toch liever bij ons, concludeerden we. Het ging een hele tijd goed totdat Moppie niets meer at en alleen nog in zijn hok zat. Het woord ‘hok’ drukt Moppie’s onderkomen trouwens niet helemaal goed uit. Villa is een beter woord, want manlief en kinderen hadden inmiddels eigenhandig een houten huisje met trap en dakterras voor de cavia gebouwd.

Enfin, Moppie ging rap achteruit en aldus maakte ik een afspraak met de dierenarts.  Diagnose: de cavia at waarschijnlijk niks meer omdat zijn tanden te ver waren door gegroeid. Cavia’s kunnen niet lang zonder eten dus er was grote haast bij. Het beestje moest eigenlijk diezelfde dag nog geopereerd worden. Kosten: 65 Euro. De dierenarts waarschuwde er wel bij dat het zwakke beestje de operatie wellicht niet zou overleven en daarna was nog niet gezegd dat Moppie weer zou gaan eten. Oh ja, het kon misschien ook een kankergezwel zijn. Ik aarzelde maar kon het diertje toch nog niet zo laten sterven. Een operatie dan maar. Moppie overleefde de narcose, we brachten hem naar huis maar we zagen geen verbetering. Met een spuitje gaf ik de doodzieke cavia eten. Een week lang. Toen kon ik het niet langer meer aanzien en belde een andere dierenarts. Ik vroeg of ik nog dezelfde dag kon langskomen want ik wilde Moppie laten inslapen. Mijn zoon ging mee, achterop de fiets, met Moppie in een schoenendoos. In de kliniek werden we naar een apart kamertje geleid. Het sterfkamertje. Nog steeds koesterden we de hoop dat er misschien toch nog iets aan te doen was. De dierenarts onderzocht Moppie. ‘Het is goed dat jullie zijn gekomen’ zei ze terwijl ze de handschoenen uit deed ‘De cavia is doodziek, er zit een enorm kankergezwel in de buik’. We knikten en slikten. We gingen terug naar het sterfkamertje, met Moppie, we aaiden het beestje, gaven het nog een komkommertje. De dierenarts kwam terug met twee spuitjes.  ‘Het eerste spuitje is waarschijnlijk al voldoende want de cavia is erg verzwakt’. Moppie lag op de schoot van mijn zoon. Langzaamaan werd het lijfje slap. De hele tijd huilden we. De dode cavia ging terug in de schoenendoos, mee naar huis, want ook Moppie zou een plekje krijgen op het dierenkerkhof. Toen we op de fiets stapten zei mijn zoon: ‘Als ik dit al voel bij een cavia, hoe veel verdriet moet ik dan wel niet voelen als jullie doodgaan?’

Ik heb bij dit alles gemengde gevoelens. Het menselijk maken van een dier, ik weet het niet. Een dier in een kleine kooi houden omdat het goed is dat kinderen in aanraking komen met dieren, zodat ze leren om zorgzaam voor een dier te zijn. Ik weet het niet. We hebben ook kippen. Als een kip ziek is, ga je er dan mee naar de dierenarts? Een boer zou er niet over peinzen. Eerlijk gezegd, ben ik er ook niet zeker van of in mijn keuze werkelijk het welzijn van het dier voorop staat.  Eerder zijn het mijn gevoelens en die van mijn kinderen die mij  doen besluiten om toch voor de zinloze operatie gedaan. ‘We hebben in ieder geval alles geprobeerd’ is de achterliggende gedachte, waarmee ik me van tevoren al vrij pleit voor welke schuldgevoelens dan ook.

Inmiddels zijn de twee cavia’s en de twee hamsters dood. Ik wil geen nieuwe huisdieren meer. Te ingewikkeld, het roept teveel tegenstrijdige gevoelens in me op.

De relatie tussen mens en dier is anno 2019 in het Westen uitermate complex. In feite zijn we genoodzaakt om ons te distantiëren van het dier: alleen door een ultieme vervreemding zijn we in staat om de gevoelde tegenstrijdigheden met elkaar te verenigen. Het vlees op ons bord lijkt mijlenver verwijderd van het dier dat het ooit was – het dier dat bovendien grotendeels onzichtbaar voor ons is omdat het achter slot en grendel is opgesloten- en iedere associatie met het echte dier roept al snel afkeer op. De meesten van ons eten liever een gefileerd stukje zalm dan dat de vis met kop en staart op het bord ligt.

Het zijn kunstenaars die de menselijke tegenstrijdigheid ten opzichte van het dier kritisch bevragen. Beeldend kunstenaar Marco Everestti plaatste in het Trapholt-museum in Denemarken een tiental blenders met goudvissen op een tafel. De bezoekers werden uitgedaagd om de blenders aan te zetten. Een bezoeker deed dat en twee goudvissen werden vermalen. De dierenbescherming werd ingeschakeld en de museumdirecteur kreeg van de politie een boete van 300 Euro opgelegd. In hoger beroep werd het museum in het gelijk gesteld: de vissen zouden in twee seconden een pijnloze dood gestorven zijn. Na het incident werden de stekkers van de blenders uit het stopcontact getrokken.

Tinkebell doodde haar eigen kat en maakte er een handtas van bont van. Ze ontving duizenden haatmails.

Veel vaker echter worden dode dieren en roadkill dieren gebruikt door kunstenaars. Fotograaf Edenmont hakte dode dieren in stukken en omringde die met bloemen. Fotografe Witkam maakte foto’s van overleden dieren die ze in vredige posities legde. Beeldend kunstenaar Bas Jansen maakte van zijn overladen kat een drone: hij plaatste propellers aan de pootjes en veranderde het dier in een vliegende drone. Walgelijk en smakeloos, waren de reacties. ‘Katten zijn niet bedoeld om te vliegen’ [2][3].

Bovenstaande kunstwerken zijn bedoeld om heftige reacties bij het publiek op te roepen. Ze zijn provocatief en willen aanstootgevend zijn. De kunstwerken werpen een moreel dilemma op en dwingen de toeschouwer om na te denken over de relatie tussen mens en dier. In dit essay wil ik me echter zover mogelijk afhouden van moraliteit en dierethiek, niet omdat het er niets toedoet maar omdat ik er niets van afweet. Ik vrees dat ik me tot nogal naïeve uitspraken zou laten verleiden.

Een kunstenares waar ik wat langer bij stil wil staan is Berlinde De Bruyckere, geboren in 1964, woon- en werkachtig in Gent. Haar zeer uiteenlopende werk bevat verminkte, lichamen, dekenvrouwen, dode paarden maar ook een reusachtige installatie van dood hout speciaal vervaardigd voor de 55e Biënnale in Venetië (en dat de prachtige titel ‘Kreupelhout’ draagt).

De dode paarden. Oude foto’s van slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog van kapot geschoten paarden dienden als inspiratiebron. Op de vraag waarom ze ervoor koos om met dode paarden te werken, antwoordt Bruyckere: ‘Een dood paard is heel veel dood’. Alleen de huid van het paard wordt gebruikt: van de karkassen worden afgietsels gemaakt. Hoewel we in het object direct het paard herkennen, is er vooral veel niet-paard. Hoofd van het paard ontbreekt in veel werken, ogen en mond zijn dicht genaaid, de huid bestaat uit diverse stukken die aan elkaar zijn genaaid, een been steekt uit, hoeven ontbreken, delen van de romp of hals zijn aangepast en de verstilde wezens liggen vaak in onmogelijke, verwrongen houdingen. ‘De paarden zijn niet zomaar afgietsels van echte paarden, het zijn als het ware herhalingen, metamorfoses’ zo stelt de Kunstbus. Het zijn paardwordingen.  In het werk ‘Een’ zien we een paardgedaante op een verroeste metalen tafel liggen. De vorm is onduidelijk hoewel we zien dat het hier om een paard gaat. Of eigenlijk gaat het om twee paarden: om een wezen dat twee manen, twee vachten en twee ruggengraten heeft. Het hoofd ontbreekt, de poten zijn stompjes geworden,op een hoef na die met huid is bekleed.

Het beeld is volgens Cousijn gruwelijk, zielig en mooi. Het roept afkeer op en tegelijkertijd ook een gevoel van hoop. Bij mij roepen de sculpturen van Bruyckere vooral een esthetische ervaring op en in veel mindere mate een emotionele. De veelvormigheid, de vreemde onwerkelijke dierenlijven die zijn uitgestald, een verdwaalde hoef in de lucht, als een ruimtelijk accent, de manen die iets heel tastbaars krijgen. De ogen en mond zijn dichtgenaaid, ledematen zijn tot stompjes terug gebracht, het paard wordt letterlijk uit zijn eigen vorm getild – dat alles tezamen zorgt ervoor dat ik me niet met de identiteit van het dier hoef bezig te houden. Daarentegen voel ik textuur (de glimmende paardenhuid, de manen), ik voel intensiteit, ik voel vorm. Het is weliswaar een dode vorm maar toch een duidelijk gevoelde vorm: ik voel iets troostends juist omdat het wezen in de vervreemdende vorm zo duidelijk tot mij spreekt. Ik voel iets levends in het wezen dat zo overduidelijk dood is. Het wezen heeft niks menselijks, het heeft ook nauwelijks iets dierlijks en toch voel ik kracht en intensiteit van een (ooit en ergens nog steeds) levend aanwezig iets. Ik kan het niet anders omschrijven. Ik weet niet of ik troost voel, ik denk het eigenlijk niet, eerder voel ik iets onbestemds, iets zachts, iets dat in mij wordt geopend. Ik voel een mogelijkheid. En dat alleen al biedt troost.

Het moge duidelijk zijn dat kinderen niet alleen affiniteit voelen met levende dieren maar ook met dode dieren. De drang om bijvoorbeeld een dood muisje te willen aanraken is bij het jonge kind aanwezig maar als ouder zeggen we, nee, niet doen, daar kan je ziek worden. Een verstandig advies trouwens. Het jonge kind geeft niet zomaar op, zoekt een stokje en port in het dode muizenlichaampje, want de levenloosheid van iets wat ooit leefde, intrigeert het kind in hoge mate.  Even proberen het dode muisje om te draaien, kijken hoe het levenloze lichaampje reageert of met een stokje in de richting van je jongere zus duwen, want er is niks zo leuk dan een ander te laten gruwelen en dan zelf stiekem mee te gruwelen. Nog spannender wordt het als het dier toch nog blijkt te leven. Dieren die nog gaaf en intact zijn, roepen nieuwsgierigheid op. Dieren die stuk zijn, waar bijvoorbeeld bloed uit komt of waar de ingewanden naar buiten zijn gekomen, roepen afschuw op. Maar ook fascinatie. De rode mieren bijvoorbeeld die over het dode lijk marcheren en druk in de weer zijn om restjes te verplaatsen naar hun nest. In en op het dier bruist het van het leven: maden, wormen, kevertjes en vliegen, van heinde en verre verzamelen zich lijkenpikkers.

Nieuwsgierigheid wordt ook opgewekt door dieren die al enige dood zijn en in verregaande staat van ontbinding verkeren. Kale botjes en skeletten vragen om gedegen speurwerk.  Van wat voor dier zou het botje zijn? Is het een onderkaak van een konijn, van een haas, of misschien wel van een vos? Leuk voor de verzameling, dus het skeletje wordt als trofee mee naar huis genomen.

Ook kan het gebeuren dat een dier levend wordt opgepakt maar ongewild dood eindigt. Het kleine kikkertje dat mijn dochter in een opgedroogde sloot vond in een bos vlakbij Oss is daar een voorbeeld van. De kikkertjes waren er in overvloed, dus we maakten geen bezwaar. Opa, een natuurliefhebber van de eerste orde, had echter zijn bedenkingen. ‘Je moet kikkers eigenlijk niet oppakken’ zei hij. De achterliggende regel is dat je de natuur met rust moet laten. Je moet je er niet mee willen bemoeien.

Maar kinderen willen zich juist graag met de natuur bemoeien. Zelfs als ze daarmee ongewild de natuur of het dier stuk maken. Mijn dochter kneep per ongeluk het kikkertje kapot terwijl ze haar uiterste best had gedaan om goed voor de kikker in haar handpalm te zorgen. 

Eigenlijk is het raar, zo stelt Ten Bos, dat volwassenen zich ongelooflijk veel met de natuur bemoeien, in zo’n mate dat we de natuur zijn gaan overheersen, maar dat we onze kinderen niet toestaan om dichtbij te komen. Dat ene kikkertje dat per ongeluk werd fijn geknepen, is dat zo erg? De vernietiging van de natuur op grote schaal heeft geleid tot een tegenbeweging (de ecologen) die de natuur koste wat kost wil beschermen voor de mens. De natuur gedijt het beste als er geen mens aan te pas komt, zo luidt het motto. Niet alleen de vernietigers van de natuur maar de beschermers plaatsen zo natuur en mens radicaal tegenover elkaar: afstand en verwijdering zijn het gevolg.

Hoewel de natuurbescherming de beste intenties heeft, is het erop gericht om kind en mens zover mogelijk van de natuur weg te houden. Niet interfereren, de natuur zijn werk laten doen. Het vergeet daarbij dat het kind alleen kan leren om zich op een positieve manier tot de natuur te verhouden wanneer het ook aan de natuur mag handelen, er dichtbij mag komen.

Net zoals honden vreemde geuren op snuffelen, zo snuffelen kinderen ook graag aan de wereld. Laat ze toch snuffelen, zou ik zeggen. Laat ze aandachtig ruiken, nieuwsgierig en heimelijk doorzoeken, lekker in het rond wroeten. Laat ze dichtbij dier en natuur komen.

 

[1]Pagina 87, Ten Bos, R. (2008). Het geniale dier: Een andere antropologie. Amsterdam: Uitgeverij Boom.

[2]http://nieuwspaal.nl/dierenliefhebbers-kritisch-kat-drone/

 

[3]Ik sprak Bas Jansen tijdens de verdediging van een van mijn studenten op de HKU (22 juni 2017). Hij vertelde dat die week een vos alle kippen uit zijn ren had gedood. De 19 kippen had hij keurig op een rijtje gelegd. Zijn kinderen waren ontzet door de afslachting. Diezelfde dag kwamen de eieren die onder de broedmachine lagen uit. Op slag vergaten de kinderen het dode kippen tafereel en verschoof hun aandacht vol automatisch naar de kuikens die uit het ei kropen.

 

 

Micro-Avonturen

Veelvuldig droom ik s ‘nachts over verre reisbestemmingen. Die reisbestemmingen bevinden zich niet zelden in Afrika maar kunnen zich ook in Australië (waar ik nooit geweest ben) of in niet bestaande, zelfbedachte continenten afspelen. De dromen zijn zo levendig dat ik bij het ontwaken een heftig verlangen voel om direct het vliegtuig te pakken.

Zo’n droom kan ook een golf van paniek in me oproepen: ik zit ergens in de rimboe en realiseer me plots dat ik de volgende dag om 11.00uur in een vergadering in Utrecht moet zitten. Mijn droom past zich moeiteloos aan het nieuwe inzicht aan en plots ben ik weg uit de rimboe en sta ik op een verlaten vliegveld. Het volgende moment zit ik in een vliegtuig, het verkeerde vliegtuig weliswaar, ik kom er net op tijd achter en dus sjees ik het vliegtuig uit, ren verdwaasd over de landingsbaan want ik weet niet goed welk vliegtuig ik dan wel moet nemen. De luchthaven (klein en aftands) is uitgestorven. Ik ben alleen.  Ik ren een hangar in, nog steeds volledig in paniek, en klim de trap op van het eerste vliegtuigje dat ik er zie staan.

Deze droom kent diverse varianten. Altijd bevind ik me in een uithoek of in een niet bestaand deel van de wereld. Heel vaak eindigt de droom met het niet naar huis kunnen (er zijn geen vliegtuigen in dat gebied, ik zit in het verkeerde vliegtuig of het vliegtuig is net vertrokken, er zijn geen wegen, de bus komt niet opdagen).

Naar aanleiding van deze toch wel verontrustende dromen, kreeg ik van mijn man het boek van Alain de Botton, de Kunst van het Reizen, cadeau. “Als onze levens in het teken staan van het streven naar geluk, zijn er wellicht maar weinig activiteiten die zoveel onthullen over de drijfveren achter deze zoektocht –met al zijn passie en paradoxen- als ons reizen. Zij geven, hoe onsamenhangend ook, een idee van wat het leven zou kunnen behelzen wanneer we niet waren gebonden aan de plichten van ons werk en de strijd om het bestaan” schrijft de Botton (p.17). De spanning tussen het weg willen zijn (het vertrek, het grote ontsnappen) en de plichten van alledag manifesteert zich overduidelijk in mijn droom. De Botton stelt echter ook dat de reis in werkelijkheid meestal niet overeenkomt met wat we ervan tevoren van dachten. Het strand blijkt niet maagdelijk wit, er zitten zandvlooien, de hitte is ondraaglijk, vermoeidheid als nawee van de reis zit nog in lijf en leden en gedachten bevinden zich niet zelden elders. 

Mijn dromen vullen zich met purperrode luchten, uitgestrekte landschappen, van okergeel tot aan het intense groene van een jungle. Niet realistische elementen zoals een enorm glazen gebouw (volledig van glas, er is geen raamwerk) dat de hoogte in knalt of een huis in de diepe oceaan, vullen de natuurbeelden aan.  De beelden zijn exotisch, tarten mijn verbeelding en zijn raadselachtig. Zorgelijk ook: wat zeggen die dromen eigenlijk over mij? Dat deze dromen vooral gestalte krijgen vanuit het verlangen om aan de orde van alledag te ontsnappen, dat begrijp ik inmiddels. De intensiteit ervan (in kleur, het exotische, zelfs in geur) laat eigenlijk vooral zien dat de mooiste reizen in de verbeelding ontstaan.

Wat niet wil zeggen dat mooie reizen alleen zijn voorbehouden aan de verbeelding. Het werkelijke reizen geeft nu juist de frictie weer tussen datgene wat in de verbeelding bestaat en datgene wat werkelijk is. Toen wij op huwelijksreis (met onze kinderen) in de Azoren waren, regende het continu. De slaapmatjes dreven letterlijk als vlotten in onze tent. Niks geen lekker zonnetje, niks niet ontbijten voor ons tentje, nee, in plaats daarvan sjokten we ieder ochtend met regenjas aan en met een plastic zak vol spullen – een brandertje, brood, pannenset, plastic borden- naar een noodgebouwtje. Echter, het staand ontbijten in een donker, koud bijgebouwtje met een mok vol smakeloze maar warme thee was werkelijk een romantische ervaring.

De intensiteit van een ervaring wordt niet alleen bepaald door de schoonheid ervan. Een geleefde ervaring kent ook een bepaalde mate van frictie, van spanning, van afzien. Ik kan intens genieten van het uitzicht na een lange, vermoeiende bergwandeling. Echter, zonder de weg ernaar toe – inclusief  alle ongemakken die daarbij komen kijken- is mijn beleving niet half zo intens. Ofwel: het uitzicht is zo mooi omdat ik er iets voor heb moeten doen – ik heb geleden, ik heb afgezien, op bepaalde momenten zat ik er helemaal doorheen en zag ik het niet meer zitten. Dat alles tezamen bepaalt de intensiteit van de ervaring.

Ofwel: de ervaring wordt intens omdat zich iets van mijzelf in de bergwandeling openbaart. Dat proces van openbaring is er vrijwel altijd een waar moeite en energie in is gestopt. Energie en intensiteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.De mate van intensiteit wordt bepaald door de mate waarop wij lichamelijk betrokken zijn bij de dingen. Dat wil zeggen: een intense ervaring is een door-en-door geleefde ervaring. Wij zijn lichamelijk gericht op de wereld: ek-sisteren – wij staan naar buiten en zijn verbonden met de wereld om ons heen.

Het is ons lichaam dat greep heeft op de wereld en ons laat verhouden tot de wereld. En vice versa. Het is de wereld die greep heeft op ons lichaam.  Dit deel uitmaken van de wereld, het lichamelijk ervaren en bij de dingen zijn – het is essentieel voor het kind. Het kind heeft deze ervaringen dicht bij de dingen, dicht bij de wereld nodig om grip te krijgen op de complexiteit ervan. Opvoeden, zo zou je kunnen stellen, is het zorg dragen voor veilige en betekenisvolle verbindingen tussen het kind en de wereld.

Terug naar mijn dromen: ze getuigen niet alleen van mijn verlangen om te ontsnappen aan het alledaagse, ook zijn ze luidruchtig, excessief en aanwezig. Overtollig, dat zijn ze. Zoals een berglandschap ook overtollig kan zijn in de schoonheid die het tentoon spreidt. Zelfs wanneer ik mijn zintuigen helemaal open zet en alles binnen laat, kan ik het indrukwekkende landschap toch niet behappen. Het is teveel. Het beneemt me letterlijk de adem.  In die veelheid – in die overtolligheid- opent zich een ruimte in mij. Een tussenruimte bomvol met mogelijkheden en verlangens.  

Daar moet ik heen.

Met zo’n gevoel word ik wakker als ik weer eens over een ver oord heb gedroomd. Het is niet afdoende om te stellen dat dromen latente manifestaties zijn van mijn onbewuste verlangen om aan de orde van alledag te ontsnappen. Volgens mij is er meer aan de hand. De dromen trekken aan mij omdat ze een tussenruimte creëren – een ruimte waar het mogelijke zich manifesteert.

De vraag die nu opdoemt is of die tussenruimte alleen gevormd kan worden door datgene wat ver weg en buiten het bereik van het alledaagse ligt. Ik denk van niet.

Om dat duidelijk te maken, moet ik terugkeren naar de periode dat ik mijn eerste kind kreeg. Van de ene op de andere dag werd mijn bewegingsruimte drastisch ingeperkt. Niet alleen door de primaire handelingen die ik moest verrichten (voeden, verzorgen) maar ook omdat mijn actieradius plots een stuk kleiner werd. Ik geloof dat ik de eerste 14 dagen niet het huis ben uit geweest: daarna was elk uitstapje (een rondje om het gebouw, naar de markt, op de fiets) een avontuur. Een avontuur waar ik me van tevoren vreselijk druk om kon maken. (Is de baby wel goed aangekleed? Zit de draagdoek goed? Is het hoofdje voldoende ondersteund? Zijn de voetjes niet te koud?).

Hoewel de actieradius bij elke ontwikkelingsstap steeds groter werd (en daarmee ook mijn gevoel van vrijheid) gebeurde er nog iets anders. Net zoals veel andere  jonge moeders en vaders ging ik met een andere blik naar de wereld kijken. Met een radicaal andere blik. Het randje van een trottoirtegel bijvoorbeeld, dat was me eigenlijk nooit echt opgevallen, dat je daar een stokje tussen kon steken om er vervolgens met het stokje wat zand uit te wrikken. Of de staart van een poes: daar kon je naar grijpen en proberen vast te pakken. Of de wind die tegen een blad blies en het blad dat daardoor zachtjes heen en weer bewoog. Een mirakel.

Mijn actieradius werd verkleind en als gevolg daarvan opende zich een andere wereld.

Eigenlijk, zo stelt de Botton, hoef je helemaal niet van huis weg te gaan om te reizen. Botton geeft het voorbeeld van Xavier de Maistre die in het voorjaar van 1790 als zeventwintigjarige een reis door zijn slaapkamer nam. Tevreden over zijn ervaringen ondernam De Maistre in 1798 een tweede reis. Ditmaal reisde hij s’ nachts en waagde hij zich helemaal tot aan zijn vensterbank. De Maistre introduceerde daarmee een geheel nieuwe versie van reizen: het kamerreizen.

Ik heb het kamerreizen nooit geprobeerd maar kwam bij toeval terecht op een wat meer eigentijdse variant: micro adventures.  Nadat hij zelf kinderen krijgt, zag avonturier en wereldreiziger Alistair Humphreys zich gebonden aan huis. Hij vroeg zichzelf af hoe hij toch nog een avontuurlijk leven kon leiden en hoe een dergelijk leven kon samengaan met het leven met kleine kinderen. Als antwoord op zijn drang naar avontuur ontwikkelde hij het concept ‘micro-avonturen’.

Micro-avonturen zijn avonturen die kort, eenvoudig, simpel, lokaal en goedkoop zijn- en die tegelijkertijd plezierig, aantrekkelijk, uitdagend, verfrissend en belonend zijn. Een micro avontuur kan in je achtertuin beginnen. Je kan jezelf bijvoorbeeld als uitdaging stellen om een nacht in een wei te slapen of een Stadskanaal over te steken met een eigen gemaakt vlot.

Humphreys schrijft op zijn website daar het volgende over: “I believe that adventure is about stretching yourself: mentally, physically or culturally. It is about doing what you do not normally do, pushing yourself hard and doing it to the best of your ability. If that is true then adventure is all around us, at all times. Adventure is accessible to normal people, in normal places, in short segments of time and without having to spend much money”.[2]

Ik wil het concept ‘micro-avontuur’ vanuit het opvoedingsperspectief hier net wat anders invullen:

Een micro-avontuur is een gebeurtenis of een handeling die geen direct nut heeft en daarmee altijd overtollig is. Een micro-avontuur is een intense, belichaamde ervaring die het kind uitdaagt de nabije omgeving te verkennen. In een micro-avontuur lopen beleving en verbeelding dynamisch in elkaar over. Een micro-avontuur gaat gepaard met een verlies van tijdsbesef: alleen het hier en nu speelt een rol. Het micro-avontuur is een ervaring die om volledige betrokkenheid vraagt.

Het micro-avontuur omvat dus ook kenmerken van de flow ervaring. Flow is een concept afkomstig van psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi: het is een toestand waarin lichaam en geest volledig op elkaar zijn afgestemd. In deze ideale gevoelssituatie kun je optimaal presteren. De handeling lijkt als vanzelf te gaan, moeiteloos, zonder effort. Er is een verlies van tijdsbesef. Het constant oordelende ego verdwijnt naar de achtergrond. Dit betekent echter niet dat er geen bewustzijn is: het bewustzijn zit volledig in de handeling, is bij de dingen. Een reflectie die totaal en holistisch is: een reflectie waarbij alle losse puzzelstukjes als vanzelf in elkaar lijken te passen.

Een micro-avontuur is overtollig omdat het geen direct nut heeft. De doelgerichtheid ligt in zichzelf besloten. Het is ‘teveel’ omdat het micro-avontuur zich losweekt van het functionele en daarmee de doelgerichtheid van het alledaagse leven ontstijgt. Een micro-avontuur vraagt om afdwalen, meanderen en slingeren. Een micro-avontuur is geen wandeling maar een zwerftocht.

Micro-avonturen kunnen op elk gewenst moment en op elke gewenste plek ontstaan.  Essentieel is de state of mind, met name van de ouder want bij het kind is de bereidheid om in een micro-avontuur te stappen vrijwel altijd aanwezig.

Een micro-avontuur:

  • ontvouwt zich spontaan;
  • je kunt echter wel de juiste state-of-mind creëren door open en ontvankelijk naar de omgeving te zijn;
  • een micro-avontuur is altijd nabij en dichtbij de dingen;
  • een micro-avontuur omarmt het kleine;
  • een micro-avontuur vraagt om fysieke en mentale betrokkenheid;
  • door een micro-avontuur transformeert de omgeving; je gaat als het ware met andere ogen naar (dezelfde) omgeving kijken;
  • een micro-avontuur kun je niet afdwingen, een micro-avontuur onderga je.

Kinderen zijn uitermate gevoelig voor micro-avonturen. Ik geef een voorbeeld uit eigen huis: ik zelf hou enorm van wandelen en toen de kinderen nog jong waren, trokken we er vaak op uit. Het gevolg is dat onze kinderen een allergie voor wandelen hebben ontwikkeld. Ik hoef het woord ‘wandelen’ maar te noemen of onze kinderen reageren met ‘saai’, ‘geen zin’, ‘daar word ik moe van’. Hun lichamen veranderen spontaan in plumpuddinkjes; in futloze, uitgezakte en vormeloze dingen. Alleen al bij de gedachte dat ze moeten gaan wandelen, stroomt alle energie uit hun lijf. Daarentegen zijn ze nooit te moe voor een parcours, een speurtocht (daar zijn ze nu overigens wel te oud voor) of een survival tocht. Wandelingen, zo stelt Sobel, zijn voor volwassenen, avonturen zijn voor kinderen. In een avontuur zijn er altijd onvoorspelbare elementen aanwezig: het kind weet niet wat er gaat gebeuren of hoe iets gaat uitpakken.

Mijn tip: wees als ouder alert op een micro-avontuur. Je zou namelijk zomaar –samen met je kind- betrokken kunnen zijn in een micro-avontuur zonder dat je het zelf in de gaten hebt. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat je kind de geiten op de kinderboerderij aan het voeren is: plotseling zie je echter dat je kind zelf kleine hapjes neemt van de boterham en een moment later zie je dat hij een spoor aan het maken is van kleine kruimeltjes. Wees alert! Dit is wellicht een micro-avontuur. Of stel je voor dat je kind per ongeluk zijn schoenen verwisseld heeft.  Ook dit zou het begin van een micro-avontuur kunnen zijn. Doe bijvoorbeeld ook je schoenen verkeerd om aan en loop samen een stukje door de kamer. Daarna doe je elkaars schoenen aan (of doe je een poging daartoe). Of je knoopt de veters van beide schoenen aan elkaar en kijkt wat er gebeurt…

Nogmaals: een micro-avontuur kent geen vooropgezette structuur. Het is een avontuur dat aan elkaar hangt van spontane ingevingen en toevalligheden. Een micro-avontuur is een avontuur waarin aandacht voor het kleine centraal staat. 

[2]http://www.alastairhumphreys.com/microadventures-3/

Image: JR Korpa