Natuur(lijk) spelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is vroeg in de ochtend. De zon schijnt door het raam van de slaapkamer. Het belooft een mooie nazomerse dag te worden. Met een overvolle wasmand in de hand loop ik de trap af, met mijn 11 jarige dochter in het kielzog. Tussen neus en lip door vertel ik haar dat ik een blog over opvoeding wil schrijven. Abrupt staat mijn dochter stil. Ze kijkt me vertwijfeld aan.

‘Over opvoeding?’ Een frons verschijnt op haar voorhoofd. ‘Weet je dat wel zeker?’

‘Hoezo?’ vraag ik.

‘Maar mam daar weet jij toch niks van?’

Zo, die komt binnen.

Ik ben diep beledigd. Als ik mijn kinderen had verstoten of ze na een vechtscheiding bij mijn ex-man had gedumpt, wellicht dan, had mijn dochter een punt gemaakt. Maar ik leef met man en kinderen onder één dak en we zijn 24/7 bij elkaar. 

Hmm, daar gaat mijn plan. Als zelfs mijn bloedeigen dochter beweert dat ik niets van opvoeding weet dan lijkt me dit een volstrekt nutteloze exercitie. Misschien toch een plan B bedenken. Niet iets over opvoeding schrijven maar bijvoorbeeld over school en educatie. Daar weet ik ook niet veel van maar dan kan ik tenminste wel doen alsof.

Het goede nieuws is natuurlijk dat mijn dochter niet in de gaten heeft dat ik haar aan het opvoeden ben. Ik doe het zo goed dat ze het niet eens zelf door heeft. Tenminste dat hou ik mezelf voor. Ik bespreek het voorval die avond met mijn partner en zeg:

“Weet je, het begrip opvoeding is volstrekt verouderd. Waarom spreken we eigenlijk nog van opvoeding? Dat begrip is toch helemaal niet meer van toepassing op wat wij met onze kinderen aan het doen zijn?” Mijn partner is het niet noodzakelijkerwijs met me eens. Jammer. Als ik zeg dat we niet zozeer onze kinderen opvoeden maar dat we vooral met elkaar samen zijn, samen tijd delen, ervaringen delen, dat het bij elkaar zijn eigenlijk het wezenlijke is, dan zegt hij. “Nou, dat weet ik niet hoor. Ik denk dat het vooral gaat om een voorbeeld willen geven, dat je ze bij de hand neemt en laat zien hoe het leven eruit kan zien’. Oh, dus toch opvoeden. Terwijl ik nou juist dacht dat opvoeding een achterhaald concept was. Weg ermee. In de prullenbak, zou ik zeggen, opvoeden hoort op de schroothoop.

Opvoeden is sowieso een raar woord. Het is een overgankelijk werkwoord, dat wil zeggen een werkwoord dat een lijdend voorwerp moet hebben. U snapt het al, het lijdend voorwerp is het kind. Het kind ondergaat de opvoeding, neemt het passief tot zich – tenminste dat vooronderstelt het begrip opvoeding.

Het is een vergissing om te denken dat het kind passief de wereld tot zich neemt. Het kind leeft, bruist van energie en is hongerig naar de wereld. Het is lijfelijk bij de dingen en staat uit naar de wereld. 

Er is nog meer mis met het woord opvoeden. Neem de volgende definitie: Opvoeden is een kind verzorgen opdat hij groot wordt. Opvoeden is grootbrengen.In andere woorden:  het klein zijn is een voorstadium, het klein zijn gaat vooraf aan het volwassen zijn. Het kind is een rups die zich zal ontpoppen tot een vlinder. Daarmee suggereren we dat het kind nog niet af is, het kind moet uitgroeien en zich door ontwikkelen tot een volwassene. De opvoeder heeft als taak om het kind hierin te begeleiden.

Kinderen zijn klein. Volgens Janus Korczak[1], een Poolse kinderarts, pedagoog en kinderboekenschrijver, maken in de samenleving de grote mensen de dienst uit. In het algemeen wordt al wat groot is hoger gewaardeerd dan al wat klein is. Met kinderen wordt daarom minder rekening gehouden naarmate ze kleiner zijn. Alleen al de plaats van deurknoppen en trapleuningen in onze huizen verraadt dat de wereld op volwassen maat ontworpen is[2]. Kinderen, zo stelt Korczak, leven als een volkje van dwergen tussen reuzen[3].

Dat het kind door ons in zowel fysieke, emotionele als cognitieve zin als klein wordt beschouwd, zegt vooral iets over het perspectief waarmee de volwassene naar de wereld kijkt. In dat perspectief laten we sowieso weinig ruimte voor het kleine. Of dat nu een kind, een dier of een andersoortig organisme betreft. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat volwassenen minder empathie hebben voor bacteriën en andere kleine organismen dan voor grotere dieren[4]. Hoe komt dat? Wordt het grote dier door ons serieuzer genomen? Omdat het grote meer plek inneemt en dus meer aanwezig is in de ruimte?

Deze website wil het kleine in ere herstellen. Niet alleen de kleine mens, het kleine dier en het kleine ding maar bovenal de kleine kijk op de wereld. Het kleine zorgt ervoor dat al onze zintuigen op scherp worden gesteld. Het kleine vraagt aandacht, intensiteit en onderdompeling.

Er zijn ruwweg drie thema’s te onderscheiden. In het eerste thema sta ik stil bij de relatie van het kind met het landschap, de relatie met het dier, het vermogen van het kind om zich goed te kunnen verbergen, de behoefte aan een eigen plek (territorium), overlevingsvaardigheden en micro avonturen. De zintuiglijke betrokkenheid op de wereld vormt in dit eerste deel het uitgangspunt.

Het tweede thema richt zich op spel.  Ik sta hier niet zozeer stil bij de verschillende kenmerken van spel, maar ik ben voornamelijk geïnteresseerd in de manier waarop de verbeelding zich vermengt met het zintuiglijke. In dit tweede deel keer ik terug naar een wereld waar de bomen met elkaar praten via een ondergronds netwerk, waar grassprieten elkaar waarschuwen voor op handen zijnde gevaar, waar de zwiepende tak expres naar de toevallige voorbijganger uit haalt. Verbeelding en de zintuiglijke waarneming gaan  deel hand in hand. In de wereld van het kind leggen de dingen namelijk een geheel eigen logica en orde aan de dag. 

Het derde thema richt zich op de relatie van het kind met de sociale omgeving. Het gaat hier om de interactie tussen het kind en de (betekenisvolle) ander. In deze  interactie spelen ritme, imitatie en invoelend vermogen een cruciale rol. Hier doe ik een eerste poging tot een  pedagogiek die de dialoog met de ander en de wereld centraal stelt. Zo’n dialoog is niet zozeer kindgericht, nog opvoedingsgericht maar wereldgericht[5]. De kindgerichte benadering heeft als risico dat we het kind teveel isoleren van de omgeving. Bij de opvoedingsgerichte benadering lopen we het gevaar dat we een visie ontwikkelen die van buitenaf aan het kind wordt opgelegd. De wereldgerichte benadering start vanuit de gedachte dat kind en omgeving niet los van elkaar gezien kunnen worden.

Bij ieder thema maak ik uitstapjes naar klassieke als ook actuele ontwikkelingstheorieën. Soms kom ik bij de filosofie of de cognitie wetenschappen uit. Op geen enkel moment  boek beoog ik een inhoudelijk expert te zijn op een van de hierboven gebieden: mijn eigen ervaring vormt zowel het vertrekpunt als het eindpunt bij de verkenning van deze theorieën. Meer dan een doorwrochte analyse, sta ik mezelf toe om te spelen met aan derde ontleende gedachten en ideeën.  Mijn eigen ervaringen als moeder van twee kinderen zet ik veelvuldig in om vat te krijgen op bepaalde theoretische uitgangspunten.  Tevens maak ikgebruik van voorbeelden uit de kunst, met name op het gebied van dans, beeldende kunst en performance art.  Het achterliggende idee is dat het denken van het kind opvallende overeenkomsten vertoont met het denken van kunstenaars. Beiden verkennen de wereld vanuit het zintuigelijke en tactiele domein. Beiden zijn in staat om te denken voorbij of voorafgaand aan het rationele weten.

 

[1]Janus Korczak is vooral bekend geworden vanwege het bijzondere weeshuis dat hij na de eerste wereldoorlog in Warschau oprichtte voor Poolse kinderen. Samen met de 200 kinderen en alle medewerkers werd Korczak in 1942 weggevoerd naar het vernietigingskamp Treblinka alwaar hij samen met de kinderen direct na aankomst werd vergast.

[2]Waaldijk, K. (1999). Janus Korzcak: Over klein zijn en groot worden.  Utrecht: Uitgeverij SPW, p.62

[3]Korczak, J. (1985). Als ik later weer klein ben. Utrecht: Bijleveld, p.92

[4]Kerbe, W., & Schmid, M. (2015). Splicing boundaries: The experiences of bioart exhibition visitors. Leonardo 48(2):128-136

[5]Biesta, G. (2015). Het prachtige risico van onderwijs. Culemborg: Uitgeverij Phronese.