De explorerende dialoog

0 Comment

Een aantal jaren geleden maakte ik kennis met Mark, een tienjarige jongen met klassiek autisme. Ik herinner me Mark als een jongen met een rigide denkstructuur, mechanisch taalgebruik (vlak, monotoon, luidsprekerachtig) en een houterige motoriek. Zijn bewegingen waren stijf en hoekig en er zat weinig flow, doorstroming en ontspanning in zijn beweging. Ook had hij moeite met swing-oefeningen en oefeningen die om coördinatie van verschillende lichaamsdelen vragen.

Balanceren vond hij echter het aller moeilijkst. Daar waar de andere kinderen geen moeite hadden met het balanceren op één been, kreeg Mark het niet voor elkaar ondanks herhaalde pogingen. Tot de een na laatste dansles. Parmantig stond hij daar, in het midden van het speellokaal, één voet op de grond, één in de lucht. Als een ooievaar, volledig geconcentreerd, de seconden weg tellend en met een ademhaling  tot ver boven de borst. ‘Bijna 1 minuut’ was Marks reactie toen hij weer veilig op twee benen staat.

Balanceren is het vinden van evenwicht. Hoewel wij er als volwassenen nauwelijks meer bij stil staan, kent de ontwikkeling van het kind een aantal belangrijke mijlpalen als het om balanceren gaat. Balans is in feite de basisvorm van iedere beweging.  De eerste oefening in balanceren start net na de geboorte met de hoofdbalans. De baby heeft een nog relatief groot hoofd ten opzichte van de rest van het lichaam, bovendien zijn de nekspieren nog niet sterk genoeg. Zonder steun valt het hoofdje naar achter omdat de nekspieren nog niet goed ontwikkeld zijn. Bij het opnemen van de baby moet daarom altijd het nekje ondersteund worden. Een goede manier om de nekspieren te trainen is door de baby een paar keer per dag op de buik te leggen waardoor het noodgedwongen zichzelf zal oprichten.

Naast het sterker worden van de nekspieren leert de baby geleidelijk aan (gemiddeld rond de derde of vierde maand) het hoofd op te tillen, stabiliseren en te draaien. Het balanceren houdt dan niet op want ook zitten (7-8 maanden), kruipen (10 maanden), staan (10 maanden) en lopen (13 maanden) vereisen balans. Evenwicht speelt ook een rol bij de oogmotoriek en de oog-hand coördinatie. Voor de ontwikkeling van het evenwichtsorgaan en het evenwichtsgevoel is het noodzakelijk dat zowel horizontaal, verticaal als diagonaal bewogen wordt. Erica Dirven stelt zelfs dat het evenwichtsgevoel noodzakelijk is voor al het andere leren.

Balanceren is meer dan het staan op één been. Veel zelfhulpboeken gaan over de balans vinden in jezelf. De bijbehorende tips zijn talloos (luister naar je intuïtie, bewaak je grenzen, zorg voor jezelf, creëer momenten van rust en ruimte voor jezelf, accepteer dat het soms best veel is, bewaak je energie etc.).Hoewel de tips ongetwijfeld behulpzaam kunnen zijn, is mijn inziens het uitgangspunt van ‘balans vinden in jezelf’ een verkeerde. Balanceren gaat wat mij betreft namelijk altijd over het in balans brengen van jezelf in relatie tot de omgeving.

Opnieuw verwijs ik naar het begrip goesting: de lijfelijke, ruwe en aardse vorm van ergens zin in hebben[1]. Goesting staat voor ‘trek in iets hebben’, maar ook voor belichaamd verlangen. We hebben bovendien niet zomaar trek, we hebben trek in iets dat zich buiten ons bevindt. Mensen, zoals overigens vele organismen, zijn niet volledig in zichzelf besloten. We hebben voedsel, energie, materiaal nodig om onszelf in leven te houden. ‘Dit zichzelf in stand houden, deze zelforganisatie of autopoiese is intrinsiek aan het leven, en maakt de basis uit van het levensproces’[2].

Wij trekken aan de omgeving maar de omgeving trekt ook aan ons.

Het kind en de omgeving zijn in continue dialoog met elkaar. Een theorie die hierin nog onverminderd actueel is, is de gehechtheidstheorie  van John Bowlby (1909-1990). Na de Tweede Wereldoorlog deed hij in opdracht van de Wereld Gezondheidsorganisatie onderzoek naar het risico van vroegtijdige scheidingservaringen bij jonge kinderen. In een kliniek in Londen deed hij onderzoek naar verweesde kinderen die in de oorlog hun ouders waren kwijt geraakt en als gevolg daarvan emotioneel teruggetrokken, apathisch gedrag vertoonden.

Op grond van bovenstaande onderzoekservaringen ontwikkelde Bowbly zijn theorie over hechting. Onder hechting wordt verstaan de ‘relatief duurzame affectieve relatie tussen kind en een of meerdere personen (gehechtheidsfiguren) met wie het regelmatig omgaat’[3]Volgens Bowlby zijn pasgeboren baby’s genetisch geprogrammeerd om zorg te krijgen. Het kind is uitgerust met een scala van gedragingen, zoals bijvoorbeeld huilen, die ervoor zorgen dat de omgeving te hulp schiet. Naast deze reeks van gedragingen roept een baby bij volwassenen reacties op als ‘ohh’ en ‘ahh’. Volgens de Oostenrijkse zoöloog

Konrad Lorenz beschikken baby’s, net als jonge dieren, over een schema van kenmerken die door volwassenen als schattig ervaren worden. Het ronde hoofd, de grote ogen en de teruggetrokken kin zijn kenmerken die een verzorgingsrepons bij volwassenen oproept.

Heel vroeger was bescherming een noodzaak tegen reëel dreigend gevaar. De prehistorische mens had te maken met wilde beren, wolven, giftige slangen en met temperaturen die ver onder het nulpunt konden zakken. Maar ook in onze tijden zouden de overlevingskansen van een baby minimaal zijn wanneer het jonge kind op zichzelf aangewezen zou zijn.

Bowlby zelf nam in eerste instantie aan dat de eigenlijke hechting zich vanaf ongeveer 6 maanden ontwikkelt. In zijn latere werk gaat hij er echter vanuit dat hechting vanaf degeboorte begint. Hedendaagse hechtingstheorieën stellen echter dat de affectieve band al prenataal ontstaat[4].

Volgens Bowlby is hechting evolutionair en biologisch bepaald. Het kwetsbare kind moet om te kunnen overleven zich hechten aan primaire verzorgers: vertrouwde personen die hen veiligheid en bescherming kunnen bieden. In de prenatale periode is de hechtingsfiguur de biologische moeder: na de geboorte zijn dat de primaire verzorgers.

Binnen de hechtingstheorie worden 4 gedragssystemen onderscheiden[5]: het nabijheid zoekend systeem, het explorerend system, het angstsysteem en het zorgsysteem. Met het nabijheid zoekend systeem wordt bedoeld dat het jonge kind allerlei gedragingen laat zien die nabijheid met de gehechtheidsfiguur in het werk stellen zoals huilen, lachen, de armen strekken (om opgetild te worden) etc. Het explorerend systeem zorgt ervoor dat het jonge kind de omgeving kan verkennen op een veilige manier. Het angstsysteem is noodzakelijk om dreiging van de omgeving te kunnen voorvoelen en heeft aldus een beschermende functie. Het angstsysteem activeert de hechting: de beschikbaarheid van de hechtingfiguur bepaalt vervolgens of de stimulus een werkelijke dreiging vormt of niet. Tot slot is er het zorgsysteem: de mate waarin de primaire verzorgers in staat zijn om een veilige basis te geven van waaruit het jonge kind de omgeving kan verkennen. Drie kernkwaliteiten staan hierbij centraal: beschikbaarheid, sensitiviteit en responsiviteit.

Verreweg de meeste kinderen ontwikkelen een veilige hechting. Hierbij geldt: de ervaring met de primaire gehechtheidsfiguren legt de basis voor latere hechting met betekenisvolle anderen. Er wordt gesteld dat de eerste gehechtheidservaringen een grote invloed hebben op de volwassen gehechtheidsrelaties. Wanneer de hechting op jonge leeftijd onvoldoende tot stand komt, heeft dat impact op de gehele sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind (dit toont zich onder meer in een lagere zelfwaardering, minder sociaal vaardig en niet goed om kunnen gaan met frustraties). In dat geval is er sprake van een reactieve hechtingsstoornis die wordt gekenmerkt door afwijkend sociaal gedrag zowel waar het primaire opvoeders als vreemden betreft. Vroeger werd gedacht dat zo’n proces onomkeerbaar was, dat wil zeggen niet goed gehecht zijn als baby betekende een levenslange problematiek met hechting. Tegenwoordig echter zijn er wel behandelstrategieën, zoals het stimuleren van positieve interacties tussen kind en de primaire verzorgers, die effect lijken te hebben.[6]

Het is belangrijk om te realiseren dat het binden aan de ander/omgeving en het loskomen ervan onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Een goede hechting geeft het kind de ruimte om te exploreren: een slechte hechting daarentegen verkleint de ruimte tot exploratie. Echter, ook wanneer de hechting goed tot stand is gekomen, kan het kind te weinig ruimte krijgen om te exploreren en experimenteren. Overbescherming wordt het genoemd, het zou de opvoedingskwaal van de 21eeeuw zijn.

In de media is het fenomeen veelvuldig uitgelicht. Er zijn zelfs verschillende termen voor bedacht: hypermoderne ouders, helikopter ouders en ‘paranoid parents’. In alle gevallen gaat het om ouders die zich overmatig met het leven van het kind bemoeien. Als een helikopter cirkelen ze continue boven het kind om te controleren of alles wel goed gaat.

Overbescherming komt het meest voor in de peutertijd en in de puberteit, uitgerekend de twee ontwikkelingsfasen waarin het kind op ontdekkingstocht gaat, zich losmaakt van betekenisvolle anderen en de eigen autonomie onderzoekt. Bij peuters wordt dit de eerste separatie-individuatie fase genoemd, bij adolescenten de tweede separatie-individuatie fase.

Overbescherming kent een viertal kenmerken. Allereerst is er buitengewoon veel lichamelijk en sociaal contact (doorgaans tussen moeder en kind). Ten tweede sluit de mate van bescherming niet aan bij de ontwikkeling en leeftijd van het kind, met infantilisering als gevolg. Ten derde wordt onafhankelijk gedrag en de ontwikkeling van sociale rijpheid ontmoedigd en ten vierde is er sprake van overmatige ouderlijke controle.

Overbeschermende ouders laten aan de ene kant overeenkomsten zien met de autoritaire opvoedingsstijl, vanwege de behoefte aan controle en sturing, anderzijds delen zij dezelfde bezorgdheden met democratisch opvoedende ouders. Democratische ouders bieden hun kinderen echter wel ruimte om te experimenteren en te falen terwijl overbeschermende ouders juist willen voorkomen dat het kind faalt. Daarmee ontnemen zij het kind de mogelijkheid om te leren van hun eigen fouten, als ook het leren inschatten van risico’s. Een kind dat nooit uit een klimrek valt, leert niet hoe hij zichzelf moet opvangen en ook niet hoe hij dat de volgende keer kan voorkomen. Pas als je valt, kun je leren om weer overeind te krabbelen.

Overbescherming komt enerzijds voort uit liefde en betrokkenheid. Anderzijds vloeit overbescherming voort uit een overmatige behoefte aan controle en sturing. Interessant gegeven is dat overbescherming zelden te maken heeft met kindkenmerken, dat wil zeggen kenmerken die het kind kwetsbaar kunnen maken zoals ziekte of een handicap. Onderzoek laat zien dat ouders van chronisch zieke kinderen of kinderen met een lichamelijke of verstandelijke beperking zich meer bewust zijn van de gevaren van overbescherming dan ouders die een gezond kind hebben.

Welke gevaren kleven er aan overbescherming? Een heleboel, tenminste als je de resultaten van verschillende onderzoeksstudies mag geloven. Angst, depressie en een lage zelfwaarde liggen op de loer. Ook zou overbescherming leiden tot zelfzucht, egoïsme en narcisme.  Tot niet kunnen omgaan met frustraties en tegenslag. Het zou materialistische, individualistische en narcistische kinderen voortbrengen – maar ook kinderen die niet opgewassen zijn tegen de harde werkelijkheid.

Bovendien geven overbeschermende ouders het kind de boodschap mee dat de wereld onveilig en gevaarlijk is – en dat alleen met de hulp van de ouder het kind deze gevaren het hoofd kan bieden. Dat leidt niet alleen tot een angstig wereldbeeld maar ook tot het gevoel dat de ouders geen vertrouwen in het kind hebben.

Het bovenstaande is toch wel even schrikken. In mijn omgeving sta ik namelijk te boek als een overbezorgde moeder, eentje van het ergste soort. Ik ben de hypermoderne helikopter moeder bij uitstek. Een sneeuwploegmoeder, of nee, een curlingmoeder. Een moeder die het ijs zo glad mogelijk probeert te houden. 

Het bewijs is torenhoog. In hun vroegste kindertijd bewogen mijn kinderen zich in een straal van hooguit 10 meter van mij af. Ik wist waar ze waren, de hele tijd, mijn onbewuste registreerde voortdurend hun doen en laten. Weliswaar is die straal inmiddels flink vergroot, maar nog steeds hangt er een onzichtbare veiligheidscirkel om mijn kinderen heen. Afgelopen weekend waren we in Londen, het was er allejezus druk, dus mijn ogen schoten telkens heen en weer en zenuwachtig probeerde ik zowel Lisa als Luuk in het vizier te houden. Bij het milleniumrad, waar we trouwens niet in gingen omdat we het te duur vonden, wilde mijn zoon naar de wc. ‘Ik loop wel even met je mee’ zei ik. ‘Dat kan ik heus wel alleen’ zei mijn zoon. Uiteindelijk heb ik hem laten gaan, omdat ik ook wel inzag dat mijn bezorgdheid een tikkeltje idioot was.

Luuk kreeg in groep 8 zijn eerste mobiele telefoon, Lisa in groep 7. Alle nadelen ten spijt, zag ik tenminste één gigantisch voordeel in de mobiel. Met de mobiel kon ik immers op ieder moment van de dag lokaliseren waar mijn kinderen waren. Halleluja. Praise the mobile. De mobiele telefoon als digitale navelstreng voor kinderen en pubers. Tenminste, als ze reageren op mijn whatsappjes en als de batterij niet leeg is.

Mijn bemoeienis met hun leven gaat veel verder dan alleen het weten waar ze ergens uithangen. Eerst en vooral ben ik bezorgd over hun emotionele en sociale welzijn. Hebben ze wel genoeg vriendjes en vriendinnetjes? Worden ze niet gepest? Liggen ze goed in de groep? Durven ze in de klas zichzelf te zijn? Op de basisschool ben ik vele jaren klassenouder geweest, niet alleen omdat ik het heerlijk vind om op een basisschool rond te lopen maar ook omdat ik door het contact met de leerkracht goed op de hoogte werd gehouden van wat er in de klas speelt. Ik kan je vertellen, het is heel handig om een direct lijntje met de leerkracht te hebben.

Ik ben helaas zo’n ouder die de vergeten broodtrommel nog even naar school brengt. Die irritaties voelt bij de zoveelste tafelindeling waar mijn dochter niet gelukkig mee is. Want verdraaid, het kan geen toeval zijn dat mijn dochter steeds in een moeilijk groepje wordt geplaatst. Ik mis nooit de oudergesprekken en het eindverslag bevraag ik kritisch.

Ambitie heb ik ook. Mijn kinderen moeten goed presteren, niet alleen cognitief maar ook op sportief en creatief vlak. Gaat het leesniveau achteruit, hoppa, dan moet er s ‘avonds extra gelezen worden. Hm, staartdelingen zitten er nog niet goed in, misschien moeten we daar thuis wat meer aandacht aan besteden. Toch zit er bij mij wel degelijk een grens aan mijn bemoeienis. Ik ken ouders die de spreekbeurt of het werkstuk van hun kind schrijven- daar begin ik dus niet aan. Huiswerk maak je zelf, net als je spreekbeurt en je werkstuk. Overhoren doe ik zelden tot nooit. Ik controleer het werkstuk op grote lijn, doe een paar suggesties, maar mijn kinderen mogen zelf beslissen of ze er wat mee doen of niet. De ervaring heeft namelijk geleerd dat ze veel meer van de correcties van de leerkracht leren dan van mijn correcties. Huiswerk niet op tijd af, jammer dan. Op school nablijven omdat je te laat was, tja, terecht dus, volgende keer eerder weggaan (een tikkeltje tegenstrijdig is dat wel want s’ochtends zit ik zoonlief gewoon weer achter zijn broek).

Niemand weet het, maar eigenlijk heb ik superkinderen. Het is jammer dat ze geen enkele interesse in muziek hebben, maar het ontbreekt hen niet aan talent. Topsporters zullen ze niet worden, dat heeft niet zozeer met hun natuurlijk aanleg te maken, zoiets moet je ook echt willen. Ook hoeven ze van mij geen topwetenschapper te worden, tenzij ze dat zelf willen, want ook chef-kok, het runnen van een eigen pop-up store of meubelmaker zijn mooie beroepen. Zolang ze – ja, daar komt ie – maar gelukkig zijn!

Het is precies die ouderlijke drang naar geluk die onze kinderen in de weg zit.

Niets is zo moeilijk dan de opdracht te krijgen om gelukkig te worden. Ik weet er zelf alles van want toen ik na een langdurige middenoorontsteking in mijn vroege kindertijd (ik was vijf jaar) die pas in een late fase werd ontdekt en die taalproblemen als ook sociale problemen tot gevolg hadden (ik praatte buitenshuis nog nauwelijks, fluisterde alleen maar), kortom, toen het op school dus niet zo goed liep, verzekerde me mijn moeder me ‘dat het niet uitmaakte wat ik werd’. De enige taak die ik kreeg was om gelukkig te worden.

Gelukkig worden. Hét thema van de 21e eeuw. Nu de meeste van onze levensbehoeften op de piramide van Maslow zijn bevredigd, althans in het Westen, kunnen we ons richten op zelfactualisatie en geluk. Massaal storten we ons op zelfhulpboeken die ons in tien stappen uitleggen hoe we een gelukkig mens kunnen worden.

We leven in een hedonistische en prestatiegerichte maatschappij waarin succes, perfectie en geluk onze nieuwe idealen zijn. Religie speelt nog slechts een ondergeschoven rol, het geloof in het hiernamaals is op zijn retour, en dus moet alles in het hier en nu gebeuren. Dit hier, dit is het leven en daar moeten we zoveel mogelijk uithalen. Daar komt nog bij dat succes en geluk geen zaken zijn die je zomaar op je bordje voorgeschoteld krijgt, nee, ze zijn maakbaar en jijzelf bent verantwoordelijk voor het bereiken van die idealen. Het heeft als keerzijde dat je ook verantwoordelijk wordt gehouden voor je eigen falen.

Succes is een keuze en mislukking dus ook, zegt hoogleraar Trudy Dehue. Ouders stellen aan zichzelf en aan hun kinderen hoge eisen. In de maakbaarheid samenleving is de druk om te presteren hoog, immers, je kunt alles worden zolang je maar wilt. Op universiteiten en hogescholen zorgt dat voor prestatieleed. Ik zie het terug bij mijn eigen studenten. ‘Mag ik mijn cijfer herkansen als ik een kleine voldoende heb?’ vragen ze, want een zesje is voor hen niet goed genoeg. De prestatiedruk kan zulke ernstige vormen aannemen dat het sommige studenten niet eens meer lukt iets op papier te krijgen. Het is nooit goed genoeg, zo luidt de gedachte, en dat blokkeert hen bij voorbaat.

Met het verlangen om te willen presteren is op zich niets mis. Ik neem zelf ook geen genoegen met een zesje. Maar de prestatiedruk moet wel constructief zijn, het moet geen obstakel of lijdensweg worden. Naast het omhelzen van de dingen waar je goed in bent, moet je ook de dingen omhelzen waar je niet goed in bent. Op de middelbare school mocht ik verdomd blij zijn met een zesje voor een natuurkunde proefwerk, ook na hard zwoegen en flink wat hersengymnastiek.

Ik ben niet alleen de optelsom van de dingen waar ik goed in ben, evengoed ben ik de optelsom van de dingen waar ik niet goed in ben. Dat ik niet kan tekenen, geen bal kan raken, op de skipiste alles behalve elegant naar beneden zwoeg, niet erg handig ben, geen groene vingers heb – al die dingen bepalen mij evengoed. Ze komen in mij samen. Tezamen bepalen ze de houding waarmee ik uit sta naar de wereld.

Het probleem met overbeschermende ouders is dat kinderen te weinig op hun bek gaan. Juist door tegenslagen leer je jezelf kennen. Kinderen die teveel applaus krijgen en te weinig aan risico’s worden bloot gesteld, leren niet hoe ze mentaal weerbaar worden. Ze leren geen coping skillsen het mankeert hen aan oplossingsstrategieën. Jan Derksen, hoogleraar psychodiagnostiek aan de Vrije Universiteit Brussel zegt er het volgende over: ‘Kinderen die een applausopvoeding krijgen, denken: ik ben prima, ik hoef niets meer aan mezelf te verbeteren. Maar dan komen ze in de maatschappij terecht en dan zijn ze als tropische vissen die de Noordzee inzwemmen. Want de maatschappij is hard, en daar zijn ze niet op voorbereid. Ze gaan werken, krijgen hun eerste negatieve functioneringsgesprek en knappen af. We zien nu veel jonge mensen die een burn-out krijgen, lijden aan chronische vermoeidheid of overspannen zijn.[7]’ Daar komt nog bij dat we in een tijd leven waarin er, als gevolg van de toegenomen welvaart, ontzettend veel te kiezen valt. Keuzestress is het resultaat.

Er moeten echter wel een aantal kanttekeningen geplaatst worden bij het bovenstaande. Allereerst behoort Nederland volgens het OESO rapport tot de top 5 van de gelukkigste landen met de gelukkigste kinderen[8]. Van de jongeren tot 25 jaar is 90% blij met hun leven en gemiddeld geven zij een 7,9 voor hun geluk.Jongens zijn iets gelukkiger dan meisjes (90% ten opzichte van 88%) en zowel autochtone als allochtone geven gemiddeld een 8 voor de mate waarin zij gelukkig zijn. Op het gebied van tevredenheid scoren de allochtone jongeren wat lager dan de autochtone jongeren (83 procent ten opzichte van 92 procent). Waar zijn ze tevreden over? Over hun psychische gezondheid, hun uiterlijk, de vriendenkring, school, werk of opleiding. Tieners (12-18 jaar) zijn gelukkiger en meer tevreden met hun leven dan jongvolwassenen (18-25 jaar). 92% van de tieners is gelukkig ten opzichte van 87% van de jongvolwassenen. Jongeren met gehuwde of samenwonende ouders zijn iets gelukkiger (92%) dan jongeren uit een eenoudergezin (86%)[9].

Tegelijkertijd laten onderzoeken zien dat jongeren meer mentale druk ervaren, en hetzelfde geldt in toenemende mate ook voor kinderen onder de 12 jaar[10]. Naast prestatiedruk is er sprake van FOMO (fear of missing out), de angst om iets te missen. In een onderzoek van Mind (2017)[11]gaven de ondervraagde jongeren aan dat zij psychische klachten ervaren zoals slecht slapen, piekeren of zich somber of opgejaagd voelen. Een op de vijftien jongeren krijgt bovendien te maken met een depressie[12]– dat is meer dan iedere andere leeftijdsgroep.

Nederlandse jongeren zijn aan de ene kant behoorlijk gelukkig, aan de andere kant ervaren zij mentale druk en voelen zij zich somber en opgejaagd. Tegenstrijdig? Nee, dat vind ik niet. Je kunt je gelukkig voelen, uitgedaagd door het leven en tegelijkertijd druk ervaren. Soms valt die druk positief uit, soms negatief.

Ja, we leven in een hectische tijd, waarin de zoektocht naar zingeving voornamelijk een individuele zoektocht is geworden. Ieder kind en iedere ouder moet zichzelf bezinnen op de vraag wat belangrijk is in het leven en welke richting hij of zij wil bewandelen. De overvloed aan keuzes maakt het er niet eenvoudiger op.

Zijn ouders van nu meer bezorgd, meer beschermend? Misschien. Onderzoek geeft geen eenduidig antwoord.  Wel is het een feit dat de gemiddelde leeftijd waarop moeders kinderen krijgen nog steeds stijgt (het gemiddelde ligt in 2017 op 29,8 jaar). Vrouwen die hoog opgeleid zijn, wachten het langst.  Bovendien worden gezinnen steeds kleiner: anno 2017 heeft 50% twee kinderen, 20% één kind en 20% drie kinderen. Wat wil dat zeggen? We hebben minder kinderen, zijn er later mee begonnen en leggen de lat hoog als het gaat om onze opvoedkundige ambities. Bovendien is er geen dokter Spock meer, of een ander standaard opvoedkundig boek, en dus moeten we vertrouwen op onze eigen pedagogische inzichten. Tegelijkertijd werken moeders steeds meer buitenshuis – hoewel een voltijds baan nog steeds minder gewoon is bij vrouwen dan bij mannen (25% tegenover 74%)[13]. Thuis aangekomen storten we ons, uitgeput of niet, op de kinderen. Kinderen hebben is een project dat zorgvuldig gemanaged moet worden. Liefde moet er gegeven worden. Aandacht. Betrokkenheid.

Is er iets mis met (teveel) betrokkenheid? Het antwoord is nee. Het onderzoek van Eline Blommé werkt in die zin behoorlijk ontnuchterend. Volgens haar blijkt overbescherming en overbetrokkenheid minder vaak voor te komen dan in de media wordt gesuggereerd en zijn de negatieve ontwikkelingsuitkomsten relatief klein[14]. Nog belangrijker is de opmerking dat geen betrokkenheid nog altijd veel funester is voor de ontwikkeling van het kind dan overbetrokkenheid[15].

Toch is ook deze conclusie tekort door de bocht. Ik denk dat liefde, aandacht en betrokkenheid in principe altijd goed zijn. Echter, het is niet de aandacht en betrokkenheid op zich die bekritiseerd worden maar juist en vooral wáár die aandacht en betrokkenheid zich op richten. Ontwikkelingspsychologen als Steven Pont maken zeker een punt wanneer ze benadrukken dat het kind meer moet experimenteren, zodat hij fouten kan maken en risico’s zelf leert in te schatten[16].

Kortom, er moet dus meer gerommeld en meer gespeeld worden. Kinderen moeten meer experimenteren en meer fouten durven maken. Risicovol spelen wordt dit genoemd. Ouders moeten volgens Christien Brinkgeven, Utrechtse hoogleraar sociologie, meer oefenen in het achteloos betrokken zijn. Ouders moeten minder het leven van hun kind willen regisseren en meer overlaten aan toeval en het hier en nu. Dan pas leert het kind om ad hoc te reageren op een situatie die hij van tevoren niet voorzien heeft, om risico’s in te schatten en oplossingsstrategieën te bedenken. Kinderen vergroten hun veerkracht door het omgaan met risico’s.

Met de regie meer uit handen geven, bedoel ik nadrukkelijk niet dat we minder grenzen moeten stellen. Ouders van nu hebben meer dan vroeger moeite met het op hun strepen staan. Twenge en Campbell (2009)[17] stellen dat in de moderne opvoeding de behoeften van het kind voorop staan en dat een ouder is vaak net zo krampachtig op zoek naar de goedkeuring van het kind als andersom. Ouders willen graag door hun kinderen gewaardeerd worden. Allemaal heel herkenbaar, tenminste als het aan mij ligt. Ook ik wil op goede voet staan met mijn kinderen. De waardering van mijn kinderen is een graadmeter waaraan ik mijn eigen succes als moeder aflees. Best wel narcistisch eigenlijk. Mijn verlangen om een goede moeder te zijn, om gewaardeerd te worden door mijn eigen kinderen is een belangrijke drijfveer voor mijn opvoedkundige betrokkenheid. Hm, ik denk dat Freud er wel het een en ander over te zeggen zou hebben gehad. Hij zou vast beweren dat ik daarmee mijn ik-ideaal op de kinderen projecteer en dan zou er vast een heel verhaal volgen over sublimatie, neurotische verdringing en nog een heleboel andere psychoanalytische begrippen waar ik nooit een jota van begrepen heb.

Kinderen moeten vanuit een goed tot stand gekomen hechtingsrelatie, de ruimte krijgen om te exploreren. Dat is mijn conclusie. Het veiligheid bieden en leren risico’s te nemen moet met elkaar in balans zijn. ‘Elk kind heeft recht op zijn eigen bult’ zegt Korczak. Gezonde risico’s, daar hebben we het hier over, risico’s die balanceren op het randje van het toelaatbare. Risico’s waar een kind iets van leert[18].

Het gaat erom dat kinderen vanuit een veilige hechting de omgeving kunnen exploreren. Door de emotionele verbondenheid met de ouders en het gevoel van veiligheid dat hiermee gepaard gaat, durft het kind met vertrouwen de wereld tegemoet te zien. Binding en betrokkenheid van de ouders kunnen op zichzelf niet schadelijk voor het kind zijn. Pas wanneer drijfveren zoals angst voor de buitenwereld, prestatiedrang of een overmatige behoefte aan controle zich vermengen met betrokkenheid en binding, kan dit negatieve consequenties hebben voor de ontwikkeling van het kind.

Kinderen moeten voldoende uitdaging krijgen en dat betekent ook dat zij aan risico’s moeten worden bloot gesteld. Gezonde risico’s noemen we dat, ofwel spannende, uitdagende activiteiten die een aanvaardbaar risico in zich dragen en die leerzame bulten en butsen opleveren.

Onderzoek laat zien dat risicovol spelen goed is voor de ontwikkeling van het kind:

  • Risicovol spel heeft een ‘anti-fobisch effect op het kind: het kind leert coping skills om met toekomstig uitdagende, onvoorspelbare en mogelijk angstige situaties om te gaan.[19][20]
  • Het kind leert bovendien dat het zich kan bezeren, het leert zijn eigen fysieke kwetsbaarheid kennen [21]en daarmee krijgt het ook inzicht in de sterfelijkheid van de mens.
  • Het kind ontwikkelt risico competenties dat wil zeggen het kind leert risico’s adequaat in te schatten op basis van eerdere ervaringen. Hij leert zijn gedrag te kalibreren met de omgeving en een betere inschatting te maken van wat hij kan en wat hij niet kan[22][23]. Op basis daarvan ontwikkelt het kind een realistisch zelfbeeld.
  • Volgens veiligheid.nl ontwikkelt het kind door risicovol spelen een positieve houding ten opzichte van zijn eigen kunnen. Het zelfvertrouwen groeit, net als zijn zelfredzaamheid en doorzettingsvermogen.
  • Risicovol spelen draagt bij aan de ontwikkeling van fysieke, sociale en emotionele vaardigheden van het kind. Fysiek omdat er bij gezonde risico’s sprake is van motorische uitdagingen die vragen om kracht, snelheid, balans of coördinatie. Sociaal omdat risicovol spelen vaak ook een sociale uitdaging omvat. Emotioneel omdat allerlei gevoelens worden uitgelokt door het risicovolle spel (zoals bijvoorbeeld opwinding en angst).

Van ouders vraagt het om de juiste balans te vinden tussen betrokkenheid en afstand. Onderzoek laat namelijk zien dat kinderen zich pas werkelijk uitgedaagd voelen wanneer vader of moeder er niet met hun neus bovenop zitten, of om het hoekje stiekem staan mee te kijken. Dit is natuurlijk iets wat je langzaamaan opbouwt. Je laat een peuter of een kleuter niet alleen met vuur spelen, net als je een zesjarige niet in zijn uppie een eitje thuis laat bakken. Alvorens het kind die verantwoordelijkheid te geven, moet je samen oefenen, eerst onder toezicht met een heuse schaar knippen, daarna alleen. Ofwel: je moet het kind wel de vaardigheden aanreiken om risicovol te kunnen spelen. Er is niks aan om in je eentje een vuur te maken wanneer je geen enkel idee hebt hoe je het moet aanpakken. Het vuur zal namelijk niet gaan branden – of, het gaat wel branden maar je hebt er geen enkele controle over.

Eigenlijk zou je kunnen stellen dat opvoeding tot doel heeft om geleidelijk aan de afstand tussen de ouder en het kind te vergroten terwijl de betrokkenheid en binding constant blijft. Afstand en betrokkenheid kunnen prima samen gaan. Bij een gezonde hechting zal het kind zich emotioneel gesteund weten door de ouders, en vanuit die wetenschap de wereld willen ontdekken. In feite zijn het de betrokkenheid en de binding die ervoor zorgen dat het kind zijn eigen regie gaat voeren en de wereld gaat verkennen.

Tips:

Voetnoten:

[1]De Jaegher, H. (2016). Deelnemend zin-geven. Een wetenschappelijke basis voor genuanceerde interacties. Systeemtheoretisch Bulletin, 34(2), 121-138.

[2][2]Maturana, H. R., & Varela, F. G. (1987). The Tree of Knowledge.Boston and London: Shambhala Publications.

[3]Tavechhio, L.W.C., & Reiling,  E. J. (1993). De vreemde situatie: Hechtingstheorie in de praktijk van de kinderopvang.Academische Uitgeverij.  P. 45.

[4]Fedor Freybergh, P., & Vogel, V. (1988). Prenatal and perinatal psychology and medicine; encounter with the unborn.Carnfoth: Parthenon Publishing.  Verny, T. (2002). Tomorrow’s baby.New York: Simon & Schuster.

[5]Verdult, R. (z.d.). Hechting: Risico of bescherming.Geraadpleegd 28-12-2016 http://www.stroeckenverdult.be/site/upload/docs/HECHTING%20EN%20HECHTINGSSTOORNISSEN.pdf

[6]Boris, N.W. & Zeanah, C.H. (2005). Practice parameter for the assessment and treatment of children and adolescents with reactive attachment disorder of infancy and early childhood. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 44,1206-1219.

[7]https://www.hpdetijd.nl/2016-03-08/de-pampergeneratie-verwend-gekoesterd-en-daardoor-doodongelukkig/

[8]Deze gegevens zijn ontleend aan het essay ‘Overbezorgd: Maatschappelijke verwachtingen en mentale druk onder jongvolwassenen’, Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, Den Haag, 2018.

[9]van Beuningen, J., & de Witt (2016/2017). Bevolkingstrends. Welzijn van jongeren: geluk en tevredenheid met het leven onder jonferen van 12 tot 25 jaar. CBS

[10]Kinderombudsman (2017).Als je het ons vraagt. De Kinderombudsman op Kinderrechtentour. Den Haag: De Kinderombudsman.

[11]https://www.ggznieuws.nl/home/driekwart-van-de-jongeren-heeft-last-van-stress-en-
burn-out-klachten/

[12]CBS (2016a). Meer dan 1 miljoen Nederlanders had depressie. Geraadpleegd via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/04/ meer-dan-1-miljoen-nederlanders-had-depressie.

[13]https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-arbeidsmarkt/werkenden

[14]Blommé, E. (2014). Zijn adolescenten van overbeschermende ouders gelukkiger? Een studie naar de relatie tussen overbescherming, levensgeluk, narcisme en defensieve bescherming van het ego.Master scriptie. Gent: Universiteit Gent.

[15]Day, R.D., & Padilla-Walker, L.M. (2009). Mother and father connectedness and involvement during early adolescence. Journal of Family Psychology, 23(6), 900-904. doi: 10.1037/a0016438

[16]https://www.volkskrant.nl/mensen/hyperouders-maken-zwakke-kinderen~b5a71537b/en  https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/beschermende-vaders-pas-op-met-die-poekie-poekie-pedagogiek-~b540095b/

[17]Twenge, J.M., & Campbell, W.K. (2009). The narcissism epidemic: Living in the age of entitlement. New York: Free Press.

[18]Zie ook www.veiligheid.nl

[19]Sandseter, E., & Kennair, L. (2011). Children’s risky play from an evolutionary perspective: the anti-phobic effects of thrilling experiences. Evolutionary Psychology, 9(2), 257-284.

[20] Lavrysen, A., Bertrands, E., Leyssen, L., Smets, L., Vanderspikken, A., & de Graef, P. (2015). Risky-play at school. Facilitating risk perception and competence in young children. European Early Childhood Education Research Journal, 0(0), 1-17.

[21]Van Rooijen, M. (2013). Ouders over Risicovol Spelen, ervaringen en dilemma’s. Utrecht: Hogschool van Utrecht

[22]Gill, T (2007). No Fear: Growing up in a risk averse society. London: Calouste Gulbenkian Society.

[23]Christensen & Mikkelsen (2008). Jumping off and being careful: children’s strategies of risk management in everyday life. Sociology of Health & Illness, 30(1), pp.112-130. Zie ook: ww.veiligheid.nl

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *