De muzikale dialoog

0 Comment

Kinderen leren hun moedertaal onwaarschijnlijk snel. De taalontwikkeling start vanaf de geboorte, en zelfs al daarvoor, want de foetus neemt ritmes waar en hoort vanaf de 20e week ook inwendige geluiden zoals het rommelen van de maag, de hartslag van de moeder en geluiden van buitenaf zoals stemmen en muziek. De pasgeboren baby is vertrouwd met de hartslag en het stemgeluid van de moeder, deze hebben dan ook een kalmerende werking op het pasgeboren kind.

 

Ook al heeft de pasgeboren baby nog geen beschikking over taal, toch communiceert hij met de omgeving. Door kleine contactpogingen probeert de baby duidelijk te maken wat hij wil. Lukt dat niet, dan zal de baby gaan huilen. In de eerste 6 weken is huilen het voornaamste geluid dat de baby maakt. Door verschillende huiltjes maakt de baby zijn behoeften duidelijk zoals honger, opgepakt willen worden, een vieze luier of toe zijn aan een dutje. 

Vanaf 6 weken gaat de baby met zijn stem spelen:  hij brengt de eerste klanken uit die voor in de mond gevormd wordt, zoals ‘ah’, ‘uh’, ‘oh’ en ‘uh’. Na 6 maanden begint het brabbelen: klinker-medeklinker combinaties worden herhaald – zoals tatata- en deze klankcombinaties worden steeds gevarieerder. Aan het einde van het eerste jaar beginnen de klankcombinaties op woorden te lijken, en worden er alleen nog klanken gebruikt die kenmerkend zijn voor de taal die in de omgeving gesproken wordt. 

Nog indrukwekkender dan de taalproductie is de taalreceptie van het jonge kind. Baby’s kunnen al binnen een maand fonemen – de kleinste betekenis onderscheidende klanken- onderscheiden. Dit duidt erop dat baby’s over een aangeboren klankgevoeligheid[1]beschikken. Echter, deze aangeboren klankgevoeligheid is op zichzelf niet voldoende om de taal te leren beheersen. Ervaring – het ondergedompeld zijn in een culturele omgeving- is een noodzakelijke voorwaarde om tot taal te kunnen komen.[2]

De verwerving van de moedertaal vindt plaats in een kritieke periode, die begint vanaf de geboorte en rond de puberteit sluit. Jonge kinderen hebben een flexibel brein die hen in staat stelt om iedere taal waaraan ze worden blootgesteld te leren. Patricia Kuhl noemt jonge kinderen daarom ook ‘ wereldburgers’, zij hebben toegang tot alle talen die in de wereld gesproken worden. Het vermogen om een nieuwe taal te leren neemt dramatisch af met de leeftijd, volwassenen hebben aanzienlijk meer moeite dan jonge kinderen met het verwerven van een tweede taal. 

Hoe kan het dat baby’s in staat zijn om een universele spraakcode te kraken terwijl volwassenen daar de grootste moeite mee hebben? Vroeger werd aangenomen dat de kritieke periode werd bepaald door een interne tijdsklok. Patricia Kuhl, hoogleraar spraak- en gehoorwetenschappen aan de Universiteit van Washington in Seattle, stelt echter dat niet een interne tijdsklok (rijping) maar ervaring een cruciale rol speelt in de optimale periode voor taalverwerving, net name het afsluiten ervan. Sociale factoren spelen volgens haar een cruciale rol in de taalverwerving. De baby wordt geboren met een aangeboren vaardigheid om taal te leren, en dankzij die vaardigheid kan het kind een taal leren en de bijbehorende lichaamstaal lezen. Want niet alleen spreken we in de wereld andere talen, we bewegen ons ook anders voort. ‘Japanners bewegen totaal anders dan Italianen, en die bewegen weer anders dan Amerikanen’, zegt Kuhl.

Baby’s beschikken over een aangeboren vermogen om universele spraakklankcontrasten te onderscheiden, zowel in de eigen moedertaal als in vreemde talen. In eerste instantie is de baby ontvankelijk voor alle universele spraakklanken, tussen de 6 en 12 maanden neemt die gevoeligheid echter af terwijl de spraakperceptie van de moedertaal dan toeneemt. Volgens Kuhl heeft dit te maken met stelselmatige herhaling, en de variaties hierin, waardoor het kind als het ware statistieken op de gehoorde klanken gaat loslaten. Het jonge kind gaat klanken herkennen, structureren en in categorieën verdelen. Wanneer het kind in het Nederlands een lange ‘ee’ herkent, gaat hij alle klanken die daarop lijken in hetzelfde vakje stoppen. In dat vakje passen niet de ‘ee’-s zoals die in andere taal worden uitgesproken. Dit noemt Kuhl het ‘Native Language Magnet-model’, naburige klanken worden naar de ideale klank toe getrokken. De magneet zorgt ervoor dat de gevoeligheid voor universele spraakklanken geleidelijk aan afneemt terwijl de gevoeligheid voor de spraakklanken van de moedertaal toenemen. De plasticiteit in klankonderscheiding maakt plaats voor stabiliteit: het jonge kind heeft de klanken van de moedertaal  over verschillende ‘vakjes’ gedistribueerd waardoor er een stabiel systeem ontstaat. Niet een interne tijdsklok maar ervaring, zo concludeert Patricia Kuhl, zorgt ervoor dat de universele klankgevoeligheid verdwijnt. Er is sprake van een ‘perceptuele vernauwing’, een proces dat niet alleen voorbehouden is aan het verwerven van de taal maar ook aan de verwerving van andere culturele categorieën zoals muzikale intervallen en conceptuele categorieën.

Om aan te tonen dat ervaring en sociale context cruciaal zijn voor de perceptuele vernauwing, verrichtte Kuhl met haar team een aantal onderzoeken. In een van die onderzoeken werden baby’s van 9 maanden voor de allereerste keer bloot gesteld aan een tweede taal.  De Amerikaans baby’s luisterden naar 4 verschillende moedertaal sprekers van het Mandarijns, tijdens 12 sessies over een periode van 4 tot 5 weken. De moedertaal sprekers lazen boekjes voor en speelden met speelgoed in een spontane, informele situatie. De controle greep kreeg 12 spelsessies echter niet in een tweede taal maar in hun moedertaal (Engels). Het onderzoek laat zien dat de experimentele groep significant beter scoorde dan de controle groep in het onderscheiden van Mandarijnse klanken: sterker nog, zij scoorden net zo goed als baby’s uit Taiwan die al 10 maanden naar het Mandarijns hadden geluisterd.

Het onderzoek hield hier echter niet op. Kuhl stelde zichzelf de vraag of kinderen tot dezelfde klankonderscheiding in het Mandarijns zouden kunnen komen zonder directe menselijke interactie- bijvoorbeeld door middel van een audiotape of televisie, Wat bleek? De negen maanden oude Amerikaanse baby’s die in 12 sessies werden blootgesteld aan het Mandarijns via een audiotape of televisie, scoorden net zo hoog als de controle groep in het eerste experiment.  Menselijk contact , zo concludeert Kuhl, is nodig om tot klankonderscheiding te kunnen komen.

Sociale interactie zorgt ervoor dat zich een poort opent waardoor het jonge kind ontvankelijk wordt voor de spraakklanken. Naast rijping van het brein, speelt ervaring in belangrijke mate een rol in het afsluiten van de kritieke periode. Is de neurale architectuur van de moedertaal gevormd, dan neemt de klankgevoeligheid voor andere talen af en sluit de poort zich. Bij kinderen die tweetalig worden opgevoed, blijft de poort langer open. Onderzoek van Kuhl en haar team bevestigt die gedachte. Zij deden onderzoek bij baby’s die eentalig (Engels) en tweetalig (Engels en Spaans) werden opgevoed: bij de tweetalige baby’s vond de perceptuele vernauwing later plaats.

Motherese, ook wel kindgerichte spraak (KGS) genoemd, speelt een cruciale rol in het ontwikkelen van de klankgevoeligheid bij de baby[3]. Door de sterke overdrijving kan het jonge kind de klanken makkelijker indelen en categoriseren. Motherese is het spraak- taalpatroon dat gebruikt wordt door volwassenen, ouders of niet-ouders, wanneer zij zich richten tot het jonge kind. Motherese wordt gekenmerkt door versimpelde zinsconstructies, een vereenvoudigd vocabulaire, een hogere toonsoort, overdreven intonatie, herhaling, het gebruik van verkleinwoorden, een duidelijke articulatie en een tragere spreeksnelheid. Woorden krijgen meer lengte door het gebruik van langgerekte overdreven klinkers[4]. Hoewel versimpeld, is motherese grammaticaal correct, bovendien sluit het nauw aan bij het prille kinderbrein dat gespitst is op klankoverdrijvingen.[5]

Wanneer we met elkaar praten, wisselen we niet alleen de letters van het alfabet met elkaar uit. We delen ook klankkleur, toonhoogte, tempo en puls. Malloch en Trevarthen noemen dit communicatieve muzikaliteit.  Het kind en de volwassenen synchroniseren niet alleen ritme met elkaar, maar ook puls, toonhoogte en klankkleur.

Herhaling en variatie spelen in de muzikale dialoog een cruciale rol. Expressiviteit ontstaat door de melodieën en ritmes die het kind en de volwassene met elkaar uitwisselen.Martine Van Puyvelde[6], onderzoekster aan de Vrije Universiteit van Brussel, vroeg zichzelf af of motherese concrete muzikale elementen bevat die de taalontwikkeling bij het jonge kind stimuleren.  Om dit na te gaan werden alle betekenisvolle babbelgeluiden, dat wil zeggen geluiden met een duidelijke toonhoogte, van 3 maanden oude baby’s met hun moeder in een spontane interactie geselecteerd. Met behulp van computerprogramma’s, waarmee frequentieanalyses werden uitgevoerd, en een team van 12 professional musici werden 854 babbelgeluiden geanalyseerd.

De onderzoekers waren vooral geïnteresseerd in boventonen omdat boventonen de basis vormen van alle muzikale stelsels in de wereld. Boventonen zijn harmonische trillingen die mee resoneren met de grondtoon. Deze boventonen worden ook wel natuurtonen genoemd. De menselijke stem creëert klanken die rijk zijn aan boventonen. Al in de baarmoeder wordt de baby omringd door boventonen want de botstructuur van de moeder blijkt een hele goede geleider van boventonen te zijn. Uit het onderzoek van Van Puyvelde kwam naar voren dat zo’n 85% van alle vocale interacties tussen baby en moeder een gezamenlijke opbouw van boventonen bevat.

De onbewuste uitwisseling van boventonen gebeurt in een hoog tempo[7].  Bovendien worden tonale momenten (85%) afgewisseld met niet-tonale momenten (15%). In andere woorden, 85% van de tijd stemmen moeder en kind klanken op harmonieuze wijze op elkaar af, terwijl in de resterende tijd (15%) de klankafstemming niet harmonieus was. Het onderzoeksteam ging op deze laatste bevinding door. Het team vroeg zich af of de vocale interacties een emotionele betekenis hebben. In de tweede fase van het onderzoek werd een micro-analyse verricht waarin gezichtsexpressies en lichaamshouding van moeder en baby met elkaar werden vergeleken. Wat bleek? Bij de harmonieuze vocale interactie stemden moeder en baby hun gevoelsbeleving op elkaar af. Dit in tegenstelling tot de niet-harmonieuze interactie waarbij moeder en kind in verwarring leken en niet tot een gedeelde gevoelsbeleving konden komen.  

Dat er een verband wordt gelegd tussen vocale klanken en emotionele signalen is niet nieuw. Darwin stelde in 1872 al dat “de voorouders van de mens muzikale tonen gebruikten om te communiceren voor zij de kracht van gearticuleerde spraak hadden verworven”[8]. De imitatie van deze gearticuleerde geluiden, muzikale kreten noemt Darwin het, kan aanleiding zijn geweest voor het ontstaan van woorden die complexe emoties uitdrukken. De muzikale kreten werden in eerste instantie vooral gebruikt voor de hofmakerij en juist de hofmakerij is omgeven met heftige emoties zoals liefde, rivaliteit, triomf en nederlaag.

Aldus ben ik tot de conclusie gekomen dat de voorlopers van de mens vermoedelijk al muzikale klanken voortbrachten voordat ze het vermogen voor een duidelijk gesproken taal hadden ontwikkeld; en dat daarom de stem, wanneer hij wordt gebruikt bij sterke emoties, door het beginsel van associatie geneigd zal zijn een muzikaal timbre aan te nemen (87).

Darwin verbindt de muzikale klanken met emotionele signalen. Muziek, zo beredeneert hij, is noodzakelijkerwijs expressief. Die expressiviteit ontstaat niet alleen door de klank zelf maar ook door het lichaam (bijvoorbeeld de spieractiviteit) die de klank tot stand brengt. Hij geeft de volgende voorbeelden:

Konijnen stampen hard op de grond als waarschuwingssignaal voor hun kameraden, en de persoon die weet hoe hij dit precies kan nadoen, kan op een stille avond overal om zich heen konijnen horen antwoorden. Als deze dieren kwaad zijn, stampen ze, evenals sommige andere, ook op de grond. Kwade stekelvarkens ratelen met hun stekels en laten hun staart trillen […].Opgewonden ooievaars maken een luid klepperend geluid met hun snavels. Sommige slangen produceren een knarsend of ratelend geluid. Veel insecten krassen door het samenwrijven van speciaal daartoe gemodificeerde gedeeltes van hun harde schilden (94).

Vocale klanken kunnen een bepaalde expressiviteit in zich dragen. Het lijf speelt echter ook een belangrijke rol in het uitwisselen van emoties. Ons dagelijks taalgebruik is doordrenkt met gezegdes die verwijzen naar de intrinsieke relatie tussen emotie en beweging. We springen een gat in de lucht, we stampvoeten, we ballen onze vuisten, we voelen ons op de tenen getrapt, we krijgen de schrik in onze benen, we lopen op onze tenen, we slaan ons op de dijen van plezier.

Het jonge kind heeft nog niet de beschikking tot taal, en dus ook geen beschikking over eerdere ervaringen die in een talige structuur zijn ondergebracht. Het kind moet daarom zijn gevoelens en ervaringen via het lijf overbrengen aan de ander. Door gezichtsexpressie, vocalisaties maar ook ademhaling en lichaamshouding drukt het jonge kind zijn gevoelstoestand uit.

Met behulp van ritmische synchronisatie stemmen het jonge kind en de primaire verzorger hun bewegingen, gezichtsexpressies en vocalisaties op elkaar af. Ofwel, hun lichamen resoneren met elkaar en door middel van die resonantie worden gevoelservaringen met elkaar uitgewisseld. In de ontwikkelingspsychologie wordt dit proces affect attunement genoemd: ouder en kind stemmen hun gevoelstoestanden op elkaar af. Door sensitief op elkaars signalen te reageren, worden innerlijke gemoedstoestanden met elkaar gematched. Een voorbeeld: een negen maanden oude baby heeft een speeltje in de hand. Hij rammelt ermee en kraait van plezier. De moeder kijkt toe, lacht en beweegt vervolgens haar hoofd op en neer, precies in het ritme van de armbewegingen van de baby[9]. De moeder stemt daarmee niet alleen de handeling maar ook de daaraan verbonden gevoelstoestand op die van de baby af. Het gevolg is dat de baby niet alleen zijn moeder waarneemt, ook ontvangt hij (belichaamde) feedback op zijn eigen handelen en zijn eigen gevoelstoestand. Via de betekenisvolle ander neemt hij dus ook zichzelf waar.

De muzikale dialoog tussen verzorger en baby is een ingenieus spel van klankkleur, ritme, toonhoogte en puls. Bovendien doet het hele lichaam mee. De armpjes en beentjes van de baby trappelen mee met de vocalisaties van de verzorger.  En vice versa, de verzorger stemt zijn gebaren ritmisch af op de vocalisaties van de baby. Expressiviteit ontstaat door herhaling, contrast en variatie. De interacties tussen verzorger en baby bestaan uit frases die muzikale kenmerken in zich dragen. Tussen de frases door is er rust. 

Affect attunement kan worden opgevat als de afstemming van gevoelservaringen tussen ik en de ander. Ontwikkelingspsycholoog Daniel Stern spreekt in dit verband van vitality affects [10]: dynamische, kinetische kwaliteiten die gezamenlijk de expressiviteit van de interactie bepalen. Het gaat daarbij niet om statische emotionele aspecten maar om dynamische gevoelstoestanden. Vitality affects zijn kwaliteiten van een ervaring die dynamische bewegingskenmerken omvatten zoals golvend, schokkend, vluchtig, vervagend, explosief, crescendo (luider), decrescendo (afzwakkend), losbarstend, uitgerekt etc. Deze kwaliteiten zijn moeilijk in taal te vangen omdat ze in het lichaam besloten liggen.

Affecten en intensiteiten vormen de pijlers waarop ons gevoel is gebouwd. Door affecten ‘voelen we ons gevoel’, voelen we de belichaamde dimensie ervan. Zonder affect zouden we niet in staat zijn iets te voelen, want de intensiteit van de ervaring zou ontbreken. De mentale gewaarwording van een gevoel kan aldus niet bestaan zonder de lichamelijke inbedding ervan. Om die reden spelen affecten een cruciale rol in de manier waarop we uitstaan naar de wereld, ermee verbonden zijn, met anderen en met de omgeving. Maar ook vormt affect de basis van onze subjectieve ervaring, van ons voelen/denken – omdat affect de verandering in ervaringstoestand op een voorpersoonlijke niveau registreert en zichtbaar maakt. Juist doordat affecten ongevormd en ongestructureerd zijn, kunnen ze van het ene op het andere lichaam overgedragen worden. Sterker nog, in ons dagelijks leven zien we maar al te vaak dat de boodschap die we bewust naar de ander uitzenden veel minder van belang is dan de onbewuste affectieve resonanties die we meesturen – want het zijn de onbewuste affectieve resonanties die zich dichter bij de bron van de boodschap bevinden[11]

Een gezonde affect attunement legt de basis voor tal van ontwikkelingsgebieden. Allereerst zorgt het ervoor dat de baby vanaf 9 maanden niet alleen dyadische relaties (kind-verzorger) kan aangaan maar ook triadische relaties (kind-object-verzorger). In het laatste geval verloopt de interactie via een object (bijv. een baby wijst naar een speeltje dat hij wil hebben). De triadische interacties zijn van belang omdat het kind en de verzorger via een object de aandacht delen, en daarmee een gezamenlijke betekenisruimte scheppen waarin omgeving en objecten een rol spelen. Ten tweede, zorgt affect attunement ervoor dat het jonge kind, in het communicatieve spel met de ander, feedback krijgt over zijn eigen gedrag. Via de ander neemt hij zichzelf waar, en in dit wederkerige proces worden de gevoelservaringen in zijn lichaam verankerd. De baby leert daarmee zichzelf beter te reguleren, hij ervaart eigenaarschap over zijn eigen handelen en de eerste contouren van een biografie (zelf-geschiedenis) beginnen te ontstaan. Ten derde, zorgt affect attunement ervoor dat vocalisaties op ritmische wijze aan bewegingen en gezichtsexpressies worden gekoppeld. Hierdoor leert de baby een affect te koppelen aan een beweging (vorm), aan een ritme en aan een klank: door het gebruik van non-verbale analogieën wordt de weg vrij gemaakt voor symbolen en daarmee ook de taalontwikkeling. Ten vierde, leert het jonge kind de eigen ervaringsflow af te stemmen op de ervaringsflow van de verzorger (en vice versa) – een cruciale factor voor sociale interactie. Tot slot draagt affect attunement bij aan het tot stand brengen van een gezonde hechting tussen baby en primaire verzorger[12].

Om affecten goed op elkaar af te stemmen moet de primaire verzorger a) sensitief zijn voor de belichaamde signalen die de baby stuurt, b) de aandacht richten op vorm, intensiteit en timing van het gedrag, c) het signaal naar een andere modaliteit omzetten. Bij een gezonde affect attunement is er naast harmonie ook sprake van disharmonie. Juist het gezamenlijk zoeken naar harmonie, brengt een veilige hechting teweeg. Het afstemmingsproces verloopt van match, mismatch naar rematch. Onderzoek laat zien dat er een sterk verband is tussen het vermogen van de ouder om een mismatch te herstellen en de veilige hechting van een baby van 12 maanden oud. Goed ouderschap gaat dus niet om het voortdurend in harmonie met het kind meebewegen maar om het vermogen om verstoringen te herstellen en om in balans te komen met elkaar. Een succesvol herstel levert positieve affecten op, bovendien leert de baby om te gaan met frustratie en spanning. Het streven naar harmonie is in die zin belangrijker dan het bereiken ervan.

Echter, mismatches die structureel van aard zijn en niet gepaard gaan met herstel kunnen tot een onveilige hechting leiden. Een depressie van de moeder kan leiden tot een structurele mismatch – onderzoek laat zien dat depressieve moeders hun vocalisaties en lichaamsgedrag zowel inhoudelijk als affectief minder goed afstemmen op de baby[13]. Maar omgekeerd kan ook de baby een gezond afstemmingsproces belemmeren: premature baby’s bijvoorbeeld of baby’s met een aangeboren beperking. De kwetsbaarheid en de aanwezigheid van medische apparaten kunnen nabijheid belemmeren, ouders zitten vaak zelf middenin een verwerkingsproces en hebben veel zorgen over de baby waardoor ze minder sensitief zijn, bovendien kunnen premature baby’s of baby’s met een aangeboren beperking anders reageren op hun omgeving. Onderzoek laat zien dat premature baby’s met een aangeboren beperking minder responsief zijn, prikkelbaarder, ze vocaliseren minder en ze kunnen regulatie moeilijkheden vertonen. De afwijkende reactie van de baby kan een negatieve spiraal uitlokken: ouders krijgen geen adequate response, ze hebben moeite met het lezen van de gemoedstoestand van de baby en geleidelijk aan zullen ze minder initiatief en minder uitbundig op hun baby reageren. In dergelijke situaties is het dus heel belangrijk dat ouders voorlichting krijgen en gestimuleerd worden om het contact met de baby aan te gaan en daar een manier in te vinden die goed voelt.

De afstemming van affecten vindt cross-modaal plaats. Dat wil zeggen dat meerdere zintuigen worden ingezet om de gevoelstoestand met de ander te delen. Bij affect attunement zal de verzorger vaak voor een andere expressiemodaliteit kiezen: wanneer de baby met de rammelaar heen en weer beweegt, zal de verzorger bijvoorbeeld in hetzelfde ritme met het hoofd meebewegen. Volgens Stern vindt affect attunement plaats door het synchroniseren van intensiteit, vorm of timing. Doordat deze kenmerken amodaal zijn, kunnen ze van de ene modaliteit naar de andere overgedragen worden. Het trappelen van de beentjes van een kraaiende baby zal minder snel beantwoord worden door eenzelfde getrappel van de moeder, maar eerder door getrommel of een vocalisatie die in intensiteit of timing overeen komt met de trappelende beentjes van de baby. Juist door een andere modaliteit te gebruiken, leert het jonge kind patronen van vorm, intensiteit en timing te herkennen en te structureren – ongeacht in welke modaliteit die gecommuniceerd worden.

Bij affect attunement gaat het niet zozeer om exacte herhaling maar juist om minimale variatie – door de minimale verschillen kan het jonge kind zelf van ander onderscheiden en leert het invarianties (constanten) in de omgeving te herkennen. Een spelletje als kiekeboe of een liedje als ‘klap eens in de handen’ wordt vaak meerdere malen herhaald (tot groot plezier van de baby): hoewel de structuur hetzelfde blijft, is het spelletje iedere keer weer net even anders. Dit stelt de baby in staat om over de verschillen heen structuren en patronen te ontdekken. Het idee van variatie-in-herhaling komt overeen met Kuhl’s idee over de taalontwikkeling van het jonge kind: informele (en dus onvoorspelbare) settings en blootstelling aan verschillende moedertaal sprekers zorgen er volgens Kuhl voor dat het kind verschillende variaties van een bepaalde klank (de ‘oe’) leert kennen.  

Zulke spelletjes en liedjes kunnen we eindeloos herhalen zonder dat de baby er genoeg van lijkt te krijgen. Door de herhaling slijten patronen en structuren zich in het lichaam. De muzikale en ritmische structuur van de baby-ouder interactie zorgt ervoor dat gevoelsuitingen met elkaar gedeeld worden en in het geheugen worden verankerd. De eerste interactiepatronen, met hun overduidelijke muzikale structuur vormen een raamwerk waaraan al onze latere interacties worden opgehangen. Het is een soort oergeheugen – een geheugen van intensiteiten en affecten- die op elk willekeurig moment in ons leven getriggerd kan worden. Je hoeft maar in de supermarkt te staan, bij de groente afdeling, en plots wordt je meegenomen door een popliedje uit de jaren tachtig en voel je intensiteiten en affecten door je heen stromen.  Muziek kent daarin geen gelijke. Ik heb geen idee hoeveel liedjes er in mijn geheugen zijn opgeslagen, maar het moeten er ontzaglijk veel zijn. Het zijn vaak niet eens liedjes die ik mooi vind, ook de vreselijkste deuntjes (alle K3 albums bijvoorbeeld) heb ik opgeslagen en er is nergens een delete knop waarmee ik die deuntjes uit mijn onbewuste kan wissen. Toen ik zelf kinderen kreeg, kwamen de kinderliedjes uit mijn jeugd als vanzelf (nou ja toegegeven, ik had wel een trigger nodig) bij me terug. ‘In de  maneschijn’ bijvoorbeeld, inclusief bijbehorende gebaren. Olifantje in het bos, was een andere. Of ‘er komt een muisje aangelopen’ en dat muisje liep dan heel langzaam van de arm naar het puntje van de neus. Het is heel wel mogelijk dat die deuntjes zo goed blijven hangen omdat ze verwijzen naar onze aller vroegste ervaringen, naar het motherese, naar de vocalisaties en lichaamsexpressies van onze babytijd.

Maar het kan ook zijn dat muziek, trouwens ook dans, een rechtstreeks lijntje heeft met ons intuïtieve oerbrein – dat zich welhaast ergens in de evolutionair oudere delen van ons brein moet bevinden. Misschien ook omdat muziek uitwaaiert door het hele lijf, via de longen, via de bloedsomloop, via de poriën in de huid, door de organen heen, omhoog, omlaag, naar het puntje van de neus maar ook naar de kleine teen. Muziek zet het lijf in beweging, het weekt intensiteiten en affecten los, het voorziet het lijf van energiestoten, van een puls, van een elektrische ontlading. Net als motherese en affect attunement, maakt muziek gebruik van meerdere modaliteiten. Hoewel het oor het zintuiglijk orgaan bij uitstek is bij het ervaren van muziek, nemen we muziek (puls, ritme, toonhoogte) ook waar via beweging (proprioceptie/kinesthesie) en via aanraking (trillingen/frequenties). Evelyn Glennie, een Schotse percussioniste die op haar twaalfde doof werd, legt dat overtuigend uit in haar Ted talk. Muziek ervaar je met het hele lichaam, door te luisteren, te kijken, te bewegen en te voelen.

Zoals we hierboven hebben gezien, kent de baby-ouder interactie een muzikaal karakter. De ouder en het kind babbelen op een melodieuze en ritmische manier met elkaar. Muzikaliteit wordt door de musicoloog Stephen Malloch en kinderpsycholoog Colwyn Trevarthen opgevat als de ‘expressie van het menselijk verlangen naar cultureel leren’. Of het nu om de baby-ouder interactie gaat, het zingen in een koor, een verhitte discussie tussen een leerling en een docent, een ceremonie, een ritueel of een volksdans. In de ritmische coördinatie als ook in de vocalisaties delen we een betekenisruimte met elkaar. Een betekenisruimte die zich niet zozeer vult met woorden maar met betekenisvolle klanken, melodieën, ritmes en lichaamsexpressies. Niet de inhoud maar de stroom van affecten en intensiteiten staat daarin centraal. Misschien moeten we daarom ook niet van betekenisgeving maar van zingeving spreken.

Hoewel muziek en taal beiden communicatief zijn, verschillen zij op een cruciaal punt van elkaar. Taal is referentieel, het verwijst naar de stand van zaken in de wereld. Taal richt zich op het uitwisselen van informatie[14]waarbij de deelnemers een gezamenlijke consensus proberen te bereiken over kennis, aannames en geloofsopvattingen. Muziek, aan de andere kant, is niet in staat om te communiceren over de stand van zaken in de wereld. Communicatieve muzikaliteit gaat daarom niet zozeer over het uitwisselen van inhoud als wel over het afstemmen van affecten en motivaties. Ian Cross stelt dat bij muziek het relationele aspect voorop staat terwijl bij taal het transactionele aspect voorop staat. In de muzikale interactie wordt de ervaringsflow van de deelnemers met elkaar gesynchroniseerd.

We hebben gezien dat de vroegste ouder-kind interactie in hoge mate muzikaal is. We zouden kunnen stellen dat de communicatie in de eerste periode vooral relationeel en in mindere mate transactioneel van aard is. De vocalisaties gaan na het eerste jaar geleidelijk aan over in ‘echte’ taaluitingen. Is de neurale architectuur eenmaal gevestigd, dan zal het transactionele aspect steeds meer op de voorgrond treden. Dat wil echter niet zeggen dat de muzikaliteit in onze dagelijkse gesprekken verdwijnt. De muzikale aspecten zijn nog steeds aanwezig, echter niet meer zo overvloedig als in de baby tijd. Het referentiele karakter van taal dringt zich steeds sterker aan ons op.

Eigenlijk zouden we kunnen stellen dat spraak voortvloeit uit de allereerste muzikale interacties tussen baby en ouder. Zingen, rijmpjes, het samen met elkaar vocaliseren – hier geldt het adagio ‘meer is beter’. Onderzoek laat zien dat de klankomgeving in het eerste jaar een significante invloed heeft op de taalontwikkeling van het kind. Een rijke klankomgeving zorgt voor een goede verankering van de taal.

Maar ook als het kind ouder wordt, moeten we de muzikale kenmerken van onze taaluitingen niet uit het oog verliezen – want juist die benadrukken het relationele aspect van onze communicatie. In het algemeen mogen we meer aandacht hebben voor klank, intonatie, pitch en ritme – de muzikale parameters van onze taal. Net als de Belgen en de Limburgers, mogen we in onze taaluitingen meer zingen. Of rappen, want in deze ritmische poëzie zijn de woorden ondergeschikt aan puls en beat, waardoor intensiteiten en expressies zegevieren.

Een rijke taalomgeving, zowel voor het aanleren van de moedertaal als een tweede taal, dient te bestaan uit: (a) een overdrijving van de akoestische dimensies van de taal (intonatie, klank, pitch, ritme) zodat er een optimaal klankcontrast wordt gecreëerd, (b) informele leersituaties, (c) een rijke taalomgeving met veel variaties (in sprekers maar ook in culturele contexten) en veel herhalingen en (d) een multimodale aanpak waarbij luisteren, zien, voelen en bewegen met elkaar geïntegreerd zijn.  Willen we aan deze voorwaarden voldoen, dan dienen we niet langer een strikt onderscheid te maken tussen schooltijd en vrijetijd: het formele leren moet zich op organische wijze verbinden met het informele leren. Een goed voorbeeld daarvan zijn de taalreizen die op middelbare scholen worden georganiseerd waarbij de leerling bij een gastgezin wordt ondergebracht. Een week is eigenlijk te kort: hoe intensiever hoe beter. In een stad als Amsterdam, die zoveel verschillende culturen en talen in zich herbergt, zou veel beter gekeken kunnen worden hoe kinderen ook buitenschools met een tweede taal in aanraking kunnen komen. Verder mag er natuurlijk een stuk creatiever omgegaan worden met het aanleren van een taal. Bij jonge kinderen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een klankenspel, of een geheimtaal waarin kinderen hun eigen klanken en betekenissen bedenken, of iedere dag gezamenlijk in de klas een onzinwoord bedenken. En wat te denken van een workshop ‘praten-zonder-woorden’ waarin je met gebaren moet communiceren. Tradities mogen we ook niet uit het oog verliezen, vooral als het gaat om orale tradities. Een gedicht uit het hoofd leren en opzeggen. Verhalen bedenken en vertellen. Iedere school zou een troubadour in dienst moeten nemen, of een minstreel die de kinderen op een gezongen manier vertelt over de stand van zaken in de wereld. Een beetje humor kan geen kwaad, want ook humor heeft een rechtstreeks lijntje met intensiteiten en affecten.  Een musical raad ik af, niet alleen omdat ik stiekem een hekel heb aan musicals, maar ook omdat de muziek in musicals vaak ten dienste staat van de woorden. (Hoewel ik een uitzondering maak voor de Sound of Music en het beroemde do-re-mi lied op voorwaarde dat er wel bij gefietst wordt of langs het randje van een fontein gemarcheerd wordt. De traptreden als toonladder gebruiken vind ik dan weer net iets te illustratief.)

Eigenlijk is het allerbelangrijkste dat we bij het stimuleren van de taalontwikkeling niet alleen oog hebben voor het transactioneleaspect, maar ook en bovenal voor het relationele aspect. Bij het jonge kind gaat dat blijkbaar vanzelf: doordat het jonge kind nog niet beschikt over taal, schakelen we als vanzelf over naar een versie van de taal waarin klanken, ritmes en melodieën de boventoon voeren, een taal waar bovendien het hele lichaam aan meedoet. Motherese. Mooi aan het onderzoek van Kuhl is dat zij overtuigend laat zien dat overdrijving van de klankcontrasten, ritme, versimpeling en variatie ook effectief zijn bij het aanleren van een tweede taal op latere leeftijd. Bij het aanleren van een taal aan oudere kinderen, én volwassenen, mogen dus affecten en intensiteiten (de relationele aspecten van de communicatie) meer op de voorgrond treden.

Bronnen:

[1]Taalonderzoekster Patricia Kuhl spreekt van een aangeboren taalmagneet: zij baseert dat idee op het feit dat wij geen tussenklanken horen in de taal. Iets is bijvoorbeeld of een p of een b, er is geen klank die zich er tussenin bevindt. Wanneer een klank heel geleidelijk aan in een andere klank overgaat, dan horen wij toch ergens een omslagpunt. Voor dat punt wordt alles als een p gehoord, na dat punt als een b. Kuhl noemt dit de aangeboren taalmagneet: die magneet trekt de klank naar een bepaalde, ideale richting die in onze moedertaal besloten ligt[1]. Welke klank we horen is afhankelijk van onze moedertaal. Kuhl deed onderzoek naar de klankgevoeligheid van zes maanden oude baby’s in Zweden: de baby’s bleken extra gevoelig te zijn voor de ‘eu’, een klank die in de Zweedse taal veel voorkomt.

[2]Kuhl, P. K.(2011). Brain mechanisms underlying the critical period for language: Linking theory and practice, in A. M. Battro, S. Dehaene, & W. J. Singer (Eds.), Human neuroplasticity and education (pp. 33-59). The Pontifical Academy of Sciences: Vatican City.

[3]Goorhuis, S., & Schaerlaekens, A. (2008).Handboek taalontwikkeling, taalpathologie en taaltherapie bij nederlandssprekende kinderen. Utrecht: De Tijdstroom uitgeverij.

[4]Onderzoek van Kuhl laat zien dat motherese kan helpen bij het leren van een tweede taal bij volwassenen. Kuhl stelt dat ook volwassenen gebaat zijn bij het overdrijven van de fonetische contrasten en dat dit liefst in een informele leersituatie (zoals dat ook bij motherese gebeurt) met veel variaties in spraak dient te gebeuren.

[5]Veenker, H. J. J. M. (1996). De zinnen verzetten. Groningen: Universiteit van Groningen.

[6]Van Puyvelde, M., Vanfleteren, P., Loots, G., Deschuyffeleer, S., Vinck, B., Jacquet, W., &Verhelst, W. (2010). Tonal synchrony in mother-infant interaction based on harmonic and pentatonic series. Infant Behavior & Development, 33(4), 387-400.

Van Puyvelde, M., Loots, G., Vinck, B., Decoster, L., Matthijs, L., Mouvet, K., & Pattyn, N.  (2013). The interplay between tonal synchrony and social engagement in mother- infant interaction. Infancy, 2013,DOI: 10.1111/infa.12007

[7]http://www.vub.ac.be/pers/persberichten/2013/02/13/zit-muziek-moeder-baby-relatie

[8]http://www.scriptiebank.be/scriptie/2009/tonal-synchrony-based-harmonic-and-pentatonic-series

[9]Stern, D.N. (1985/2000). The interpersonal world of the child: A view from psychoanalysis and developmental psychology.London: Karnac Books.

[10]Stern, D.N. (1985/2000). The interpersonal world of the child: A view from psychoanalysis and developmental psychology.London: Karnac Books.

[11]Shouse, E. (2005). Feeling, Emotion, Affect. M/C Journal, 8(6). http://journal.media- culture.org.au/0512/03-shouse.php

[12]Decherf, D (2004). Wat is het effect van een depressie bij de moeder op de affect attunement met haar baby?Master scriptie. Gent: Universiteit Gent.

[13] De Vis, J., & Depester, L. (2011). The prosodic aspects of child-directed speech: an investigation of differences between male and female Flemish speakers.Gent: Universiteit Gent.

[14]Cross, I. R. (2014). Music and communication in music psychology. Psychology of Music, 42, 809-819.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *