De ritmische dialoog

0 Comment

Even voor de duidelijkheid: ik ben geen psycholoog, geen filosoof en eerlijk gezegd vind ik mezelf ook niet erg wijs of slim. Ik was op de middelbare school een middelmatige leerling met te weinig talent voor het gymnasium en teveel oog voor al het niet relevante wat er om me heen gebeurde. Een biologie leraar maakte na een proefwerk dat door de gehele klas slecht gemaakt was (er waren drie voldoendes waaronder die van mij, een zesje weliswaar, maar het gold toch als een overwinning) de volgende opmerking: ‘Als Carolien het kan, dan kan iedereen het’. Een opmerking die ik als een steek onder water ervoer: mijn eerst gevoelde triomf maakte plaats voor een nederlaag die me nooit meer heeft verlaten. Toch denk ik nog vaak terug aan die opmerking. Ergens vind ik het een geruststellende gedachte: als ik het kan, dan kan iedereen het. Dat maakt me onopvallend, niet bijzonder, niet speciaal, en nee, dat is helemaal niet erg, want het bevestigt mijn geloof dat de dingen maakbaar en in handbereik zijn.

Hoewel ik opgeleid ben als choreografe en orthopedagoge, ben ik in geen van beiden erg goed. Ook niet erg. Ik dans al jaren niet meer professioneel en als ik dans dan doe ik dat vooral in de huiskamer. Voor de lol. Ik hou intens van dansen, nog steeds, en ervaar het als mijn belangrijkste uitlaatklap, mijn belangrijkste vorm van zijn.

In mijn dromen dans ik veel. Soms ben ik bij een auditie (waar ik me achter de coulissen probeer te verbergen want het gaat me altijd slecht af), vaker in een studio. Een dansstudio is eigenlijk niets meer dan een abstracte, lege ruimte die met beweging gevuld wordt. Het is een van de mooiste ruimtes die er bestaat omdat in die lege ruimte zoveel beloftes en mogelijkheden van het lichaam verborgen liggen.

Een veelvuldig terugkerende droom is de volgende: ik spring omhoog met een ongelooflijke veerkracht, het lukt me om het plafond (die in mijn dromen de hoogte van een gymzaal heeft) aan te raken, sterker nog, ik kan er blijven hangen, moeiteloos zweef ik in de lucht terwijl de anderen al geland zijn. Mijn sprong is eeuwig, bestaat alleen uit een opwaartse beweging zonder dat ik weer terug op de grond beland. Het is een geweldig gevoel: niet alleen ben ik oppermachtig, ook lukt het me als enige in de studio om in de lucht te blijven hangen (daarmee vergeleken vallen de sprongen van de andere dansers volkomen in het niet). De illusie van gewichtloosheid -het zweven in de ruimte- roept een gevoel van immense vrijheid op.

Dansen is mijn inziens iets dat zwaar onderschat wordt in het dagelijkse leven. We zijn zo gericht op functioneel bewegen dat we vaak vergeten hoe heerlijk het is om bijvoorbeeld een arm in de lucht uit te strekken, alleen de arm, zonder een doel, en die arm zachtjes heen en weer te bewegen. Het lichaam geniet daar echt van: van die nutteloze beweging waarin puur verlangen schuilt.

Ik vind het soms zo raar dat ik hierin mijn eigen verlangens niet ken. Want pas als ik de arm omhoog beweeg en er zachtjes mee door de lucht strijk, ontwaakt het verlangen. Ervoor was het er (nog) niet, het had zich nog niet aan mij bekend gemaakt maar de rug strekt zich, de arm beweegt zich opwaarts, als vanzelf sluit ik mijn ogen, en hup, het verlangen maakt zich kenbaar aan mij.

Terug naar de sprong. Een aantal jaren geleden deed ik een onderzoek bij een groep kinderen met autisme op de Van Detschool (een cluster 4 school) in Amsterdam: 16 jongens in de leeftijd van 8-10 jaar deden mee. We wilden onderzoeken in hoeverre dans kan bijdragen aan het belichaamd invoelingsvermogen van deze kinderen. De kinderen kregen een zelf ontwikkelde danstest waarbij zij allerlei verschillende bewegingen moesten nadoen. Een van die bewegingen was de sprong. Het springen begon eenvoudig en ritmisch: geleidelijk aan werden de sprongen groter en uitbundiger. Alhoewel we dit niet voorspeld hadden, begonnen alle kinderen vrijwel automatisch te lachen. De sprongen riepen als vanzelf een bevrijdende reactie op.

Een sprong bestaat uit een afzet, een zweefmoment (het loskomen van alle steun- of raakpunten) en een landing. In een goede sprong werken alle lichaamsdelen vloeiend en ritmisch met elkaar samen. Bij de afzet bijvoorbeeld moeten de armen het strekken van de knieën ondersteunen. Een goede sprong vraagt om kracht, timing, momentum en coördinatie. Oefening is daarvoor belangrijk, toch is springen niet voor iedereen even gemakkelijk. Bij kinderen met autisme lijkt er een aarzeling in de beweging te zitten. In een onderzoek naar de bewegingsmotoriek van autistische kinderen kwam naar voren dat timing en coördinatie vaak niet accuraat zijn. De onderzoekers beschrijven het als volgt: het is alsof ieder lichaamsdeel tijdens de voorwaartse sprong onafhankelijk opereert. De knieën worden gebogen, pas dan worden de armen naar achter gezwaaid en springt het kind naar voren. Er is geen sprake van een harmonieuze, ritmische samenwerking. Het vloeiende samenspel van de verschillende lichaamsdelen ontbreekt, net als het gebruik van het momentum. Ook maken kinderen met autisme niet goed gebruik van de afzet. Bij een aanloopje stoppen ze op het moment dat de sprong moet worden ingezet waardoor snelheid en kracht verloren gaan. In hun eindconclusie onderstrepen de onderzoekers het belang van een bewegingstraining voor kinderen met autisme.

Een goede sprong verlengt het zweefmoment. Het zweefmoment is het moment waarop het lichaam loskomt van de vloer. Zweven is vanzelf in de lucht blijven hangen. Zweven is drijven op lucht. Zweven is een ‘soort rust die in permanente beweging is’ . Zweven is het dode moment tussen de sprong (de afzet) en de val (het landen). Zweven is rust in beweging.

Door te zweven ontstaat een tussenruimte, een tijdelijke sfeer waarbij het kind loskomt en zich gelijktijdig verbindt met de omgeving. Volgens Sloterdijk zijn mensen eigenlijk zweefmensen: mensen zweven in een sfeer, in een met elkaar gedeelde ruimte. ‘Het zweven in elkaar, met elkaar, het opgenomen zijn in een tussen, in een bel, een bol, een kogel, een globe of in het schuimt, vormt zijn uitgangspunt’ .

Kinderen zweven in een sfeer, in elkaar, met anderen. Dit doen ze al voor de geboorte, in de buik van de moeder bevinden ze zich in de directe sfeer van de ander – de ander die overigens nog niet los wordt gezien van het zelf. Het zweven markeert de beweging waarbij het kind een (binnen) ruimte met de betekenisvolle ander deelt.

Opvoeden zo zouden we hier kunnen stellen is dus eigenlijk niets meer en niets minder dan het kind leren goed te zweven.

In de hedendaagse cognitiewetenschappen wordt in dit verband ook wel gesproken van deelnemend zin-geven (De Jaegher en Di Paoli, 2007): doordat we met elkaar in een sfeer zweven ontstaat er een gedeelde zingeving. In deze gezamenlijke zingeving staat het lichaam centraal. Betekenissen ontstaan doordat het het lichaam uitstaat naar de wereld, erin ekisteert. De Jaegher en Di Paolo nemen de enactieve benadering als uitgangspunt . De enactieve benadering is van mening dat de Westerse wetenschap tekort schiet in het begrijpen van de subjectieve ervaring. Het boeddhisme en de fenomenologie bieden volgens hen betere ingangen. Het centrale uitgangspunt van de enactieve benadering is dat het denken niet ins ons hoofd weggestopt zich toont in onze perceptuele betrokkenheid en handelingsgerichtheid naar de wereld. Denken is dus een lichamelijke activiteit die gesitueerd en contextgebonden is.

Hanne De Jaegher, een Belgse cognitiewetenschapper, spreekt van goesting. Goesting is volgens haar de meer lijfelijke, ruwe en aardse vorm van ergens naar verlangen. Goesting is trek, een soort levenshonger, een lijfelijk verlangen dat gericht is op zelfbehoud. Het is die levenshonger die ons bestaan zin en richting geeft. Bij pasgeboren baby’s is die levenshonger niet alleen zichtbaar in het continue zoeken naar de borst, maar ook in het zoeken naar warmte en geborgenheid. Het pasgeboren kind is vanaf de geboorte gericht op lichamelijke nabijheid en het delen van betekenissen met de ander.

Zin-geving komt voort uit de levenshonger. De dingen krijgen betekenis doordat ze goed of slecht zijn voor ons voortbestaan. Het zelf-behoud en de zelf-organisatie zorgen ervoor dat we richting zoekende wezens zijn die zich om te kunnen voortbestaan tot hun omgeving moeten verhouden. Zin-geving ontstaat in de interactie met de ander en de omgeving. In die sociale interactie staat het handelingsgerichte centraal. De gezamenlijke zingeving vormt zich in de ritmische coördinatie van gebaren, uitdrukkingen (mimiek) en bewegingen tussen ik en de ander. De ritmische afstemming van twee of meer organismen wordt ook wel interactionele synchronie genoemd.

Het fenomeen is voor het eerst door Christiaan Huygens (1629-1695) beschreven, een wis-, sterren- en natuurkundige en daarnaast uitvinder. Hij ontdekte dat slingerwerken die op een bepaalde afstand van elkaar hingen op een gegeven moment in hetzelfde ritme terecht kwamen. Dit ondanks het gegeven dat de uurwerken in een ander ritme begonnen.

Wat blijkt? Alle levende systemen volgen ditzelfde principe. Onderzoek aan de University of Illinois (UI) en Northwestern University (NW) laat zien dat microbolletjes die dansen op de muziek van een ritmisch bewegend magnetisch veld steeds meer hun bewegingen op elkaar gaan afstemmen en hun bewegingen synchroniseren totdat er ingewikkelde, complexe patronen ontstaan.

Zij zijn niet de enigen: pasgeboren baby’s doen het ook. Lang voordat zij kunnen praten, bewegen baby’s in harmonie met hun primaire verzorgers. Deze ritmische afstemming vormt de meest primaire vorm van communicatie. Het is een bijzonder complexe vorm van (belichaamd) communiceren en niet alle kinderen krijgen dat zomaar onder de knie. Kinderen met autisme vinden het bijvoorbeeld moeilijk om een gezamenlijk ritme met de ander en de omgeving te vinden.

Ralph Savarese vertelt in zijn boek ‘Reasonable People: A Memoir of Autism and Adoption’ over zijn autistische zoon die hij op zesjarige leeftijd adopteerde. Hij bouwde een indoor trampoline in zijn huis. Zijn zoon die tot op dat moment niet sprak, begon dat wel te doen op de trampoline. De trampoline werd een ritmische machine die taal met het lichaam verbond. Door het natuurlijke zweefmoment te verlengen – of in andere woorden het vergroten van de tussenruimte – was zijn autistische zoon in staat om beweging aan taal te verbinden. Door de ritmische herhaling (springen, zweven, landen, springen, zweven, landen) werd de taal letterlijk in zijn lichaam geschreven.

In een email schrijft hij daarover het volgende:

When I adopted my son from foster care at the age of six (he had been sadistically abused), I built an indoor trampoline house where the trampoline was level with the floor. My wife and I strung words around the netted enclosure and quickly found that the trampoline acted as a kind of rhythmic taxi, delivering a regular beat and lots of proprioceptive feedback. Stationary, my son could not learn much of anything, but on the move…well, it made all the difference.

Het is de beweging die het taalsysteem in werking zet. Door het zweven ontstaat er een tussenruimte waarbinnen communicatie mogelijk wordt.

Nogmaals: zweven is een ‘rust die in permanente beweging is’. De trampoline uit het bovenstaande voorbeeld verlengt niet alleen het zweefmoment maar voegt daar ook herhaling/ritme aan toe: twee ingrediënten die essentieel zijn om het gezamenlijke zin-gevingsproces tot stand te laten komen. De gedachte hierachter is dat ritmische structuren zich via de motoriek verbinden met andere hersengebieden waar waarneming, taal en emotie huizen. Ritme activeert taal en maakt communicatie met de ander mogelijk. Als jij praat, ben ik even stil. Als ik praat, ben jij even stil. De stiltes tussen het praten zijn als de stiltes in een muziekstuk: ze verbinden en onderscheiden. Er gebeurt heel veel in die stilte.

Door middel van ritmische coördinatie ontstaat een gedeeld betekenissysteem. In de communicatie coördineren we perceptie-actie sequenties: degene die luistert beweegt mee met degene die praat en vice versa. De twee bewegingssystemen worden aan elkaar gekoppeld en beide deelnemers passen snelheid, richting en intonatie van de bewegingen aan elkaar aan. Ofwel: de lichamen resoneren met elkaar middels een ritmische co-variatie van bewegingen, gebaren, lichaamsexpressies en vocale expressies.

Overigens gaat het bij ritmische coördinatie niet om perfecte (ritmische) synchronisatie. Sterker nog, baby’s vanaf 3 maanden laten een voorkeur zien voor kleine afwijkingen en variaties in dit synchronisatie-proces. Bovendien synchroniseren we niet de hele tijd: episodes van ritmische afstemming worden afgewisseld met periodes waarin individuele ritmes uiteen lopen en er weer naar een gezamenlijk ritme wordt gezocht.

De interactie overstijgt het individuele. Door de ritmische coördinatie ontstaat er een betekenisruimte die veel meer is dan de optelsom van twee individuen. De interactie zelf duwt de zingeving in onverwachte richtingen. Wanneer twee individuen met elkaar interacteren dan ontstaat er in die tussenruimte een nieuwe dynamiek. Het is dit dynamische contactpunt dat als een derde autonome speler de zingeving beïnvloedt. Een goed voorbeeld is de tango. Door middel van messcherp voetenwerk bewegen de dansers razendsnel om elkaar heen. Tango – tangere- betekent in het Latijn ‘aanraken’. De dynamiek ontstaat in de tussenruimte waarbij de lichamen zich naar dit contactpunt (de aanraking) toe bewegen.

We stemmen ons gedrag ritmisch op de ander af. Met elkaar praten, de liefde bedrijven, elkaar troosten of met elkaar vechten, we doen het op een ritmische manier. Wanneer we naast elkaar lopen, stemmen we ons loopritme spontaan op elkaar af. Na het zien van een voorstelling synchroniseren de toeschouwers als vanzelf het geklap van hun handen. Kinderen die samen op de schommel zitten, zullen geleidelijk aan hun swingbeweging in harmonie met elkaar brengen. In een gesprek nemen we houding en non-verbaal gedrag van elkaar over. Kruist iemand zijn benen in een gesprek of raakt hij zijn eigen gezicht aan met de hand, dan is de kans groot dat de luisteraar dit gedrag zal overnemen .

We synchroniseren niet alleen bewegingen met elkaar, ook interne fysiologische processen worden in de interactie op elkaar afgestemd. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat baby’s en moeders hun hartritme op elkaar afstemmen. Dit synchroniseren vindt plaats als gevolg van aanraking maar ook door de uitwisseling van vocalisaties, gebaren en expressieve bewegingen. Door het sociale contact ontstaat er een bio-gedragsmatige synchronie tussen moeder en baby. Hetzelfde zien we bij geliefden. In een onderzoek van Ferrer werden 32 heteroseksuele koppels gevraagd om in een ruimte tegenover elkaar plaats te nemen. De geliefden spraken niet en raakten elkaar niet aan. De koppels bleken hun hartritme en ademhaling op elkaar aan te passen. Toen de koppels uit elkaar werden gehaald en tegenover een andere geliefde werden geplaatst, verdween de synchronisatie. Een dergelijke synchronisatie is niet alleen voorbehouden aan geliefden of de moeder-kind interactie. Ook bij een activiteit zoals zingen in een koor wordt de hartslag tussen de koorzangers gesynchroniseerd Het hartritme van de koorzangers stijgt en daalt op hetzelfde moment als gevolg van gecoördineerde ademhaling.

Interpersoonlijke synchronie omvat zowel het imiteren van elkaars gedrag als ook het afstemmen van elkaars gedrag in een gedeelde actie . We botsen niet tegen elkaar op in een drukke winkelstraat omdat we onbewust anticiperen op het loopgedrag van anderen en daar ons eigen loopgedrag op aanpassen. Maar ook in acties waarin we met elkaar moeten samenwerken is er sprake van ritmische coördinatie. Wanneer bijvoorbeeld twee bouwvakkers een zware wasmachine naar de vierde verdieping van een oud grachtenpandje moeten sjouwen, dan hebben zij ieder een andere rol maar moeten ze hun handelingen wel coördineren om de actie te doen slagen.

Mijn vader vertelde me een tijd terug hoe hij vroeger samen met zijn vader en oudste broer het graan dorste. Aanleiding was een aankondiging ‘Effe noar Geffen’ langs de snelweg tussen Den Bosch en Oss. ‘Effe noar Geffen’ is een jaarlijks terugkerend feest dat het boerenleven van vroeger op traditionele wijze viert. Ik ben geboren en getogen in Oss en veel van mijn familie woont er nog. Mijn moeder komt uit een arbeidersgezin, mijn vader uit een boerengezin. In de auto op weg naar Oss dreven we de spot met het boerenfeest in Geffen. Met een slecht Brabants accent deden we de boeren na en en we concludeerden al snel dat het feest vast vooral een zuipfeest zou zijn. Bij mijn ouderlijk huis aangekomen ging ik er op door. ‘Hoeveel mensen komen eigenlijk naar dat feest?’ vroeg ik. ‘Zo’n 40.000 mensen’ schatte mijn vader. ‘Wat kun je er doen?’. ‘Oh van alles, schapen scheren, mandenvlechten, kaas maken, graan dorsen’, was het antwoord. “Wat is dat precies, graan dorsen?’ vroeg ik. ‘Het los knuppelen van de graankorrels uit de aren’. Aha. Mijn vader vertelde verder. Hij had het vroeger veel gedaan in de winter, samen met zijn oudste broer en zijn vader. Ze gebruikten daarvoor een handgemaakte houten knuppel, de vlegel, die met riempjes draaibaar aan een stok was bevestigd. De graanhalmen werden in twee rijen op de dorsvloer gelegd, met de aren over elkaar. Met drie man werd ‘het bed’ gedorst. Dit gebeurde door met de vlegel om de beurt ritmisch op de aren te slaan: dat laatste kwam nogal nauw want het was vooral zaak elkaar niet te raken. In een drieslag volgden zij elkaar in een ritmisch tempo op. Vervolgens werd het bed gekeerd en werd het ritmische slaan herhaald. Tot slot werden de graankorrels met een tweetandige hooivork uit de halmen geschud en bij elkaar geveegd, schoon gemaakt en opgeslagen.

De ritmische samenwerking bij het bewerken van voedsel of voedingsstoffen zien we in verschillende culturen terug. In Afrika bijvoorbeeld wordt het maïs op een vergelijkbare ritmische manier fijn gestampt. Eerst worden de buitenste velletjes van de maïs afgehaald, waarna de maïs samen met een beetje water in een grote stenen vijzel worden gekieperd. In tweetallen wordt het maïs met een pilon geplet, terwijl de vrouwen hun slagen ritmisch afwisselen.

Interpersoonlijke synchronie versterkt het gevoel van sociale verbondenheid. Wanneer twee mensen samen mee tikken met een metronoom dan versterkt dit het gevoel van affiniteit . Andersom geldt het ook. Wanneer mensen een lastige samenwerkingsopdracht krijgen waardoor de interactie minder vloeiend en ritmisch verloopt, dan zullen ze minder positieve en vriendelijke gevoelens naar elkaar toe hebben.

De achterliggende gedachte is dat we ons gedrag en onze handelingen voortdurend, en meestal ook onbewust, op de omgeving afstemmen. We zijn geen geïsoleerde wezens maar vormen dynamische systemen met de ander en met de wereld om ons heen. Vanzelfsprekend maakt het kind ook onderdeel uit van deze dynamische systemen. Het vermogen om te synchroniseren met de omgeving is aangeboren . Ons interne ritmische systeem brengen we voortdurend in balans met het externe ritmische systeem.

Het interne ritmische systeem omvat een groot aantal biologische processen die volgens een bepaald ritme en in een bepaalde cyclus verlopen. Dit wordt ook wel de biologische klok genoemd. De innerlijk biologische klok loopt vrijwel synchroon met de externe klok van het draaien van de aarde en de dag en nacht cyclus. Elke cel in ons lichaam heeft een eigen klok/ritme en de grote master klok bevindt zich in de hypothalamus. De hersenklok wordt door licht gesynchroniseerd met het dag en nacht ritme. Lichaamstemperatuur, hartritme, de afscheiding van hormonen, bloeddruk, slaappatroon maar ook de behoefte aan eten en drinken kennen een circadiaans ritme.

Ook dieren en planten beschikken over een interne biologisch ritme dat middels licht wordt gesynchroniseerd met de externe klok. Het groeien, bloeien en voortplanten is afhankelijk van deze biologische klok. De Grieken in de oudheid ontdekten al dat de bladeren van de tamarindeboom elke 24 uur eenzelfde beweging vertoonden. In de 18de eeuw was het de Franse onderzoeker Jean-Jacques d’Ortous de Mairan die een verband zag tussen de rotatie van de aarde en de beweging van de bladeren van de mimosa plant. Overdag richtten de bladeren zich op terwijl de bladeren s’nachts naar beneden hingen. Toen Mairan de plant in een kast zette, liet de plant hetzelfde patroon zien. Mairan concludeerde dat de plant een eigen biologische klok had. Chronobioloog Martha Merrow deed een vergelijkbaar onderzoek, ditmaal naar de groeiactiviteit van schimmels (de neurospora crassa). Onder invloed van het daglicht vormt de schimmel iedere 24 uur sporen. Wanneer de schimmel echter wordt afgesloten van de buitenwereld en geen verschil meer ervaart in licht en donker, dan gaat de 24uurs cyclus terug naar 22 uur. De interne biologische klok wordt middels het daglicht met de externe klok gesynchroniseerd. Wanneer organismen voortdurend in het donker worden gehouden dan ontspoort het eigen ritme iets waardoor een net afwijkend patroon ontstaat.

Inmiddels heeft de chronobiologie flinke stappen gezet: er zijn klokgenen gevonden die invloed hebben op het interne, biologische ritme van organismen. Martha Merrow trekt deze gedachte door naar het menselijke lichaam: volgens haar lijkt het erop dat alle menselijke organen in een gezamenlijk ritme functioneren.

Terug naar de slingerklokken in het experiment van Christiaan Huygens. De klokken gaan in elkaars nabijheid op een gegeven moment gelijktijdig lopen. Door de fysieke verbinding tussen de slingers ontstaan trillingen waarmee energie van de ene klok naar de andere wordt over gezet. Het systeem zoekt naar een optimaal bewegingssysteem waardoor het energieverbruik vermindert. Het menselijk lichaam doet dat ook. De interne systemen van het lichaam synchroniseren met elkaar af zodat het energieverbruik minimaal is. In die zin kan het lichaam ook wel als een ritmisch orkest worden opgevat. Het lichaam kent supersnelle ritmes (zoals zenuwontlading) en lange termijn ritmes –met name die laatste helpen bij het anticiperen op veranderingen in de omgeving die op hun beurt onder invloed staan van de bewegingen van aarde en zon. De verschillende biologische ritmes staan in verbinding met elkaar door middel van een intern tijdnetwerk.

De biologische ritmes reguleren het lichaam en dragen daarmee bij aan onze gezondheid. Het donker en licht worden (de 24 uur cyclus) reguleert ons slaappatroon en heeft ook effect op groei en het circadiaanse ritme. Het ochtendlicht zet enerzijds een aantal hormonale reacties in werking die de neiging tot slapen verminderen en afgifte van groeihormonen en melatonine terugbrengen, anderzijds neemt hartfrequentie toe en worden andere hormonen (die het lichaam activeren) afgegeven. Onderzoek laat zien dat peuters die werden blootgesteld aan een lichtcyclusprogramma beter groeiden dan peuters die voortdurend werden blootgesteld aan schemerlicht of fel licht.

De hartslag is een ritmische cyclus van ons lichaam die we van buitenaf kunnen horen en voelen. De hartslag staat echter niet op zichzelf maar wordt gesynchroniseerd met andere cycli zoals ademhaling, bloeddruk en het ritme van de perifere bloedsomloop. De ritmische cycli staan op hun beurt in verband met ons emotioneel welzijn en de mate van stress/spanning die we ervaren. Is het lichaam ontspannen, en in rust, dan is de afstemming tussen de ritmische cycli optimaal (wat leidt tot verminderd energieverbruik). Echter, bij spanning, druk of stress vindt er geen afstemming plaats waardoor we veel meer metabole energie verbruiken. Net als bij de klokken van Huygens zorgt de synchronisatie voor het minste energie verbruik. Lukt het niet om onze interne systemen te synchroniseren, bijvoorbeeld als gevolg van stress en spanning, dan kost dit ons flink wat energie.

Er zijn dus interne biologische ritmes en externe biologische ritmes en onder invloed van het licht worden het interne ritme op het externe ritme afgestemd. Naast het 24 uur ritme zijn er ook maandelijkse ritmes (zoals menstruatie), seizoens- en jaar ritmes zoals de afgifte van insuline, progesteron/oestrogeen die in de zomer hoger is dan in de winter terwijl de afgifte van melatonine in de zomer lager is dan in de winter.

Vanaf de geboorte, maar ook al daarvoor, spelen biologische ritmes een rol in de ontwikkeling van het kind. Zo ontwikkelt het embryo zich ritmisch: middels een segmentatieklok wordt iedere 90 minuten een signaal uit gezonden die de vorming van de wervels in werking zetten. De geboorte zelf is ritmisch: door middel van baarmoedercontracties wordt de bevalling ingeleid. Moeder en baby synchroniseren hun hartritmes met behulp van oogcontact, vocalisaties en affect regulatie.

In de buik ontwikkelt het ongeboren kind vanaf de zesde maand een slaap/waakritme. Dit ritme verschilt echter van het onze: de baby slaapt wanneer de moeder druk in de weer is en is in de nacht vaak wakker en bewegelijk. Pasgeboren kinderen slapen nog erg veel, gemiddeld 14 tot 18 uur per dag, waarbij ze tussendoor maximaal een uur wakker zijn. Baby’s herkennen het verschil tussen dag en nachtlicht niet omdat bij hen de biologische klok nog niet geheel volgroeid is. Rond 3 maanden zijn de belangrijkste biologische ritmes aanwezig. Vanaf 4 maanden gaat de baby geleidelijk aan het dag- en nachtritme aannemen.

Naast het biologische ritme is er ook sprake van een sociaal ritme. Dit sociaal ritme bevat niet alleen de interpersoonlijke synchronisatie die ik hierboven beschreven heb maar ook de activiteiten die over de dag heen een min of meer regelmatig patroon vertonen. Ons lichaam vaart wel bij structuur en regelmaat – iets wat dokter Spock in de vorige eeuw al had opgemerkt met zijn alom bekende adagio van rust, reinheid en regelmaat.

Onder sociaal ritme versta ik ook het anticiperen op het ritme van anderen in een bredere sociale context. Dit anticiperen heeft als doel om het eigen ritme adequaat op het ritme van de ander kunnen afstemmen. Fietsen in het centrum van Amsterdam is daar een goed voorbeeld van. Meer dan 20 jaar geleden verhuisde ik van Nijmegen naar Amsterdam. Er waren twee dingen waar ik vreselijk aan moest wennen: de norsheid van de mensen op straat en het verkeer. Rondom mijn huis, waar ik nu nog steeds woon, bevinden zich diverse ingewikkelde verkeerspunten. De Overtoom, de Kinkerstaat, de Constantijn Huygensstraat: ze doen qua chaos voor niet elkaar onder. Als gevolg daarvan wordt het ritme van het verkeer slechts ten dele bepaald door de verkeersregels en dien je vooral op eigen kompas te varen. Ik ontdekte al snel de subtiele en ongeschreven regels die het ritme van het Amsterdamse verkeer dirigeerden. Wanneer je bijvoorbeeld haast hebt en snel wil oversteken met de fiets, kijk je snel even naar de ander, dat doe je volstrekt onopvallend, zonder te glimlachen, zonder oogcontact, en hup, dan manoeuvreer je snel je fiets voor die ander. Het gaat er namelijk niet om dat jij de ander hebt gezien maar dat de ander jou heeft gezien zodat hij kan remmen wanneer jij voorbij scheurt. Een ander ding: de absolute noodzakelijkheid van een bel. Waar je in andere delen van het land de bel zo min mogelijk gebruikt, is de bel in het Amsterdamse verkeer een cruciaal communicatiemiddel. Ik kom eraan dus graag even opzij gaan, zo luidt de boodschap van de bel. Nog een ding: aarzel niet. Iedere aarzeling wordt gezien als een zwakte en wordt afgestraft met een razendsnelle reactie van de ander. Wees duidelijk ten alle tijden, ook als je alle verkeersregels aan je laars lapt. Anticiperen en razendsnel reageren, niet teveel met de ander bezig zijn en een zeker egoïsme is noodzakelijk om je tot het verkeer in Amsterdam te kunnen verhouden.

In mijn geval botste het ritme van de grote stad met het ritme van een klein universiteitsstadje. Het heeft me jaren gekost om het eigen gevoelde ritme in evenwicht te brengen met het flitsende verkeersritme van een wereldstad. Nog steeds gaat het me niet goed af.

Een ander voorbeeld: een paar jaar terug vond ik dat het tijd was voor een hobby. Ik was teveel in mijn hoofd bezig, dacht teveel na, dat vond ik althans en wilde wat meer met mijn lijf doen. Dansen, daar was ik inmiddels te oud voor, en meer dan een slechte amateur zou ik nooit meer worden. Iets anders dus. Een sport misschien. Voor hockey had ik totaal geen aanleg, noch voor voetbal, badminton deed mijn man al, dus waarom geen tennis? Tennis kan je nog op hoge leeftijd doen, dus dat leek me heel geschikt. Ik had nog nooit een tennis racket in mijn hand gehouden toen ik naar mijn eerste les ging in het Vondelpark. Met een rode trainingsbroek, oude gympen, en een geleend tennisracket ging ik op pad. Ik had me op gegeven voor een beginnerscursus, samen met 4 anderen, want individueel was onbetaalbaar. De vier anderen bleken allemaal tenniservaring te hebben. Ze hadden zich voor de les opgegeven om hun techniek op te frissen. Fijn, zou ik weer het kneusje van de groep zijn.

Mijn eerste les. Plok, plok, plok. De bal stuiterde over de tennisbaan. Al snel ontdekte ik dat je aan het geluid van de bal kunt horen of je slag goed is. Niet dof en ingezakt, maar helder, zingend bijna. Plok.

Mijn tweede les. Mijn derde les. Mijn vierde les. Het ging me niet al te best af. Ik besloot me te concentreren op het geluid van de bal. Als ik mijn lichaam ritmisch kon verbinden met het geluid van de bal dat op het gravel kaatst, dan zou de flow als vanzelf komen. Ik focuste me op het geluid, en verrek, het leek warempel alsof mijn lichaam beter aanvoelde waar het moest zijn en wat het moest doen. (Het is natuurlijk maar de vraag of mijn techniek werkelijk verbeterde. Voor mijn gevoel ging het beter. Als er al een verbetering te zien was dan is het nog maar de vraag of dit aan mijn zelfverzonnen ritmische oefening te wijten was. Evengoed kan het de mentale focus zijn geweest die positief doorwerkte op mijn techniek.)

Toch kon ik de gedachte van het ritmisch invoelen van de bewegingen van de tennisbal (en daarmee van mijn tegenspeler) niet meer zo gemakkelijk van mij afzetten. Het ging mij daarbij niet zozeer om het gehoorde ritme, maar om het door het lichaam ervaren en gevoelde ritme.

De achterliggende gedachte is als volgt: Wanneer we in staat zijn om een extern ritme (in dit geval de tennisbal) intern te voelen, dan lukt het ook beter om ons lichaam naar dat ritme toe te brengen. In mijn werk met kinderen met autisme begon ik steeds meer met ritme te werken. Zou het zo kunnen zijn dat kinderen met autisme meer moeite hebben met het afstemmen van het eigen, innerlijk gevoelde ritme met het ritme van de wereld? Onderzoek bij een 8 jarige jongen met autisme op de Roozendaalschool bevestigde die gedachte. Door middel van micro-analyse bracht ik de interactie tussen de dansdocente en de jongen uitvoerig in kaart. Ja, de jongen had zichtbaar moeite met ritme maar hij was niet de enige. Ook de kinderen die niet autistisch waren maar wel een taalstoornis hadden, lieten problemen met ritmische synchronisatie zien. Wat mij vooral opviel was een reeks van merkwaardige gedragingen van de jongen voorafgaand aan de warming-up. Waar alle kinderen rustig stonden te wachten tot de dansdocent zich bij de kring aansloot, observeerde ik een willekeur van vreemde gedragingen bij de autistische jongen zoals het verkrampte balanceren op 1 been met gebalde vuisten bijvoorbeeld, de opgetrokken schouders, het omdraaien en laten zien van de billen. Ik kon er maar niet achter komen waarom hij dat deed. Tot ik plotsklaps een aantal bewegingen herkende: het verkrampte balanceren leek te maken te hebben met de standbeeldoefening, de opgetrokken schouders en de billen waren uit de warming-up afkomstig. Waar de andere kinderen aan het wachten waren op de juf, daar was de autistische jongen zich aan het voorbereiden op de les. Hij anticipeerde op wat er zo dadelijk zou komen. Hij deed dit echter niet adequaat. Door zo vroeg al op komende activiteiten te anticiperen bevond hij zich niet in het hier en nu, zijn aandacht en concentratie waren elders, waardoor hij bij iedere oefening vaak net te laat begon en als gevolg daarvan achter de feiten aan liep. Noodgedwongen moest hij dan soms versnellen, heel even hervond hij het ritme van de groep tot hij weer afgeleid werd door iets in hem (een tic, een gevoelde impuls) of iets buiten hem (de klok, een muziekinstrument, het raam).

Communicatie is in feite niets meer dan de afstemming van het eigen ritme op het ritme van de ander. Hetzelfde geldt voor leren: leren ontstaat wanneer ritmische en herhaalbare verbanden worden gelegd tussen wat zich in het kind bevindt en wat zich daarbuiten bevindt.

Niet verbazingwekkend pleit ik daarom voor meer aandacht in de opvoeding en onderwijs voor het ritmische aspect. Ik denk niet alleen aan de gymles. Ik denk ook aan de ritmische structuur van de dag, van de les, van de week en van het schooljaar. Overigens ben ik daarin niet de enige want onderwijsvernieuwers zoals Peter Petersen (Jenaplan onderwijs) met het ritmisch weekplan zijn mij al voor gegaan.

Ik denk vooral aan de ritmische belichaamde ervaring waarbij ritme niet alleen gedacht, gezien of gehoord maar vooral gevoeld wordt. In alle aspecten van het leren en het pedagogisch handelen dient wat mij betreft meer aandacht te zijn voor ritme. Ofwel, in mijn optiek dient elke leeractiviteit een ritmische onderlegger te hebben. Ritmische verbindingen dienen gelegd te worden tussen de motoriek aan de ene kant en taal, emotie en waarneming aan de andere kant.

Ritmisch leren dus. Een voorbeeld. Jet Nijhuis is juf op een vrije school. Zij leert de kinderen rekenen door middel van getallengymnastiek. Ze schrijft: ‘Voor een lagere schoolkind is rekenen beleven. En beleven doe je met je gevoel. Het optellen begint bij jezelf en je voelt dat je de ruimte in gaat, steeds verder bij je zelf vandaan. Het ontelbare ligt achter de sterren, ver voor je uit. De vermenigvuldigingen gaan met sprongen bij je vandaan. Met hazensprongetjes of met zevenmijlslaarzen springt de keersom uit je weg. Bij het aftrekken komen de getallen weer naar je toe en bij het delen staan ze plotsklaps weer dichtbij. Het ritmische aspect van rekenen verwoordt Nijhuis als volgt: ‘Rekenen is bewegen langs de getallenlijn. Vooruit bij optellen en vermenigvuldigen, achteruit bij aftrekken en delen. Het is getallengymnastiek. En rekenen leren doe je dan ook, net als bij gymnastiek, met je hele lijf. Je loopt vooruit, achteruit, je springt, hinkelt, klapt, stampt. Je loopt de tafel van drie. 1-2-3, kort-kort-lang. Je gooit de bal van je linker naar je rechterhand, over je linkerschouder, vangt de bal op met beide handen op je rug en terug naar voren, terwijl je telt 1-2-3-4. Dit herhaal je. Probeer het maar eens en je hebt de tafel van 4’.

Bovenstaand voorbeeld laat zien hoe rekenen eigenlijk ritmische getallengymnastiek is. Maar de verwevenheid tussen ritme, lezen, schrijven, rekenen (en noem maar op) reikt veel verder. Een paar voorbeelden. Wanneer we luisteren naar gesproken taal, dan is er een interne metronoom die de klanken ritmisch ordent. In poëzie wordt die ritmische ordening nog sterker zichtbaar. Denk bijvoorbeeld aan een haiku die bestaat uit drie regels van 5-7-5 lettergrepen. Door middel van ritme en klank wordt de gevoelswaarde van de haiku versterkt. Ook een verhaal kent een ritme. Volgens Thomas Verborgt vormt zich een verhaal door ‘het ritme van zinnen, passages en personages – de afwisseling van rust en handeling, van snelheid en traagheid.’ D.H. Lawrence ziet een verhaal zelfs als ‘een levend ritme’, de spanning van het verhaal ontvouwt zich via het gevoelde ritme van de geschreven tekst. Vloeiend hardop lezen is een ritmische activiteit. Getallen gedragen zich trouwens ook ritmisch, hoewel wiskundigen er bij priemgetallen nog niet helemaal uit zijn. Het leren van de tafels vereist ritmisch opzeggen: door herhaling (ook ritme!) worden de tafels letterlijk in het lichaam geschreven en op die manier verinnerlijkt.

Tja, en dan heb ik nog niks gezegd over de ritmische dag- en weekindeling of de ritmische afwisseling tussen verschillende activiteiten op school. Ook heb ik niks gezegd over de verstoring in het circadiaans slaap-waakritme van adolescenten waardoor hun interne ritme niet goed samengaat met de gangbare schooltijden.

Er valt dus nog veel te ontdekken en te experimenteren. Dat experiment moet wat mij betreft verder reiken dan het aanbieden van een muziekles op school (iets wat overigens een prima start is). Het opvoeden zou ritme als grondactiviteit en uitgangspunt van het leren moeten nemen. Zowel op school als thuis.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *