Dier en Kind

0 Comment

Wat wil je later worden? is een vraag die menig volwassene aan een kind stelt. Zo ook ik. Nu mijn kinderen inmiddels 12 en 14 jaar oud zijn, probeer ik me voor te stellen wat zij later zouden willen gaan doen. Toch vraag ik niet aan hen: ‘Wat wil je later gaan doen?’ Nee, ik vraag: Wat wil je later worden? Een dergelijke vraag vooronderstelt dat het kind straks iets gaat worden dat hij nu nog niet is. Een beetje vergelijkbaar met een rups die zich ontpopt tot een vlinder.

Ik vroeg het aan mijn destijds driejarige dochter. Wat wil je later worden? Mijn dochter dacht even na en zei toen: ‘Ik wil later een vis worden’. Ik grinnikte maar mijn dochter was volstrekt serieus.  Veel mogelijkheden kwamen in mij op – kok, in een winkel werken, kassajuffrouw, chemicus, laboratorium assistent – maar het dier worden zat er niet bij.  Waar ik dacht aan beroepen, daar dacht mijn dochter in veel bredere zin na over ‘het worden’. Het idee om een vis te worden was niet eenmalig. Iedere keer als ik ernaar vroeg, kreeg ik hetzelfde antwoord. ‘Ik wil graag een vis worden’. Het duurde een hele tijd voor mijn dochter begreep dat ik eigenlijk niet vroeg naar wat ze wilde worden maar naar wat ze later in haar werkende leven wilde gaan doen. Het vis worden werd vervangen door het kassajuffrouw worden of nog liever, later een eigen restaurantje beginnen, ergens in de rimboe, op een afgelegen boerderij, samen met haar beste vriendin Lune.

Het is een mooi idee. Vis worden: in het water zwemmen, de golven voelen, je mee laten voeren door de stroom. Ik zou ook wel een vis willen worden, een dolfijn bijvoorbeeld, maar een stokstaartje lijkt me ook wel wat. Met worden bedoel ik hier overigens niet het letterlijk transformeren van mens naar vis. (Benen die verdwijnen, een staart die zich vormt, de huid die schubben krijgt, kieuwen zie zich vlakbij de oren vormen, dat soort dingen). Het gaat er niet om dat je op een vis gaat lijken of dat je een vis gaat imiteren. Door een vissenpak aan te trekken, wordt je geen vis.  Een dergelijke manier van denken vooronderstelt volgens het filosofen duo Deleuze en Guattari dat mens en dier vaste identiteiten hebben en dat we onze eigen identiteit moeten opheffen om een andere identiteit te worden. Echter, mens en dier staan niet tegenover elkaar, het zijn geen eindpunten: waar het omgaat zijn de gebeurtenissen en processen die er tussenin plaatsvinden. ‘Het gaat om de bereidheid om je te laten raken door gebeurtenissen in jezelf en in het dier’[1]

Kinderen hebben een complexe en veelzijdige relatie tot het dier. Het begint eigenlijk direct al bij de geboorte. De eerste knuffel: een teddy beer. Een schattig bruin diertje, met ronde oren, een grappig neusje, vaak ook met een leuk T-shirtje aan.  Beren zijn in het echt nauwelijks schattig te noemen en de pluche teddybeer lijkt in de verste verte niet op het dier waar het zijn naam aan ontleent. De teddybeer is echter niet het enige knuffeldier dat het kind trouw vergezelt. Mijn dochter Lisa heeft een indrukwekkende verzameling van knuffels aangelegd: haar meest dierbare knuffels liggen in bed, de iets minder dierbare knuffels in het raam en de vergeten knuffels liggen in bakken onder het bed en bovenop de kast. Mijn zoon Luuk – 14 jaar- heeft zijn verzameling knuffels gereduceerd tot drie. Het drietal (grote beer, Winnie en Yoshi) mag het bed niet verlaten vanwege groeiende schaamte voor het hebben van knuffels terwijl de knuffels van Lisa nog overal mee naartoe gesjouwd worden, naar beneden bijvoorbeeld, maar ook op schoolreisje of op vakantie. Daar gaat altijd een flinke onderhandeling aan vooraf: maximaal tien knuffels mogen mee en dat aantal probeer ik iederjaar naar beneden te krijgen.

Bijna alle knuffels hebben een dierlijke gedaante. Ik weet niet goed waarom dat is, een check op internet levert niet veel op. Er zijn wel veel sites te vinden die het belang van knuffels benadrukken: volgens Rita Kohnstamm is de knuffel er altijd, het is een surrogaat voor de afwezige ouder (bijv. wanneer het kind s ‘nachts alleen in bed ligt). Een knuffel zou bovendien de eerste voorbode zijn voor de hechting met andere figuren dan de vader of moeder. Verbeelding speelt ook een rol: de knuffel kan super krachten hebben, kan een held zijn, een redder in nood.

Maar waarom zijn er vooral dierenknuffels? Oké, er zijn ook fantasie knuffels en knuffels in de vorm van planten maar dat soort knuffels vormen meer de uitzondering dan de regel. Ik kan er niet echt een verklaring voor bedenken: veel theorieën wijzen in de hoek van het antropomorfisme, het toedichten van menselijke eigenschappen aan dieren en objecten.

Deleuze en Guattari hebben geenszins interesse in antropomorfisme – het menselijk maken van het(knuffel-) dier omdat zij geïnteresseerd zijn in het worden in plaats van het zijn. Het antropomorfisme doet mijn inziens ook geen recht aan hoe het kind het dier/knuffeldier ervaart. De scheiding tussen mens en dier is helemaal niet zo evident voor het kind. Het kind verhoudt zich met evenveel gemak tot het dierlijke dan tot het menselijke.

Het knuffeldier is een uitvinding van de volwassene – niet van het kind. Een pasgeboren baby zal er niets om geven of er een giraffe, een beer of een kangoeroe in het wiegje ligt. De baby wordt vooral getriggerd door vorm, textuur en geur. Kleur doet er nog niet toe, net als de herkenbaarheid van het knuffeldier. Eigenlijk volstaat een zacht lapje; niet te groot, niet te klein, behapbaar. Dat laatste is niet onbelangrijk want de mond is in die allereerste fase een essentieel zintuiglijk orgaan.

Naast knuffeldieren is de kinderwereld omgeven met ‘echte’ dieren. Kinderen hebben een intense verhouding met het dier: ze staan dichter bij dieren dan volwassenen.

Het kind heeft aan de ene kant de neiging om het dier te vermenselijken door er menselijke trekken aan toe te kennen. Anderzijds kan het kind het dier ook behandelen als iets mechanisch, een levenloos ding. Een spin de pootjes uittrekken, zout op een slak trekken, een worm door midden hakken. Zulke handelingen worden vooral gedreven door nieuwsgierigheid en experiment. Wat gebeurt er met de slak als je er zout op strooit? Kan een spin nog lopen op 3 poten? Een dergelijke handeling is niet meteen wreed te noemen: het wordt wreed wanneer er een wrede intentie aan ten grondslag ligt.

Een voorbeeld uit eigen leven. We zijn in Kreta, in de meivakantie van 2015. We besluiten te gaan kamperen: het is het jaar daarvoor zo goed bevallen (de vrijheid, in de natuur zijn) dat het ons ook wel iets voor Kreta lijkt.  We zijn uitermate slecht voorbereid, komen er pas op het laatste moment achter dat we alleen handbagage in het low budget vliegtuig mogen meenemen. Met flink proppen, waarbij we ernstig bezuinigen op kleren, lukt het ons toch om een tweepersoonstentje, twee opblaasbare matjes, vier slaapzakken, een pan en een kookpitje mee te nemen. Na de eerste nacht weten we dat je niet met vier personen in een tweepersoons tentje kunt slapen en dus kopen we er op Kreta een tentje bij. We kamperen de eerste twee nachten op een verlaten hippie-achtige camping, daarna in het wild en wandelen veel, tot grote afschuw van onze kinderen) Aangezien de meeste campings onder de noemer ‘lelijk en stom’ vallen, zijn we heel wat uurtjes bezig met het vinden van een oké-camping (dat enigszins tegemoet komt aan het romantische beeld dat ik van een camping heb). We belanden in het binnenland en zien op de tomtom een eco-camping staan. Het lijkt ons wel wat. We rijden er zeker vijf keer aan voorbij, de camping is niet vindbaar, tot we een klein pad aan de linkerkant ontdekken. Hoewel we niet van plan zijn om er te kamperen (we willen terug naar de hippie camping), is onze nieuwsgierigheid gewekt en gaan we een kijkje nemen.

De camping ligt prachtig, in het groene binnenland met uitzicht op de besneeuwde bergtoppen. Het is voorjaar en alles staat in bloei. Het is verreweg het beste moment om naar Kreta te gaan. Er is een hek, hmm, mogen we wel naar binnen, het oogt namelijk nogal uitgestorven, ach gewoon maar doen. We kijken van bovenaf op de camping neer en zien zeker twintig witte (indianen-) tentjes op een rijtje staan. Eco-camping? Bij een eco-camping stellen we ons een groen natuurveldje met minimale voorzieningen voor. We lopen door, we zijn de enigen, het is inmiddels duidelijk dat de camping nog gesloten is, de eigenaar blijkt echter wel aanwezig. Hij loopt ons tegemoet, schudt ons vriendelijk de hand, een wat oudere Griekse man die zelf veel gereisd heeft met zijn vrouw. De mooiste plekken van de wereld heeft hij gezien maar de overnachtingen waren vaak onaangenaam (doorgezakte matrassen, veel insecten, op de grond slapen, douches waar geen water uitkomt etc.). Ze wilden de reiziger van een optimale ervaring voorzien: een prachtige natuurlijke omgeving maar wel met comfort. Wij knikken ongemakkelijk. We vinden het zelf niet zo erg om op de grond te slapen: de puntige stenen die in je zij prikken, het om het kwartier wisselen van zij omdat je lichaam verlamd en als een stenen klomp aanvoelt, de harde muziek (uit het eettentje een paar meter van ons vandaan), allemaal onderdeel van de charme vinden wij.

‘Goh, jammer dat de camping nog gesloten is’ zeggen we.

‘Nou’ zegt de oudere man ‘ik maak een uitzondering, jullie zijn welkom om hier een nachtje te slapen’. Hij voegt eraan toe: ‘Ik zag het al meteen, jullie zijn echte eco-kampeerders’. Ik vraag me onmiddellijk af waar hij dat aan kan zien. Ik zie er zelf behoorlijk doorsnee uit en mijn kinderen zijn eerder luidruchtig (en vies) te noemen dan rustig en in harmonie met de natuur. ‘Mogen we hier ook kamperen’ vragen we ‘want dat lijkt ons eigenlijk het leukste’. De oudere man vindt alles prima. Hij geeft ons een rondleiding en laat ons een van de tentjes van binnen zien. Met ingehouden adem nemen we het interieur op: een houten vlonder, 3 bedden (twee eenpersoons en een tweepersoons), een klein badkamertje (douche, wc, wasbak). Wat een luxe. Kwijl druipt uit onze mond. De matrassen zien er heerlijk uit, alles is schoon, de lakens, de kussens, de handdoeken (je moet weten, we hebben iedere dag dezelfde kleren aan, de slaapzakken zitten vol zand, we hebben maar twee handdoeken die we met z’n vieren moeten delen en die zowel voor het zwemmen als het douchen worden gebruikt). Het Walhalla.

‘Uh, hoeveel zou zo’n tent voor een nachtje kosten’ vraag ik voorzichtig. ‘Normaal gesproken 60 Euro, maar we zijn nog niet geopend, 20 Euro is prima’. We aarzelen geen moment. Mijn dochter is verguld: onze hele reis is in haar ogen nogal skeer, armoeiig, dit hier is pas echt vakantie. We installeren ons, gaan pontificaal op bed liggen, alles gaat goed, totdat ik mijn man naar een balk zie staren, naar een zwart puntje, op zo’n manier dat ik onmiddellijk weet dat er iets aan de hand is. Ik vraag zachtjes wat er is, hij schudt zijn hoofd, een teken dat hij de kinderen niet ongerust wil maken. Haastig grijpt hij naar zijn fototoestel en klimt op het bed om een foto te maken van het insect. ‘Dat dacht ik al’ zegt hij terwijl hij mij de foto laat zien. Het is een schorpioen. Een schorpioen in onze hemelse hut! We zeggen niks tegen de kinderen, paniek is nu nergens goed voor. Manlief pakt een glas en een stuk papier: in één beweging schuift hij de schorpioen in het glas. We drommen met z’n allen om het glas heen: een schorpioen, wat een vangst. Toch maar even navraag doen bij de oudere man. ‘Oh’ zegt hij nuchter  ‘Er zijn hier alleen maar kleine schorpioenen, die zijn volstrekt onschuldig’. Ik vind het bijna jammer: het avontuur was veel grootser geweest wanneer we oog in oog hadden gestaan met een dodelijke vijand. De oudere man loopt mee naar de tent, pakt het glas, loopt naar buiten, gooit het glas om en stampt de schorpioen voor onze ogen kapot. Wij zijn diep geschokt. Een schorpioen, een van de oudste spinachtige ter wereld, die doodt je toch niet zomaar? We zaten hier toch op een eco-camping? Het is een klein minpuntje op de verder smetteloze camping.

Het verhaal eindigt hier echter niet. Na een droomloze nacht worden we wakker in ons hemelse tentje. Iedereen heeft goed geslapen (hoe kan het ook anders?). Mijn man zet zijn bril op en opnieuw zie ik hem fronzen, ditmaal in de richting van mijn dochters bed. Net erboven zit een zwart insectje. Ja hoor, een schorpioen. Ditmaal is er geen paniek, we weten wat te doen, het diertje wordt met een glas gevangen. We besluiten de oudere man niet te informeren. Het doodstampen vonden we maar niets. We zullen de schorpioen straks, een stukje verderop, vrijlaten.

Eerst echter houden we het diertje nog even in gevangenschap. In het glas. Niets leukers dan toe te kijken hoe het diertje wanhopig probeert de gladde wand op te kruipen, wat natuurlijk niet lukt. Na een aantal verwoede pogingen geeft de schorpioen het op. Het glas is wel erg leeg en dus besluiten de kinderen er wat groene bladeren bij te doen. Voor de gezelligheid waarschijnlijk want veel zal het diertje er niet van eten. Wat eten schorpioenen eigenlijk? Kleine insecten waarschijnlijk. De kinderen gaan op zoek naar mieren. Huppakee, ook in het glas. Nu, wordt het pas echt leuk. Dit is pas vermaak. Zal de schorpioen jacht gaan maken op de mieren? Is het al hongerig genoeg of is het juist te gestrest om aan eten te denken? Kinderen en manlief kijken aandachtig naar het schouwspel, met de neuzen op het glas. Er gebeurt niets. De schorpioen maakt geen aanstalten. Toch teveel stress.  De actie komt uit onverwachte hoek. Het zijn de mieren die de aanval openen. Ze lopen op de schorpioen af, kruipen op de rug en sluiten de schorpioen in. Even lijkt het erop dat de mieren de schorpioen gaan afmaken. Het gebeurt niet: misschien omdat ik er een stokje voor steek (want ik kan het niet meer langer aanzien), misschien omdat de mieren geen verdere actie ondernemen. Ik kan het me niet meer herinneren. Ik weet wel dat we de schorpioen een eindje verderop vrij laten en dat we de rest van de vakantie onze schoenen iedere ochtend grondig op schorpioenen controleren.

Dit soort experimenten zijn tamelijk onschuldig, er vallen geen dooien, en het biedt kinderen de gelegenheid om insecten en spinnetjes van dichtbij te bestuderen. Kinderen voelen affiniteit met dieren omdat zij de scheiding tussen dier en mens als minder evident zien. Ten Bos stelt dat we in onze opvoeding kinderen teveel laten vervreemden van de natuur en van het dier.

Er is niks mis met een rups in een jampotje, het ontleden van een worm of het vangen van kleine visjes. Nog belangrijker dan het contact met huisdieren is het contact met wilde dieren.  Onwillekeurig denken we bij wilde dieren aan exotische soorten (leeuwen, olifanten, nijlpaarden) maar insecten, larven of wormen volstaan prima.

Wij wonen in Amsterdam Oud-west, in een stadse oase. Rondom ons huis liggen gezamenlijke tuinen: we hebben een kippenhok waar ook cavia’s en konijnen rondlopen.  Vroeger (nu doen we het niet meer) was het een aangenaam tijdverdrijf om wormen te vangen voor de kippen. Met een schop wat aarde omspitten waarna fraaie, glinsterende regenwormen tevoorschijn kwamen. Ik moest me over heel wat heen zetten (weerzin, walging) om zo’n regenworm op te pakken en in mijn handen te houden maar mijn kinderen hadden er geen moeite mee, trouwens ook niet om de regenworm te voeren aan de kip. Ik wel. Had ik nog morele bezwaren, een weerloos diertje aan een ander dier overleveren, mijn kinderen genoten van het schouwspel van eten-en-gegeten worden. Sprinkhanen op vakantie vangen en in een jampotje stoppen was ook een geliefde hobby. De sprinkhaan kreeg een naam, Sprinkie. Soms verdween ie op vreemde wijze om dan op miraculeuze wijze honderden kilometers verderop weer op te duiken. ‘Daar is ie weer,’ riepen we vol verbazing uit. Ik weet nu nog steeds niet of mijn kinderen het spel meespeelden of dat ze werkelijk geloofden dat Sprinkie superkrachten had.

Kikkervisjes vangen en ze in een bak water stoppen hebben we ook gedaan. Mooi, dachten we, dan kunnen kinderen de metamorfose van visje naar kikker van dichtbij aanschouwen. Tjonge, dat bleek veel ingewikkelder dan we van tevoren hadden gedacht. We besloten het internet te raadplegen.  Slootwater, zo lazen we, is eigenlijk het beste, het moet op de juiste temperatuur zijn en het water moet af en toe vervangen worden. Lukte allemaal. Het probleem ontstond toen de kieuwen van de dikkopjes verdwenen, er pootjes aan het lijfje groeiden terwijl de staart verdween. Van het leven onder water moesten de mini-kikkers nu ook op het land kunnen. Aan de slag. Een stellage werd gebouwd met stenen waar de mini-kikkers op konden kruipen. Ook het menu moest worden aangepast: de tijd van plantaardig materiaal was voorbij, nu moesten er (fruit)-vliegjes gekweekt worden.  We deden iets niet goed want het ene na het andere mini-kikkertje sneuvelde. Een veldslag. Oorzaken: te weinig zuurstof in het water, temperatuur te hoog, teveel kikkertjes op een te klein oppervlak? We wisten het niet. Iedere ochtend lagen er wel een paar slachtoffers. Vreselijk. Uiteindelijk heeft mijn man de overgebleven mini-kikkertjes in het park terug gezet. Mislukt project, concludeerden we.

Het hoogtepunt waren echter de triopsen. Een triops is een prehistorisch waterdiertje dat maar liefst 351 miljoen jaar in de tijd teruggaat. De triops ontleent zijn naam aan de drie ogen die het beestje heeft. Op Wikipedia valt te lezen dat ze zolang hebben kunnen overleven doordat de eitjes tegen alle weersomstandigheden bestand zijn. Triopsen behoren tot de kreeftachtigen. Het zijn kleine, doorzichtige diertjes die twee tot vier maanden leven. Het goede nieuws is dat triopsen gewoon te koop zijn in de speelgoedwinkel, onder de noemer ‘wetenschap en spel’ kan het kind zijn eigen triopsen in een aquarium tot leven brengen. De beschrijving sprak enorm tot de verbeelding en dus plaatsten mijn zoon en dochter (destijds respectievelijk 7 en 9 jaar oud) de triops bovenaan het verlanglijstje. Om geen van twee teleur te stellen, kocht ik twee dozen. Mijn kinderen zijn in februari jarig en ergens in maart gingen we ermee aan de slag. Ik kocht enkele flessen gedemineraliseerd water, het voedsel werd in een zakje erbij geleverd. Handig. Met de slechte ervaring van het kikker-project in mijn achterhoofd, het beeld van levenloze mini-kikkertjes die in het water dreven spookte nog steeds door mijn hoofd, vreesde ik het ergste.  De vrees bleek ongegrond want na enkele dagen kwamen de eitjes uit. Eerst eentje, we waren verguld, en daarna nog drie exemplaren. De eerste had aldus een voorsprong en groeide al snel uit tot een kreeftachtig beestje van 6 centimeter met een heleboel kleine pootjes. Een ongelooflijk lelijk beestje. Ik kon me goed voorstellen dat juist dit exemplaar de ijstijd had doorstaan want kakkerlakken zijn er niets bij.

De triops bleek niet alleen een omnivoor te zijn maar ook een kannibaal. We hadden de kreeftjes uit voorzorg van elkaar gescheiden, met een handig plastic tussenwandje, aangeleverd door de speelgoedwinkel, want erg vreedzaam gingen ze niet met elkaar om. Op een ochtend troffen we in plaats van vier triopsen er nog maar drie aan. Huh, hoe kan dat? We hadden toch tussenschotjes geplaatst? Die ellendige dikzak, de eerstgeborene, was vast over het tussenschotje gedoken en had zijn kameraad met huid en haar opgevreten. We controleerden de tussenschotjes en vervloekten de dikzak. Enkele dagen later volgde opnieuw een onaangename verrassing. De twee overgebleven triopsen waren nu ook verdwenen. We tuurden in het heldere water maar er was geen enkel spoor van het tweetal te vinden. Geen achtergebleven pootjes, geen stukjes vel. De dikzak zag er wel opvallend dik uit, zo constateerden wij. Onze hekel aan het beestje bevond zich op een hoogtepunt. Op de verpakking las ik dat de beestjes gemiddeld 2 tot 3 maanden oud worden. Gelukkig maar.

Helaas bleek de dikzak onuitroeibaar. De grote vakantie naderde. Wanneer gaat dat beest nou eindelijk dood? – het was de enige gedachte die ik nog bij de triops had. Mijn kinderen waren ook helemaal klaar met de kannibaal die zijn eigen maatjes had verorberd. Uithongeren of per ongeluk in de wc doorspoelen, vonden we echter niet gepast. We hadden zelf gekozen voor de triopsen- nu gingen we door tot het einde.  De grote vakantie kwam eraan en godsamme nu moest ik ook nog een oppasplek voor het stomme beestje vinden. Ik vroeg de buren. Geen probleem, zeiden ze. Het hele aquarium verhuisde mee. ‘Het is echt helemaal niet erg als de triops dood gaat’ benadrukten wij. Het was een understatement. We hoopten namelijk vurig dat die stomme dikzak dood ging. Twee dagen later kregen we een sms’je. ‘De triops is helaas dood’. De dikzak was vermoedelijk door de kat opgegeten.  

De tweede triops doos ligt nog steeds onaangebroken in de kast.

De triops is niet het enige huisdiertje dat we hebben gehad. Twee cavia’s en twee hamsters hebben jarenlang deel uitgemaakt van ons gezin. Waar de triops geen naam verdiende, werden de namen van de andere huisdieren zorgvuldig uitgezocht. Moppie, Muisje, Snuffie en Molletje. De cavia’s kregen we van mijn zus, de hamsters vonden we op marktplaats. Dat laatstgenoemde site misschien niet de goeie plek is om een huisdier te zoeken werd bevestigd door de malafide praktijken van de man die de hamsters aanbood. 5 Euro per stuk. Toegegeven, het is niet veel. In een doorsnee woonwijk had de man in zijn achtertuin een klein schuurtje gebouwd waar hij in te kleine kooien hamsters maar ook andere dieren zoals uilen hield. De hamsters zaten in een la. Een vorige bezoeker vond de toestand zo dieronvriendelijk dat hij dreigde de politie te waarschuwen. Wij vermoedden dat de hamsters niet alleen voor de verkoop bedoeld waren maar ook als voer dienden voor de uil. Enfin, door het kopen van de twee hamsters, werd hun dat lot bespaard. Met die gedachte probeerden we onze aankoop goed te praten.

Huisdieren leven, moeten verzorgd worden, de bakken moeten verschoond worden, er moet aandacht aan gegeven worden. Het verschonen en eten geven kwam helaas, ondanks eerder gemaakte afspraken op mijn schouders neer. Maar huisdieren gaan ook dood. Muisje troffen we op een ochtend dood in de kooi aan. Onze dochter moest vreselijk huilen, een paar uur lang, daarna ging ze aan de slag met het versieren van het doosje waarin Muisje begraven zou worden. Het verdriet zakte weg en leefde nog even op toen we in een heuse begrafenisstoet naar beneden gingen en het diertje plechtig op onze zelfbedachte dierenkerkhof begroeven. Met bloemetjes en schelpjes versierden we het graf plus een steen met de naam van de cavia erop. De andere cavia, Moppie, bleef alleen achter. Cavia’s kunnen moeilijk alleen zijn dus plaatsten we het beestje bij de andere cavia’s in het kippenhok. Ging niet goed. De andere cavia’s, nota bene zijn eigen kinderen en kleinkinderen,  accepteerden opa niet, het beestje at niks meer en toen hij na een aantal weken geheel uitgemergeld was, hebben we de cavia toch weer naar binnen gehaald. Moppie is toch liever bij ons, concludeerden we. Het ging een hele tijd goed totdat Moppie niets meer at en alleen nog in zijn hok zat. Het woord ‘hok’ drukt Moppie’s onderkomen trouwens niet helemaal goed uit. Villa is een beter woord, want manlief en kinderen hadden inmiddels eigenhandig een houten huisje met trap en dakterras voor de cavia gebouwd.

Enfin, Moppie ging rap achteruit en aldus maakte ik een afspraak met de dierenarts.  Diagnose: de cavia at waarschijnlijk niks meer omdat zijn tanden te ver waren door gegroeid. Cavia’s kunnen niet lang zonder eten dus er was grote haast bij. Het beestje moest eigenlijk diezelfde dag nog geopereerd worden. Kosten: 65 Euro. De dierenarts waarschuwde er wel bij dat het zwakke beestje de operatie wellicht niet zou overleven en daarna was nog niet gezegd dat Moppie weer zou gaan eten. Oh ja, het kon misschien ook een kankergezwel zijn. Ik aarzelde maar kon het diertje toch nog niet zo laten sterven. Een operatie dan maar. Moppie overleefde de narcose, we brachten hem naar huis maar we zagen geen verbetering. Met een spuitje gaf ik de doodzieke cavia eten. Een week lang. Toen kon ik het niet langer meer aanzien en belde een andere dierenarts. Ik vroeg of ik nog dezelfde dag kon langskomen want ik wilde Moppie laten inslapen. Mijn zoon ging mee, achterop de fiets, met Moppie in een schoenendoos. In de kliniek werden we naar een apart kamertje geleid. Het sterfkamertje. Nog steeds koesterden we de hoop dat er misschien toch nog iets aan te doen was. De dierenarts onderzocht Moppie. ‘Het is goed dat jullie zijn gekomen’ zei ze terwijl ze de handschoenen uit deed ‘De cavia is doodziek, er zit een enorm kankergezwel in de buik’. We knikten en slikten. We gingen terug naar het sterfkamertje, met Moppie, we aaiden het beestje, gaven het nog een komkommertje. De dierenarts kwam terug met twee spuitjes.  ‘Het eerste spuitje is waarschijnlijk al voldoende want de cavia is erg verzwakt’. Moppie lag op de schoot van mijn zoon. Langzaamaan werd het lijfje slap. De hele tijd huilden we. De dode cavia ging terug in de schoenendoos, mee naar huis, want ook Moppie zou een plekje krijgen op het dierenkerkhof. Toen we op de fiets stapten zei mijn zoon: ‘Als ik dit al voel bij een cavia, hoe veel verdriet moet ik dan wel niet voelen als jullie doodgaan?’

Ik heb bij dit alles gemengde gevoelens. Het menselijk maken van een dier, ik weet het niet. Een dier in een kleine kooi houden omdat het goed is dat kinderen in aanraking komen met dieren, zodat ze leren om zorgzaam voor een dier te zijn. Ik weet het niet. We hebben ook kippen. Als een kip ziek is, ga je er dan mee naar de dierenarts? Een boer zou er niet over peinzen. Eerlijk gezegd, ben ik er ook niet zeker van of in mijn keuze werkelijk het welzijn van het dier voorop staat.  Eerder zijn het mijn gevoelens en die van mijn kinderen die mij  doen besluiten om toch voor de zinloze operatie gedaan. ‘We hebben in ieder geval alles geprobeerd’ is de achterliggende gedachte, waarmee ik me van tevoren al vrij pleit voor welke schuldgevoelens dan ook.

Inmiddels zijn de twee cavia’s en de twee hamsters dood. Ik wil geen nieuwe huisdieren meer. Te ingewikkeld, het roept teveel tegenstrijdige gevoelens in me op.

De relatie tussen mens en dier is anno 2019 in het Westen uitermate complex. In feite zijn we genoodzaakt om ons te distantiëren van het dier: alleen door een ultieme vervreemding zijn we in staat om de gevoelde tegenstrijdigheden met elkaar te verenigen. Het vlees op ons bord lijkt mijlenver verwijderd van het dier dat het ooit was – het dier dat bovendien grotendeels onzichtbaar voor ons is omdat het achter slot en grendel is opgesloten- en iedere associatie met het echte dier roept al snel afkeer op. De meesten van ons eten liever een gefileerd stukje zalm dan dat de vis met kop en staart op het bord ligt.

Het zijn kunstenaars die de menselijke tegenstrijdigheid ten opzichte van het dier kritisch bevragen. Beeldend kunstenaar Marco Everestti plaatste in het Trapholt-museum in Denemarken een tiental blenders met goudvissen op een tafel. De bezoekers werden uitgedaagd om de blenders aan te zetten. Een bezoeker deed dat en twee goudvissen werden vermalen. De dierenbescherming werd ingeschakeld en de museumdirecteur kreeg van de politie een boete van 300 Euro opgelegd. In hoger beroep werd het museum in het gelijk gesteld: de vissen zouden in twee seconden een pijnloze dood gestorven zijn. Na het incident werden de stekkers van de blenders uit het stopcontact getrokken.

Tinkebell doodde haar eigen kat en maakte er een handtas van bont van. Ze ontving duizenden haatmails.

Veel vaker echter worden dode dieren en roadkill dieren gebruikt door kunstenaars. Fotograaf Edenmont hakte dode dieren in stukken en omringde die met bloemen. Fotografe Witkam maakte foto’s van overleden dieren die ze in vredige posities legde. Beeldend kunstenaar Bas Jansen maakte van zijn overladen kat een drone: hij plaatste propellers aan de pootjes en veranderde het dier in een vliegende drone. Walgelijk en smakeloos, waren de reacties. ‘Katten zijn niet bedoeld om te vliegen’ [2][3].

Bovenstaande kunstwerken zijn bedoeld om heftige reacties bij het publiek op te roepen. Ze zijn provocatief en willen aanstootgevend zijn. De kunstwerken werpen een moreel dilemma op en dwingen de toeschouwer om na te denken over de relatie tussen mens en dier. In dit essay wil ik me echter zover mogelijk afhouden van moraliteit en dierethiek, niet omdat het er niets toedoet maar omdat ik er niets van afweet. Ik vrees dat ik me tot nogal naïeve uitspraken zou laten verleiden.

Een kunstenares waar ik wat langer bij stil wil staan is Berlinde De Bruyckere, geboren in 1964, woon- en werkachtig in Gent. Haar zeer uiteenlopende werk bevat verminkte, lichamen, dekenvrouwen, dode paarden maar ook een reusachtige installatie van dood hout speciaal vervaardigd voor de 55e Biënnale in Venetië (en dat de prachtige titel ‘Kreupelhout’ draagt).

De dode paarden. Oude foto’s van slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog van kapot geschoten paarden dienden als inspiratiebron. Op de vraag waarom ze ervoor koos om met dode paarden te werken, antwoordt Bruyckere: ‘Een dood paard is heel veel dood’. Alleen de huid van het paard wordt gebruikt: van de karkassen worden afgietsels gemaakt. Hoewel we in het object direct het paard herkennen, is er vooral veel niet-paard. Hoofd van het paard ontbreekt in veel werken, ogen en mond zijn dicht genaaid, de huid bestaat uit diverse stukken die aan elkaar zijn genaaid, een been steekt uit, hoeven ontbreken, delen van de romp of hals zijn aangepast en de verstilde wezens liggen vaak in onmogelijke, verwrongen houdingen. ‘De paarden zijn niet zomaar afgietsels van echte paarden, het zijn als het ware herhalingen, metamorfoses’ zo stelt de Kunstbus. Het zijn paardwordingen.  In het werk ‘Een’ zien we een paardgedaante op een verroeste metalen tafel liggen. De vorm is onduidelijk hoewel we zien dat het hier om een paard gaat. Of eigenlijk gaat het om twee paarden: om een wezen dat twee manen, twee vachten en twee ruggengraten heeft. Het hoofd ontbreekt, de poten zijn stompjes geworden,op een hoef na die met huid is bekleed.

Het beeld is volgens Cousijn gruwelijk, zielig en mooi. Het roept afkeer op en tegelijkertijd ook een gevoel van hoop. Bij mij roepen de sculpturen van Bruyckere vooral een esthetische ervaring op en in veel mindere mate een emotionele. De veelvormigheid, de vreemde onwerkelijke dierenlijven die zijn uitgestald, een verdwaalde hoef in de lucht, als een ruimtelijk accent, de manen die iets heel tastbaars krijgen. De ogen en mond zijn dichtgenaaid, ledematen zijn tot stompjes terug gebracht, het paard wordt letterlijk uit zijn eigen vorm getild – dat alles tezamen zorgt ervoor dat ik me niet met de identiteit van het dier hoef bezig te houden. Daarentegen voel ik textuur (de glimmende paardenhuid, de manen), ik voel intensiteit, ik voel vorm. Het is weliswaar een dode vorm maar toch een duidelijk gevoelde vorm: ik voel iets troostends juist omdat het wezen in de vervreemdende vorm zo duidelijk tot mij spreekt. Ik voel iets levends in het wezen dat zo overduidelijk dood is. Het wezen heeft niks menselijks, het heeft ook nauwelijks iets dierlijks en toch voel ik kracht en intensiteit van een (ooit en ergens nog steeds) levend aanwezig iets. Ik kan het niet anders omschrijven. Ik weet niet of ik troost voel, ik denk het eigenlijk niet, eerder voel ik iets onbestemds, iets zachts, iets dat in mij wordt geopend. Ik voel een mogelijkheid. En dat alleen al biedt troost.

Het moge duidelijk zijn dat kinderen niet alleen affiniteit voelen met levende dieren maar ook met dode dieren. De drang om bijvoorbeeld een dood muisje te willen aanraken is bij het jonge kind aanwezig maar als ouder zeggen we, nee, niet doen, daar kan je ziek worden. Een verstandig advies trouwens. Het jonge kind geeft niet zomaar op, zoekt een stokje en port in het dode muizenlichaampje, want de levenloosheid van iets wat ooit leefde, intrigeert het kind in hoge mate.  Even proberen het dode muisje om te draaien, kijken hoe het levenloze lichaampje reageert of met een stokje in de richting van je jongere zus duwen, want er is niks zo leuk dan een ander te laten gruwelen en dan zelf stiekem mee te gruwelen. Nog spannender wordt het als het dier toch nog blijkt te leven. Dieren die nog gaaf en intact zijn, roepen nieuwsgierigheid op. Dieren die stuk zijn, waar bijvoorbeeld bloed uit komt of waar de ingewanden naar buiten zijn gekomen, roepen afschuw op. Maar ook fascinatie. De rode mieren bijvoorbeeld die over het dode lijk marcheren en druk in de weer zijn om restjes te verplaatsen naar hun nest. In en op het dier bruist het van het leven: maden, wormen, kevertjes en vliegen, van heinde en verre verzamelen zich lijkenpikkers.

Nieuwsgierigheid wordt ook opgewekt door dieren die al enige dood zijn en in verregaande staat van ontbinding verkeren. Kale botjes en skeletten vragen om gedegen speurwerk.  Van wat voor dier zou het botje zijn? Is het een onderkaak van een konijn, van een haas, of misschien wel van een vos? Leuk voor de verzameling, dus het skeletje wordt als trofee mee naar huis genomen.

Ook kan het gebeuren dat een dier levend wordt opgepakt maar ongewild dood eindigt. Het kleine kikkertje dat mijn dochter in een opgedroogde sloot vond in een bos vlakbij Oss is daar een voorbeeld van. De kikkertjes waren er in overvloed, dus we maakten geen bezwaar. Opa, een natuurliefhebber van de eerste orde, had echter zijn bedenkingen. ‘Je moet kikkers eigenlijk niet oppakken’ zei hij. De achterliggende regel is dat je de natuur met rust moet laten. Je moet je er niet mee willen bemoeien.

Maar kinderen willen zich juist graag met de natuur bemoeien. Zelfs als ze daarmee ongewild de natuur of het dier stuk maken. Mijn dochter kneep per ongeluk het kikkertje kapot terwijl ze haar uiterste best had gedaan om goed voor de kikker in haar handpalm te zorgen. 

Eigenlijk is het raar, zo stelt Ten Bos, dat volwassenen zich ongelooflijk veel met de natuur bemoeien, in zo’n mate dat we de natuur zijn gaan overheersen, maar dat we onze kinderen niet toestaan om dichtbij te komen. Dat ene kikkertje dat per ongeluk werd fijn geknepen, is dat zo erg? De vernietiging van de natuur op grote schaal heeft geleid tot een tegenbeweging (de ecologen) die de natuur koste wat kost wil beschermen voor de mens. De natuur gedijt het beste als er geen mens aan te pas komt, zo luidt het motto. Niet alleen de vernietigers van de natuur maar de beschermers plaatsen zo natuur en mens radicaal tegenover elkaar: afstand en verwijdering zijn het gevolg.

Hoewel de natuurbescherming de beste intenties heeft, is het erop gericht om kind en mens zover mogelijk van de natuur weg te houden. Niet interfereren, de natuur zijn werk laten doen. Het vergeet daarbij dat het kind alleen kan leren om zich op een positieve manier tot de natuur te verhouden wanneer het ook aan de natuur mag handelen, er dichtbij mag komen.

Net zoals honden vreemde geuren op snuffelen, zo snuffelen kinderen ook graag aan de wereld. Laat ze toch snuffelen, zou ik zeggen. Laat ze aandachtig ruiken, nieuwsgierig en heimelijk doorzoeken, lekker in het rond wroeten. Laat ze dichtbij dier en natuur komen.

 

[1]Pagina 87, Ten Bos, R. (2008). Het geniale dier: Een andere antropologie. Amsterdam: Uitgeverij Boom.

[2]http://nieuwspaal.nl/dierenliefhebbers-kritisch-kat-drone/

 

[3]Ik sprak Bas Jansen tijdens de verdediging van een van mijn studenten op de HKU (22 juni 2017). Hij vertelde dat die week een vos alle kippen uit zijn ren had gedood. De 19 kippen had hij keurig op een rijtje gelegd. Zijn kinderen waren ontzet door de afslachting. Diezelfde dag kwamen de eieren die onder de broedmachine lagen uit. Op slag vergaten de kinderen het dode kippen tafereel en verschoof hun aandacht vol automatisch naar de kuikens die uit het ei kropen.

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *