Fysiek Spel

Het is zaterdag middag. Ik zit achter mijn laptop, aan de grote houten tafel en geniet van de stilte – een zaterdagmiddag stilte die met twee opgroeiende kinderen nooit erg lang duurt. En inderdaad. Vanuit de gang hoor ik opgewonden stemmen die steeds dichterbij komen en even later stormt Luuk samen met een vriend, Jelle, de huiskamer in. Ze zijn net terug van de hockey, manlief heeft gecoached, en de adrenaline van de overwinning stroomt nog door lijf en leden. Die overtollige energie moet eruit. Dus grijpt Luuk naar de grijze poef en Jelle naar de zitzak. Ze stellen zich aan weerszijden van de kamer op, kijken elkaar een momentlang dreigend aan en stormen dan op elkaar af. Luuk, de kleinste van de twee, delft het onderspit. Jelle duikt met zitzak en al bovenop hem en viert al juichend zijn overwinning. Grijnzend komen ze weer overeind. Luuk met de poef, Jelle met de zitzak in zijn hand. In het voorbijgaan slaat Jelle nog even snel een deken om zich heen. Het is beslist geen onbeduidend gebaar, want dit nieuw verworven attribuut verheft hem tot koning terwijl Luuk een doodgewone knecht blijft. Tweede ronde. Weer diezelfde dreigende blik voordat ze tot de aanval overgaan. Opnieuw belandt Luuk als eerste op de grond en is Jelle de winnaar. Niks aan de hand. Luuk en Jelle stellen zich opnieuw op en voor een derde maal wordt de aanval ingezet. Steeds dezelfde actie, steeds net iets anders.

Ook al lijkt de keuze van hun wapens arbitrair en terloops, toch is dat geenszins het geval. Beide jongens kiezen hun wapens, de poef en de zitzak, met zorg. Het zijn zachte materialen waardoor de beide jongens weten dat ze elkaar niet werkelijk zullen verwonden. Des te meer lol levert dit spel op want nu kunnen de jongens volop op elkaar inbeuken.

Vol verbazing aanschouw ik het spel. Zijn de jongens met hun dertien jaar daar niet te oud voor? Het antwoord op die vraag is simpel. Nee. Mijn tweede vraag is echter veel moeilijker te beantwoorden: waartoe en waarom dit gedrag? Het levert de grootste pret op, het is goed vermaak, en in de herhaling ontstaan er steeds nieuwe vormen. De onstuimigheid, de energieke uitspatting, de fysieke losbandigheid en het elkaar lichamelijk uitdagen, evolutionair gezien zal het gedrag zeker een functie hebben. 

Bovenal werkt het gedrag enorm aanstekelijk. Want iedere jongen die binnenkomt, zal zich met grote lust en zonder terughoudendheid in het spel mengen. Johan Huizinga, de godfather van de speltheorie, stelt dat het spel met veel genot en plezier gepaard gaat.

Spel is ouder dan cultuur, want het begrip cultuur, hoe onvoldoende omschreven het ook mag zijn, veronderstelt in ieder geval menschelijke samenleving, en de dieren hebben niet op den mensch gewacht, om hen te leeren spelen. Ja, men kan veilig verklaren, dat menschelijke beschaving aan het algemeene begrip spel geen wezenlijk kenmerk heeft toegevoegd. Dieren spelen juist als menschen. Al de grondtrekken van het spel zijn reeds in dat der dieren verwezenlijkt. Men behoeft slechts jonge honden bij hun spel gade te slaan, om in hun lustig ravotten al die trekken waar te nemen. Zij noodigen elkander tot spelen uit door een soort van ceremonieele houdingen en gebaren. Zij nemen den regel in acht, dat men in zijn makker’s oor niet doorbijten zal. Zij stellen zich aan, alsof zij vreeselijk kwaad zijn. En vooral: bij dit alles ondervinden zij klaarblijkelijk een hoogen graad van pret of aardigheid. (Huizinga, 1938, p.28)

Het spel van elkaar aanvallen en omver werpen vertoont gelijkenissen met het spel van jonge dieren. Het is een fysiek spel waarbij de grenzen en regels impliciet gesteld zijn. Vooraleerst is het niet de bedoeling om elkaar werkelijk fysiek te verwonden, het gaat om de mogelijkheid ertoe. Die mogelijkheid wordt in de verbeelding maar niet in de werkelijkheid gerealiseerd. De jongens weten dat het ‘slechts’ spel is, terwijl er toch met volkomen ernst gespeeld wordt.
Hoewel sterk fysiek is er ook een verbeeldend aspect aan dit spel. De deken wordt een mantel van koninklijke allure. Het zijn de kleine details die een diepere laag geven aan het spel want nu wordt de tegenstander niet alleen fysiek uitgedaagd maar ook in de verbeelding. De overwinning zal dan ook op beide vlakken worden gevierd. Zowel in de werkelijk gevoelde fysieke confrontatie als in de verbeelding. Want het is de koning die zijn zegen opeist. In die versmelting van het fysieke met het verbeelde ligt de kracht van dit type spel.

Een ander voorbeeld. Het feestje van mijn destijds dertienjarige zoon met vijf leeftijdgenoten. Het is vrijdagavond en de jongens verzamelen zich rond de Play Station. Met de mobiele telefoon in de hand kijkt de ene helft jongens toe terwijl de andere helft jongens erop los schiet. Mijn vrees dat dit de hele avond gaat duren (ze zullen niet loskomen van het schermpje) blijkt echter ongegrond. Net voor het eten barst de boel los. De zes jongens gaan elkaar op het blauwe vloerkleed te lijf: ze sjorren aan elkaar, trekken aan elkaars ledematen, grijpen elkaar bij de keel, springen op elkaar en sleuren elkaar over de vloer. Een letterlijke explosie van energie. Eten is er niet meer bij. De zelf gebakken pizza’s blijven onaangeroerd op de borden liggen want geen enkele jongen vindt tijd om aan tafel te komen zitten. Verhitte hoofden kijken verdwaasd langs mij heen – alsof ik uit een andere wereld kom. Het gevecht op het kleed is echter nog slechts de voorloper van het spel wat zo dadelijk in alle heftigheid zal losbarsten. Langzaamaan ontstaan twee groepen. Zij tegen wij. Rivalen, tegenstanders, vijanden ontstaan. ‘Oorlog’ roept een jongen. Het ene groepje verzamelt zich op de gang, het andere groepje in onze huiskamer. Snode plannen worden gesmeed. Aanvallen, terugtrekken, hergroeperen. De deur wordt gebarricadeerd met alles wat voorhanden is: kussens, een kruk, een stoel. Helaas voor de jongens steken wij (de ouders) hier een stokje voor. Door jarenlange ervaring zijn we inmiddels wijzer geworden en weten we dat het blokkeren van de deur vrijwel altijd uitloopt tot of ruzie of tot een hand of vinger tussen de deur.
Er zijn nu twee teams met ieder drie jongens. Oude matrassen worden tevoorschijn gehaald om een verdedigingsmuur mee te bouwen. Een hondje (plank met vier wielen) dient als oorlogsvoertuig, daarop wordt een ronde, grijze poef gezet waarop de leider van de groep plaats neemt. Hij heeft een deken om zich geslagen, als teken dat hij de koning is. De koning heeft een knecht die hem helpt. De knecht duwt het wagentje en probeert zoveel mogelijk snelheid te maken. De bedoeling is de burcht van de anderen, die bestaat uit een muur van drie matrassen, te vernietigen. Allerlei wapens worden daartoe ingezet: de wapens worden ter plekke bedacht (een hockey stick, twee loopkrukken, een handgemaakte pijl en boog) en dienen meer ter afschrikking dan dat ze werkelijk in de strijd zullen worden ingezet.De jongens schreeuwen en roepen naar elkaar. Het is een ongelooflijk kabaal. Een ijsje (ze moeten toch iets eten) brengt ze tot rust. Voor even dan want na het ijsje verdwijnen ze weer naar de gang.

In dit spel openbaren zich vele kenmerken die Johan Huizinga in zijn klassieke werk Homo Ludens benoemt:
– het spel is spontaan;
– het spel ontvouwt zich buiten de zuivere logica en rede om, daarentegen kent het spel wel degelijk een eigen, intrinsieke logica;
– er is een manier waarop het spel gespeeld dient te worden, er zijn regels en grenzen bepaald;
– het spel is nuttig in zichzelf maar nutteloos daarbuiten;
– het spel wordt met ernst gespeeld;
– de jongens spelen en ze weten dat zij aan het spelen zijn;
– in het spel dagen de jongens elkaar uit: er is sprake van competitie;
– in het spel gaat het om behendigheid en fysiek incasseringsvermogen van de jongens;
– het spel is vrij, de jongens kiezen ervoor om het te spelen en kunnen zich er ten alle tijden ook weer aan onttrekken;
– het spel vraagt om overgave, om meedoen zonder bedenkingen.

Daarnaast vallen mij ook nog andere zaken op: zoals de intensiteit van het spel en het fysieke aspect. Met dit laatste bedoel ik dat het fysieke zich in het bovenstaande spel zo overduidelijk manifesteert. Het is excessief – zowel in energie als in kracht. Het is buitensporig. De jongens gaan elkaar letterlijk te lijf. Dat wil zeggen: tijdens het spel verandert het lichaam in een lijf.

Over die transformatie van lichaam naar lijf valt wel het een en ander te zeggen. Bijzonder aan het ervaren van ons lichaam is dat we dit van binnenuit maar ook van buitenaf doen. Daarmee is ons lichaam meer dan alleen een object dat we kunnen waarnemen. Wanneer we bijvoorbeeld zeggen ‘mijn hand ligt op de tafel’ dan betekent dat iets anders dan ‘mijn boek ligt op de tafel’. Want we lokaliseren de hand niet alleen vanuit een externe waarneming zoals we dat bij het boek doen, maar ook (en vooral) registeren we intern de positie van de hand. Het lichaamsschema speelt in deze interne lokalisatie een belangrijke rol.
De ervaring van het lichaam is ambigu. Aan de ene kant is er het afstandelijke, het lichaam als object of ding. Aan de andere kant is er de geleefde ervaring, en dat is het lijf. Het lijf is een eenheid, het is zelfbeself zonder distantie, het is dat wat eigen is zonder vervreemding . Een lijf is het van binnen gevoelde, geleefde lijf en niet het van buiten waargenomen lichaam. Daar waar het lichaam het ding is, daar is het lijf een manier van zijn .

Bovenstaande beschrijvingen komen nauw overeen met Husserl’s onderscheid tussen Leib (lijf) en Körper (lichaam). Körper is het lichaam als een ding, een object dat waarneembaar is en bepaalde eigenschappen/kenmerken heeft terwijl het Leib het door mij ervaren lichaam is, een lichamelijke ervaring van ‘mijn-zijn’ . Met Körperlichkeit wordt gedoeld op de buitenkant van het lichaam, het zichtbare lichaam dat zich tot een sociale culturele werkelijkheid verhoudt en ook vanuit diens ogen bezien wordt. Leib daarentegen is geen object of een ding maar verwijst naar de geleefde ervaring. Overigens kan een lichaam zonder lijf bestaan, terwijl het lijf een lichaam nodig heeft om de geleefde ervaring op te funderen.

In het fysieke spel staat de lijfelijke ervaring centraal. De jongens gaan elkaar te lijf; ze botsen tegen elkaar op, pakken elkaar vast, slepen elkaar bij de haren. Ze betreden elkaars persoonlijke ruimte, het zijn indringers en het is een ongeschreven regel die het indringen toestaat. Het is dit aspect van het spel dat mij als buitenstaander het meest opvalt: hoe dichtbij het spel mag komen. Het is voor mij (als 49 jarige) volstrekt ondenkbaar dat ik iets dergelijks met een aantal leeftijdgenoten/vriendinnen zou doen: simpelweg omdat er al teveel distantie is in mijn lichaam. Ik ben in de sociale omgeving te ver verwijderd geraakt van mijn eigen lijf en dat van de ander .

In het fysieke spel leren de jongens zichzelf en elkaar kennen. Het gaat daarbij om kracht, energie, uithoudingsvermogen als ook het toepassen van een slimme (mentale) strategie.
Er zijn veel van dit soort fysieke spellen in omloop. Grofweg zijn ze in 4 categorieën in te delen:
– fysieke spellen waarbij je niet door de ander gezien mag worden (alle varianten van verstoppertje) of waarbij de tegenspeler jou niet mag zien bewegen (standbeeldje, anna maria koekoek);
– fysieke spellen waarbij je niet door de tegenspeler gepakt mag worden (alle varianten van tikkertje, trefbal, iemand is hem niemand is hem, schipper mag ik over varen, apenkooi);
– fysieke spellen die om behendigheid draaien en waarbij hindernissen of restricties worden opgelegd (hindernisbaan, spijkerpoepen, ballon trappen, peperkoek happen, zaklopen etc.)
– fysieke spellen waarbij je de weg moet vinden en op zoek gaat naar opdrachten en uitdagingen (speurtocht, nachtwacht).

Sport zou men ook kunnen zien als een geformaliseerd lijfelijk spel. In het voetbal gaat het vaak om directe lijfelijke confrontaties – niet raar dus dat we spreken van een voetbalduel. Aan elkaar trekken, elkaar wegduwen, uit balans brengen, de pas afsnijden, T-shirt vasthouden, een hakje zetten, het hoort er allemaal bij. Het voetbalspel is dierlijk in de manier waarop de energie in het fysieke gestalte krijgt. Maar er zijn ook verschillen tussen het fysieke spel van de jongens en het voetbal te benoemen. Voetbal is geformaliseerd: het kent officiële regels, er is sprake van specifieke vaardigheden en technieken, van een afgebakend gebied (het speelveld) en de wedstrijd zelf is een publiek schouwspel. Er is een scheidsrechter die toezicht houdt op het naleven van de regels. Voetbal is een spel van zien en gezien worden: het duel voltrekt zich in de openbare ruimte, en de toeschouwer is deelgenoot en getuige van het spektakel. Het is niet voor niks dat het publiek de twaalfde speler wordt genoemd. Dit alles zorgt ervoor dat het lichaam bij voetbal meer op de voorgrond treedt dan bij het fysieke spel dat ik hierboven besprak. In het fysieke kinderspel treedt het lijf op de voorgrond terwijl het lichaam naar de achtergrond gedrukt wordt. Bovendien speelt de verbeelding een cruciale rol in het fysieke kinderspel.

Jongens initiëren vaker dan meiden fysiek spel en dit verschil wordt in de literatuur zowel verklaard vanuit hormonale invloeden als socialisatie . Het kind gaat de confrontatie met de ander aan maar doet dat in een veilige spelsituatie. In het fysieke spel leert het kind zijn eigen lijf, in de directe interactie met andere lijven, op een speelse manier kennen. Het kind leert daarmee ook hoe het eigen lijf op dat van anderen reageert, en vice versa, hoe anderen op jouw lijf reageren.

Het kind kiest objecten en materialen in de omgeving die zich lenen voor fysiek spel. Doorgaans zijn dit open-ended materialen dat wil zeggen materialen die meerdere handelingsmogelijkheden in zich dragen (voorbeelden daarvan zijn kussens, dekens, plastic pijpen, matrassen etc.). Hoe opener het materiaal, hoe meer ruimte er voor de verbeelding is. Vergelijk bijvoorbeeld eens een zwaard uit een speelgoedwinkel met een stok of een tak. De stok en de tak zijn open-ended, in de zin dat deze objecten in het spel tot iets anders kunnen transformeren. De tak kan een zwaard, een hengel, een toverstok, of een geweer worden. Het speelgoedzwaard beperkt zich tot die ene affordance. In het spel gaat het juist om ambigue betekenisverlening waarbij de verbeelding volop aan het werk kan. Open-ended materialen en objecten verdienen dus de voorkeur.

De theorie van Gibson komt hier opnieuw om de hoek kijken. Volgens Gibson, wordt de wereld niet alleen waargenomen in termen van objectvormen en ruimtelijke relaties, maar ook door de handelingsmogelijkheden die de omgeving en de objecten bieden. Waarneming en actie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en onze handelingsgerichtheid wordt bepaald door het samenspel van intenties en de gebruikerswaarde van de omgeving.
Die twee staan in voortdurende wisselwerking met elkaar. Aam de ene kant zijn er dus mijn intenties en behoeftes die leidend zijn voor mijn handelingsgerichtheid: aan de andere kant is er de omgeving die een bepaalde handelingsgerichtheid aan mij ontlokt.

Het fysieke spel speelt zich enerzijds in de verbeelding en anderzijds in de werkelijkheid af. Op het snijvlak van het verbeelde en het werkelijke, manifesteert zich ‘het mogelijke’.

Om die ‘mogelijkheidsruimte’ goed te kunnen doorgronden moeten we terugkeren naar de essentie van spel. Volgens Huizinga is spel ‘vrij’: het is in zichzelf betekenisvol en kent geen nut daar buiten. Spel kent kwaliteiten als ritme, spanning, uitdaging, risico, onzekerheid, contrast, herhaling en variatie. Het bevat onvoorspelbare elementen en de uitkomst staat dus ook niet vast. Maar er is ook structuur. Het spel organiseert zich rondom een set van regels die vooraf of tijdens het spel bepaald worden. Het spel gaat heen en weer, er is actie-reactie, en binnen die interactie ordent en vormt het spel zichzelf. Het spel dwingt de spelers om in een gezamenlijke betekenisruimte te stappen.

De centrale functie van spel is het moduleren van ervaring. Spel oefent aantrekkingskracht op het kind uit omdat het om een intense betrokkenheid en onderdompeling vraagt. De ervaring van spanning, onzekerheid, risico en bevrijding is een doel in zichzelf. De intrinsieke waarde van spel mag dus nooit uit het oog worden verloren.

Spel vraagt enerzijds om ratio en logisch denken. Anderzijds is er ruim baan voor de intuïtie, de verbeelding en het magische denken. Tezamen orkestreren zij de spelervaring. Verschillende betekenislagen ontstaan doordat spel zowel een aanspraak doet op het logisch-analytische als het magisch-holistische.

Spel absorbeert. Spel eist betrokkenheid en aandacht. Het is daarom ook niet voldoende om te zeggen dat spel een plezierige activiteit is. Jazeker, spel is plezierig, maar het is ook een serieuze en ernstige aangelegenheid.

Een voorbeeld uit eigen leven. Ik ben opgegroeid met het motto ‘het gaat niet om het winnen, het gaat om het spel’. Met zo’n motto is op zich niks mis, tenzij je het te ver doorvoert en het ten koste gaat van de serieusheid waarmee het spel gespeeld wordt. Ik heb het zelf talloze keren aan den lijve ervaren. Zet een aantal van mijn familieleden (inclusief mijzelf) op het speelveld en hoppa, het wordt gegarandeerd een jolige aangelegenheid. Regels worden niet al te nauw genomen, de bal verdwijnt op miraculeuze wijze, de beste speler wordt haha gevangen genomen, en ga zo maar door. Dat klinkt leuk, en dat is het op zich ook, maar zonder serieuze aandacht kan het spel zich niet ontwikkelen, het blijft steken bij wat lolligheid. Degenen die het spel echt willen spelen, ergeren zich vaak kapot aan die lolbroeken. Spelbrekers worden ze genoemd.

Om het spel optimaal te kunnen spelen is er ‘serieuze aandacht voor plezier’ nodig. In de serieuze aandacht kan het spel tot wasdom komen. De speler moet bereidwillig zijn om zich in het spel onder te dompelen en het spel als een tijdelijke realiteit te zien. In andere woorden: de spelers moeten zich verbinden aan het spel, ze moeten bereid zijn zichzelf in het spel te leggen.

Tegelijkertijd is spel luchtig. Die luchtigheid is een belangrijke en noodzakelijke tegenhanger van de serieuze aandacht. Want de gemoederen kunnen tijdens het spel hoog oplopen.
Een jongen kan iemand tijdens het stoeien een te harde duw geven. Hij duwt daarmee de ander maar ook zichzelf uit het spel. Niet alleen omdat een regel wordt overtreden maar ook omdat de scheidslijn tussen gespeelde en gemeende intentie overschreden wordt.

In het fysieke spel vindt een krachtmeting tussen de spelers plaats, een gespeelde krachtmeting die qua intensiteit maar niet qua intentie dichtbij een werkelijke krachtmeting ligt. Zoals jonge honden weten dat ze niet moeten doorbijten, zo ook weten de jongens hoeveel kracht en energie ze moeten toedienen: niet teveel, niet te weinig, een uitgekiende balans. In het spel gaat het immers niet om het toedienen van werkelijke pijn noch gaat het om het werkelijke verlangen iemand pijn te willen doen of te willen doden. Het verlangen is een gespeeld verlangen. Maar wees gewaarschuwd: het echte verlangen ligt voortdurend op de loer. Het wil overnemen, het wil heersen, het wil zich doen gelden. Het fysieke spel is daarom nooit alleen een fysiek spel maar ook een mentaal spel. Het fysiek spel vraagt om controle, zelfbeheersing, om strategie, het durven opzoeken van het uiterste, het op het randje durven manoeuvreren, risico’s nemen, incalculeren, incasseren, onbevreesd kunnen zijn, spanning opzoeken, ontspanning toelaten, laten gaan.

Het echte verlangen en het gespeelde verlangen staan voortdurend in verbinding met elkaar. Het gespeelde verlangen wordt immers gevoed door het echte verlangen: het ontleent er haar kracht en intensiteit aan. Ofwel: iets van het gespeelde verlangen moet zich verbinden met het echte verlangen. Het spel moet echt aanvoelen ook al weten de spelers dat er gespeeld wordt.
Om de balans te waarborgen tussen het echte verlangen en het gespeelde verlangen is luchtigheid noodzakelijk. Het luchtige zorgt ervoor dat de grens tussen het echte verlangen en het gespeelde verlangen gewaarborgd blijft.

Spel, zo kunnen we concluderen, is ernstig en luchtig tegelijkertijd.

Voor het kind is het belangrijk om in het fysieke spel met de eigen belichaamde verlangens te experimenteren. Het kind leert zijn lijf en alle fysieke krachten die daarin gaan schuil gaan kennen. Juist hierdoor leert het kind om controle te krijgen op de explosieve krachten die in hem schuilen of die door de omgeving in hem of haar aangewakkerd worden. In spel worden die krachten omgezet in constructieve energie.

De ruimte transformeert in het fysiek spel tot een arena, een arena die geen toeschouwers kent, alleen deelnemers. Wel is het mogelijk dat de jongens af en toe in en uit het spel stappen, bijvoorbeeld wanneer je af getikt bent wanneer er nog slechts een tweegevecht rest of wanneer jezelf om wat voor reden ook – moe, pauze, rust, geen zin meer- even tijdelijk niet meer aan het spel wil deelnemen. Dit in- en uitstappen is belangrijk. Niet alleen voor de autonomie van het kind – het spel is immers vrijwillig – maar ook om dynamiek en variatie in het spel te houden. Door het uitstappen van een van de spelers ontstaat er ‘lege ruimte’, ofwel een mogelijkheidsruimte die nieuwe richtingen aanreikt voor het spel.

Het fysieke spel is intens en wordt gekenmerkt door een hoog energie niveau. Ieder vezel in het lijf is aanwezig en betrokken. Dit zorgt er ook voor dat het spel overdadig is, soms excessief, altijd overtollig. Die overtolligheid is nodig omdat in spel niet het werkelijke maar het mogelijke het uitgangspunt vormt.

Het fysieke spel is dus ook schreeuwerig, lawaaierig. Het is luidruchtig. In het fysieke spel zijn kinderen aanwezig: zij eisen ruimte op en dringen zich naar de voorgrond. Kinderen zijn net als dieren goed in staat om zich te verbergen en zich in de achtergrond te verschuilen. Kinderen treden echter ook uit die achtergrond naar voren. Het fysieke spel vraagt om overgave – en het is in die overgave dat zij ongemerkt zichzelf op de voorgrond plaatsen. De voorgrond biedt allerlei nieuwe mogelijkheden. Op de voorgrond treden betekent de aandacht op je durven richten, aanwezig durven zijn, volledig verschijnen en lichamelijk betrokken zijn bij de dingen, bij de omgeving, bij anderen. Maar bovenal mag in het fysiek spel het lijf in al zijn lijfelijkheid naar voren treden.

Foto: Chris Sabor

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *