Playscape

In de jaren 70 van de vorige eeuw komt het dynamisch systeemdenken in de psychologie en pedagogiek op, als reactie op de gefragmenteerde wetenschappelijke theorieën die er op dat moment heersen. In plaats van zich te concentreren op de afzonderlijke elementen wordt de aandacht verschoven naar het systeem. In het systeemdenken wordt het kind geobserveerd in de context en de omgeving waarin hij opgroeit. Op microniveau is dat het kind, op mesoniveau de school, de buurt en externe gezinsfactoren en het macroniveau omvat de maatschappij en cultuur in brede zin. Het gedrag van het kind wordt in deze visie niet gezien als een simpele keten van oorzaak-gevolg relaties maar als een samenspel van met elkaar interagerende deelsystemen. Het systeemdenken is een holistische benadering die zich richt de samenhang tussen de verschillende deelsystemen.

Een meer hedendaagse variant van het systeemdenken is de ecologische pedagogiek.  In de ecologische visie staat de mens niet los van zijn omgeving maar maakt hij deel uit van verschillende, voortdurend in beweging zijnde systemen.  De zelf-organisatie van het organisme, de aard van de omgeving en de eisen die de taak stelt bepalen gezamenlijk de uitkomst van het gedrag. De interne componenten van het organisme en de externe context staan in voortdurende wisselwerking met elkaar.  De ecologische pedagogiek kijkt niet alleen naar sociale systemen maar ziet de omgeving als een samenspel van cultuur en natuur. Binnen de ecologische pedagogiek staat de dynamiek van de wisselwerking tussen organismen centraal, met name hoe de verschillende onderdelen van het ecosysteem zich tot elkaar verhouden.

Volgense de ecologische pedagogiek maakt de mens onlosmakelijk deel uit van de natuur; we ademen de lucht in en hebben de aarde nodig om in onze primaire behoeften te kunnen voorzien. Bovendien hebben we de natuur nodig om te kunnen genieten, te spelen, tot rust te komen en om geïnspireerd te raken (Both, 2010). We staan dus niet alleen in voortdurende verbinding met het sociale landschap ook het natuurlijke landschap is wezenlijk voor ons mens-zijn.

Wanneer ik het heb over een natuurlijk landschap, dan bedoel ik daarmee niet uitsluitend wildernis of wilde natuur. Immers, ieder stukje natuur in Nederland is inmiddels gecultiveerd. Het laatste stukje oerbos is met de kap van het Beekbergerwoud bij Apeldoorn in 1871 verdwenen. Op sommige plekken in het land ontstaan er wel  ‘nieuwe wildernissen’, stukjes land waar natuurlijke processen als begrazing, overstromingen, het afsterven van bomen en het vergaan van dode dieren de ruimte krijgen.

Wanneer ik het over een natuurlijk landschap heb, dan heb ik het over stukjes land zoals een open veld, een bos, een stuk braakliggend land, een bouwterrein of een gebied met beekjes en waterplassen.  Het natuurlijk landschap is een complexe omgeving die het kind uitdaagt zowel wat betreft motorische vaardigheden als spel.

Onderzoek laat zien dat de aanwezigheid van een natuurlijke omgeving invloed heeft op de creativiteit[1] en het activiteitsniveau van een kind [2]: beiden zijn aanzienlijk hoger in natuurlijke omgevingen.  Er moet daarbij een onderscheid gemaakt worden tussen speeltuinen en natuurlijke omgevingen. Speeltuinen zijn geconstrueerde speelplekken die meestal vlak en onbegroeid zijn, bedekt met asfalt of ander materiaal, en waar een zandbak, schommel, glijbaan en andere speeltoestellen zijn geplaatst. Een natuurlijke omgeving daarentegen is een rauwer en de topografie en vegetatie ontlokken bij het kind verschillende manieren van bewegen en spelen. De kwaliteiten die kinderen in een natuurlijke omgeving waarderen zijn de volgende: de kleuren in de natuur, bomen, bossen, schaduwrijke gebieden, weiden en  plaatsen om te klimmen en te bouwen. Dergelijke natuurlijke omgevingen zijn complexer en uitdagender dan de geconstrueerde en kunstmatige speeltuinen die we met name in stedelijke woonomgevingen terugzien[3]. In een stadse omgeving geven kinderen de voorkeur aan tussenliggende stukjes terrein, zoals een braakliggend land dat verwilderd en verlaten is. Goed onderhouden gemeenteplantsoenen spreken nauwelijks tot de verbeelding.

Natuurlijke omgevingen zijn open, vrijblijvende ruimtes waar het kind een eigen invulling aan kan geven. De veelvormigheid van het natuurlijke landschap roept allerlei associaties bij het kind op waardoor spel en verbeelding vrij baan krijgen. De lijnen en vormen van het landschap geven kinderen een idee van ruimte en vorm.

Onderzoek laat zien dat kinderen het liefst spelen in gevarieerde natuurlijke omgevingen: zij kunnen zich bovendien beter verbinden met landschappen die glooien en zachte randen hebben. Lage struiken en bosjes geven de mogelijkheid van ‘doorkijkjes’, diepte en diversiteit. De natuurlijke omgeving betrekt alle zintuigen. Het gaat om onvoorspelbaarheid, om het ongebruikelijke en ongerijmde, om verrassing en ontdekking.

In het onderzoek van Moore en Wong werd een speeltuin veranderd in een natuurlijke tuin[4]. De kinderen werd gevraagd wat zij van die verandering vonden: zij associeerden de natuurlijke tuin met diversiteit, rijkheid en een vriendelijke atmosfeer.  De natuurlijke tuin riep bovendien meer omgevingsbewustzijn dan de traditionele speeltuin op.  

Een natuurlijke spelomgeving is een natuurlijke omgeving die het kind verleidt tot een scala van (spel)-activiteiten. Een veelzijdige natuurlijke omgeving daagt het kind motorisch uit. Een helling beklimmen vraagt om kracht en uithoudingsvermogen: een afdaling daarentegen vraagt om beheersing en souplesse.  Rotsen, stenen, omgevallen bomen, uitstekende wortels, vormen fysieke uitdagingen voor het kind. De natuurlijke spelomgeving is veelvormig: die verschillende vormen ontlokken een bepaald gedrag bij het kind.

De theorie van affordances van Gibson wordt in dit verband vaak als onderlegger gebruikt. Het begrip affordances verwijst naar de interactie tussen een ding en een organisme. Het ding heeft bepaalde eigenschappen waar het organisme (mens, dier, plant) op reageert. Een trap biedt bijvoorbeeld de affordance om erop te klimmen. Een stoel biedt de affordance om erop te zitten. De theorie van Gibson gaat uit van een nauwe relatie tussen perceptuele en motorische systemen.

Kinderen kijken naar de omgeving in termen van bruikbaarheid.  In een boom waarvan de takken goed verdeeld zijn, kan je klimmen. Met een steen die goed in de hand past, kan gegooid worden.  Op een rots die aan de bovenkant is afgevlakt, kan je zitten. Van een helling die glad en steil is, kan je glijden. Ligt er op diezelfde helling sneeuw, dan kan er geskied worden. Struiken en bosjes lenen zich goed voor verstop- en bouwplekken. Open velden daarentegen zijn geschikt om te vangen, te rennen, te voetballen en tikkertje te spelen.

Een voorbeeld: mijn zoon is goed in steentje ketsen. Bij steentje ketsen wordt een plat, klein steentje met grote vaart op het water gekeild waarbij het de kunst is om het steentje zo vaak mogelijk te laten stuiteren op het water. Van belang zijn de vaart van het steentje, de hoek waarmee de steen het water raakt en de draaisnelheid. Daarnaast spelen twee andere factoren een rol: een vlak wateroppervlak en het steentje zelf. Platte, ronde steentjes die niet te zwaar en niet te licht zijn, genieten de voorkeur. Samen met mijn zoon heb ik op menig warme zomerdag steentjes gekeild. Waar ik niet verder kom dan 5 keer ketsen, komt mijn zoon bij een goede worp op het drievoudige uit waarbij hij ook nog eens met gemak de overkant van de rivier haalt. Minstens net zo leuk als het ketsen is het zoeken naar geschikte stenen. De stenen moeten zeker niet te zwaar zijn want een zware steen verdwijnt na één dramatische plons direct naar de bodem. Plonzen is sowieso geen goed teken: het steentje moet zich al stuiterend en dansend over het wateroppervlak verplaatsen. Bij voorkeur is het steentje vlak en ovaal of rond. Een puntige steen maakt weinig kans net als een hoekige of gebolde steen. Bij twijfel neem je het steentje in de hand: je voelt de textuur, de vorm, de zwaarte en schat in of het een geschikte steen is om te werpen. Op grond daarvan bepaal je de affordance die het betreffende steentje heeft wanneer het gaat om ketsen. Onnodig om te zeggen dat een steen waarmee je een muur wil bouwen om geheel andere affordance kwaliteiten vraagt. In dat geval zal het vooral om stapelbaarheid gaan.

Het kind reageert aldus intuïtief op de affordances die zich in de natuurlijke spelomgeving bevinden. In dit verband wordt ook wel gesproken van playscape: de elementen die in een landschap aanwezig zijn en die bepaalde spelactiviteiten bij het kind ontlokken.[6]

Het is belangrijk om hierbij op te merken dat de affordances van een kind van een andere aard zijn dan die van volwassenen. Neem een stoel. De meeste volwassenen associëren de stoel met de affordance ‘zitten’. Maar voor een kind kan de stoel van alles betekenen: een stoel kan het voorste gedeelte van een trein zijn, een stoel kan gebruikt worden om iets van de tafel te pakken, een stoel kan het fundament vormen van een hut en een stoel kan ook iets zijn waar je op kunt zitten.  Waar volwassenen veel doelgerichter naar de objecten in de omgeving kijken en doorgaans slechts één of een beperkt aantal affordances aan een bepaald object toekennen, daar is een voorwerp voor een kind meer diffuus en veelvormig van aard.

Een object kan talrijke affordances oproepen die bovendien vaak tijdelijk en vluchtig van aard zijn. Een tak kan gebruikt worden om vuur mee te maken maar ook om er een pijl en boog van te maken. Met een tak kun je een hut maken, een speer, of eigenlijk elk soort wapen. Je kan er vijanden mee verslaan. Je kan met een tak zwaaien, ermee zwiepen, en ga zo maar door.

Er zijn volgens mij twee redenen waarom de affordances van kinderen meer dynamisch en variabel zijn. Allereerst worden affordances bij kinderen nog meer getriggerd door de verbeelding dan bij volwassenen. Ten tweede is er bij kinderen een minder strak onderscheid tussen mens-zijn, dier-zijn en object-zijn.

De natuurlijke spelomgeving roept een scala van affordances bij het kind op. Is het daarom dat we het zo belangrijk vinden dat kinderen buiten spelen? Het is een ongeschreven regel dat het kind iedere dag even naar buiten moet om een frisse neus te halen. De buitenlucht is goed, de buitenlucht is gezond, de buitenlucht maakt actief. De buitenlucht zou het kind zelfs gelukkiger maken.

Tot slot nog eens de feiten op een rijtje:

  • Onderzoek van Fjørtoft (2000) laat zien dat kinderen in een natuurlijke spelomgeving een betere balans en coördinatie ontwikkelen ten opzichte van kinderen die in een speeltuin spelen. Bovendien zijn zij motorisch fitter. Dit laatste wordt ook bevestigd door een ander onderzoek van Fjortoft en Sagele.
  • Onderzoek laat zien dat een natuurlijke spelomgeving verschillende soorten spel uitlokt: de heterogeniteit en diversiteit zorgen ervoor dat kinderen zowel fysiek, sociaal als in de verbeelding worden uitgedaagd (Fjørtoft en Sagele, 2000).|
  • Natuurlijke spelomgevingen lokken samenwerking en constructief spel uit (Kuh, Ponte, Chau, 2013). Ook leren kinderen risico’s te nemen en beter in te schatten in natuurlijke spelomgevingen (Bento & Dias, 2017). 
  • Kortom, de natuurlijke spelomgeving stimuleert:
    – creativiteit en probleemoplossen vermogen (Kellert, 2005)
    – samenwerking tussen kinderen (Bell & Dyment, 2006)
    – verhoogt aandacht en focus van kinderen en daarmee de cognitieve ontwikkeling (Wells, 2000)
    – de motorische ontwikkeling (Bell & Dyment, 2006)
    – zelfcontrole en zelfdiscipline (Taylor, Kuo and Sullivan, 2001)
    – en vermindert stress (Wells en Evans, 2003).

 

Footnotes:

[1]Lindholm, G. (1995). Schoolyards- The Significance of Place Properties to Outdoor Activities in Schools. Environment and Behavior, 23(3), pp. 259-293.

[2]Baranowski, T., Thompson, W.O., DuRant,  R.H., Baranowski, J., & Puhl, J. (1993). Observations on Physical Activity in Physical Locations: Age, Gender, Ethnicity, and Month Effects. Research Quarterly for Exercise and Sport, 64(2), pp. 127-133.

[3]Fjørtoft, I. (2000). Landscape as Playscape: Learning Effects from Playing in a Natural Environment on Motor Development in Children. Doctoral Dissertation. Oslo: Norwegian University of Sport and Physical Education.

[4]Moore, R.C., & Wong, H.H. (1997). Natural Learning: Creating Environments for Rediscovering Nature’s Way of Teaching. Berkley: MIG Communications.

[5]Gibson, J. (1979). “The Ecological Approach to Visual Perception.” Boston: Hughton Mifflin Company.

[6]Frost, J. L. (1992). Play and Playscapes. New York: Delmar Publishers Inc.

Kuh, L. P., Ponte, I., Chau, C., (2013). The impact of a natural playscape installation on young children’s play behaviors. Children, Youth and Environments, 23(2), 49-77.

Bento, G., & Dias, G. (2017). The importance of outdoor play for young children’s healthy development. Porto Biomedical Journal, 2(5), 157-160.

Kellert, S.(2005). Building for Life: Designing and Understanding the Human-Nature Connection.Washington, DC: Island press.

Bell, A.C., & Dyment, J.E. (2006). Grounds for Action: Promoting Physical Activity through School Ground Greening in Canada. Available at: http://www.evergreen.ca/en/lg/lg-resources.html
 
Wells, N.M., Evans, G.W. (2003). Nearby nature: A buffer of life stress among rural children. Environment and Behavior, 35, 311-330.
 

Wells, N.M. (2000). At home with nature: Effects of greenness on children’s cognitive functioning. Environment and Behavior, 32, 775-795.

Taylor, A.F., Kuo, F.E., &  Sullivan, W.C. (2001).Coping with add: The surprising Connection to Green Play Settings. Environment and Behavior, 33(1), 54-77. 

Picture: Benjamin Davies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *