Teken spel

Dit is een tekening van Lisa, destijds 5 jaar oud. De tekening is een kleurenveld dat bol staat van intensiteiten en ritmes. De krassende bewegingen die zich middels herhaling en variatie in alle richtingen over het papier verspreiden, vormen een ritmisch motief. De felle contrastrijke kleuren vormen dynamische kleurvlakken waarin een aantal vormen (de vlinder en de hartjes) zijn verwerkt. In de linkerhoek is een stukje wit uitgespaard, precies genoeg om er de eigen naam in kwijt te kunnen.

In een ontwakende motoriek die nog niet geheel verfijnd maar al wel in ontwikkeling is, toont Lisa in haar tekeningen een expressieve wereld, rijk aan contrasterende kleuren en ritmes. Vorm is hier ondergeschikt aan kleur. Het zintuiglijke voert de boventoon. De schokkerige kleurvlakken drukken met name sensibiliteiten uit.

We kunnen niet achterhalen hoe de kleutertekeningen precies tot stand zijn gekomen en wat Lisa’s intenties waren – wellicht wilde Lisa de tuin tekenen, een mooie zomerdag, de wolken, het gras. Misschien wilde ze wel alles tegelijkertijd tekenen. Feit is dat ze zich in de tekening liet leiden door het zintuiglijke en het tactiele: ze werd mee gevoerd door de krijtjes en stiften die op de werktafel lagen uit gestald. Het roze krijtje lokte uit om te krassen: het roze moest op haar beurt omheind worden door het rode. Het rode vroeg om het groene en toen kon het blauwe niet meer achterblijven. De tekening werd niet gemaakt: zij ontstond.

Ik beweer: jonge kinderen hebben een sterke voorkeur voor het intense. Felroze is de lievelingskleur van vrijwel alle jonge kinderen, zowel jongens als meisjes. Pas als jongens ontdekken dat roze voor meisjes is, kiezen zij strategisch voor groen. Ook een intense kleur.

De tekening van Lisa ais intens en dynamisch. De tekening is in beweging. De ene kleur staat in directe nabijheid van de andere. De kleuren lossen niet in elkaar op maar blijven aanwezig, ze blijven dichtbij en naast elkaar bestaan. 

In de tekening kunnen we drie gebieden onderscheiden: de contour, de figuur en het veld[1]. De centrale figuur is de vlinder die door de hartjes wordt bij gestaan. De figuur komt tevoorschijn vanuit een innerlijke logica van strepen en streken. De vlinder staat precies in het midden en bevindt zich zowel op de voorgrond als de achtergrond. Dat wil zeggen: de vlinder doemt op uit de achtergrond maar drukt zichzelf ook weer terug in diezelfde achtergrond. Het is door de contour dat we de vlinder kunnen herkennen. De dunne blauwe streepjes zijn de antennes die eindigen in rood/blauwe knotsen die met een donkere kleur zijn omlijnd. Ook het borststuk en de vleugels zijn omlijnd. Lisa tekent hier de archaïsche vlinder: het is niet de willekeurige vlinder die we op een bloem, struik of veld zullen aantreffen maar de vlinder als symbool voor het lieflijke. Niet voor niets wordt deze vlinder bij gestaan door twee hartjes. De vlinder is anatomisch niet correct, iets wat er in het geheel niet toe doet. Wat we hier namelijk zien, is de oervorm van de vlinder.

De contour isoleert de figuur van de ruimte erom heen. Maar omdat Lisa de contouren nauwelijks benadrukt, maken de figuren (vlinder en hartjes) net zo goed onderdeel uit van de achtergrond (de omringende ruimte) als dat ze daar van los komen. Een mooi voorbeeld zijn de hartjes: het zwarte hartje is door het contrast in kleur en door de omlijning goed herkenbaar als figuur. Het oranje hartje daarentegen blijft goed verborgen, omdat het dezelfde kleur heeft als de achtergrond. Het is door de flinterdunne contour dat het oranje hartje toch nog enigszins loskomt van de omgeving. Het blauwe hartje tot slot ligt goed verborgen, alleen een kieskeurig oog kan het hartje ontdekken.

Tot slot is er het veld. In de tekening van Lisa bestaat het veld uit contrasterende kleuren. Het veld is ongestructureerd, richtingloos en beweegt roekeloos alle kanten op. Het gevolg daarvan is dat de betekenis van de centrale figuren naar achter wordt gedrongen en de tekening allereerst een puur spel wordt van lijnen, kleuren en krachten. De betekenis ervan ligt volledig besloten in het zintuiglijke.

Ik weet niet of ik de tekening mooi vind. Of eigenlijk weet ik het wel: ik vind de tekening mooi! De reden daarvoor is niet zozeer esthetisch als wel gevoelsmatig van aard. De tekening is van mijn dochter, ik hou van mijn dochter en de tekening is een expressie van haar gevoelstoestand op dat moment. Daarom vind ik haar tekening mooi. En ook omdat de tekening zo direct en eerlijk is: er zit niets tussen, het verhult niets, het toont niets, de tekening is er gewoon.

Omdat het niets toont, hoeft het niet getoond te worden.

Door de jaren heen heb ik in mijn huis weinig kindertekeningen opgehangen. En als ik dat al deed, dan kwamen die tekeningen vooral te hangen op de neutraalste plekken in huis (de gang of de trap). Velen van hen heb ik verzameld in een map. Maar velen zijn ook verdwenen in de kinderkunstbewaarbak[2]. Kinderen zijn namelijk uiterst productieve wezens: zij kunnen in een kort bestek enorm veel tekeningen produceren. 

Misschien heb ik de kindertekeningen niet opgehangen omdat ze te aanwezig zijn, te dominant in het sturen van mijn blik. Ze zuigen de blik op, eisen ongeduldig de aandacht op. Immers, het intense is luidruchtig[3]. Fiets op een doordeweekse dag door een woonwijk, halverwege de ochtend, rond half elf zo’n beetje en het contrast wordt onmiddellijk duidelijk. Kijk naar de verlaten huizen van de bewoners die in alle vroegte naar hun werk zijn vertrokken.  Een vogeltje tjilpt, een vuilniswagen rijdt voorbij, iemand is op weg om boodschappen te doen, een huisvader sjokt achter de kinderwagen aan. Dat is het straatbeeld. Nu gaan we de hoek om, een stukje rechtdoor .Een driehoekig bord met spelende kinderen kondigt de school aan. Een deur gaat open. Kinderen stormen naar buiten al schreeuwend, lachend en roepend. Een uitbarsting van energie. Datgene wat zich urenlang heeft opgekropt, komt er nu uit. Het contrast tussen neergedaalde rust (de wijk zelf) en energieke ontlading (de kinderen op het schoolplein) is bijna onwerkelijk.

 

Dit is een andere tekening van Lisa, ook getekend toen zij 5 jaar oud was.  Vormen zoals een vlinder of hartje zijn ditmaal achterwege gelaten en de tekening is volkomen abstract. Opnieuw signeert Lisa haar tekening, ditmaal tegen een blauwe achtergrond waardoor de letters slechts ten dele te lezen zijn. Met haar naam laat Lisa zien dat de tekening af is, voltooid,  compleet – en natuurlijk ook dat ze haar eigen naam al schrijven kan.

De onvolkomen techniek werkt hier in het voordeel: de fijne motoriek is nog dermate in ontwikkeling dat een volstrekt realistische tekening eenvoudigweg een onmogelijke opgave zou zijn. Er resteert dus niets anders voor het jonge kind dan zich over te geven aan het kleurenspel dat op papier ontstaat. De uitspattingen van de kleuren, de voorkeur voor het primaire, het intuïtieve en het ritmische: het is er zonder voorbehoud en zonder twijfel.

Jonge kinderen worden nog niet gehinderd door het levensechte, de drang om de werkelijkheid zo goed mogelijk op papier na te bootsen. Misschien voelen ze die drang wel maar hun motorische onvermogen dicteert een andere aanpak. Een aanpak die losser en vrijer is. Een aanpak die niet gebonden is aan techniek maar die zich laat leiden door een puur spel van affecten. Doordat jonge kinderen niet beknot worden door techniek, zijn ze beter in staat om dichter  bij de eerste impuls, de eerst gevoelde expressie te blijven.

Toch is die behoefte aan levensechtheid al onder de oppervlakte aanwezig. Een paar jaar later kan het oordeel van een kind over zijn eigen tekening keihard en meedogenloos zijn: ‘Lelijk’, ‘Lijkt niet’, ‘Mislukt’ of, ‘Zie je wel, ik kan niet tekenen’. Niets is zo vernietigend dan het eigen oordeel. Met als gevolg dat velen van ons (inclusief mijzelf) zich afkeren van het tekenen en het niveau van een zevenjarige nooit meer zullen overstijgen. Er zijn echter ook enkele doorbijters die techniek en levensechtheid niet als een beperking ervaren maar als een mogelijkheid om een nieuw territorium te betreden.  

Laten we de twee tekeningen van Lisa nu eens vergelijken met een tekening van Luuk (destijds 7 jaar). Iets anders openbaart zich. De twee tekeningen van Lisa zijn totaal en allesomvattend: het is in haar geheelheid dat wij moeten trachten de tekening te waarderen en te doorgronden[4]. De kleutertekening is een Gestalt, een totaalbeeld waarin eenvoud en intensiteit met elkaar samenvloeien. Zelfs de vlinder en de hartjes lossen in de achtergrond op terwijl ze als vorm herkenbaar blijven. Dan de tekening van Luuk. In de tekening zien we een verzameling van gewervelde fantasiedieren (zes in totaal) die als gevolg van de witte achtergrond goed te onderscheiden zijn. De zes fantasiedieren vormen desalniettemin een geheel – vanwege een zekere gelijkvormigheid maar ook doet de staart van de schildpad hier zijn werk.

Luuks tekening is een verzameling. Lisa’s tekening daarentegen is een gestalt.

De tekening van Lisa is intens omdat het beeld zich als geheel aan de toeschouwer opdringt: hoewel de kleuren op zichzelf staan – ze versmelten niet met elkaar – hebben ze elkaar als contrast nodig. De strepen bepalen de richting en de beweging. In de tekening van Luuk daarentegen, onderscheiden we duidelijk omlijnde figuren.

 

In andere woorden: de kleutertekeningen van Lisa zijn associatief en intuïtief. De betekenis ontstaat door het samenspel van kleuren: de betekenis is niet vooraf aanwezig maar vormt zich. In het geval van Luuk ligt de betekenis als het ware bovenop de tekening. De betekenis is leidend in wat we zien: het is de betekenis en de herkenning van die betekenis waardoor we de tekening kunnen duiden. In het geval van Lisa is betekenisgeving veel complexer: goed, we zien een vlinder, we zien twee hartjes, en we mogen aannemen dat Lisa net als veel andere meisjes op die leeftijd een voorkeur heeft voor lieflijke symbolen. Toch zijn de vlinder en de twee hartjes niet leidend voor de betekenis. De betekenis ligt in de kleurvlakken, in de strepen, in de krassen, in het tactiele. De tekening van Lisa raken we aan: de tekening van Luuk aanschouwen we. 

Moge duidelijk zijn dat ik hiermee geen waarde oordeel uitspreek over beide tekeningen.

De tekening van Lisa is tactiel en nabij. De tekening van Luuk kent meer distantie.  De vraag is nu hoe een tekening zulke intense sensaties kan produceren. Het oog kent namelijk altijd afstand tot het waargenomene. De tastzin daarentegen staat in direct contact met datgene wat het aanraakt – aanraking is daarmee altijd een gevoelde aanraking. Volgens Deleuze is het oog echter ook in staat om de dingen aan te raken. Hij noemt dit ‘haptische visie’: het oog raakt het getekende aan.  In plaats van het afstandelijk aanschouwen, is het oog dichtbij de dingen. En vice versa: de dingen zijn dichtbij het oog. De kleuren in de tekening van Lisa raken diverse sensorische registers aan bij degene die ernaar kijkt.

In de tekeningen van Lisa gaat het om kwaliteiten zoals kleur, intensiteitsniveau, ritme en beweging. Gevoelsgewaarwordingen dus, en juist die belemmeren het toekennen van een eenduidige (talige) betekenis. De tekening hieronder (daterend van 6 november 2011, Lisa is 5 jaar oud) is daar een goed voorbeeld van. Het oog van de toeschouwer is op zoek naar herkenning, naar houvast. Zo vraag ik me bijvoorbeeld af of de tekening niet een kwartslag gedraaid moet worden zodat het blauwe blok met het gele golvende dak een berg wordt of een burcht/kasteel. De donkerblauwe golfbeweging zou dan een soort trap kunnen zijn.

Het oog zoekt naar houvast maar vindt die niet. Het oog blijft rusteloos, zoekende, omdat zich geen herkenbare vorm openbaart. Als gevolg daarvan blijft de betekenisgeving fluïde. Wat de tekening oproept zijn ‘vitality affects’, een term afkomstig van ontwikkelingspsycholoog Daniel Stern[5]. Vitality affects zijn dynamische, kinetische kwaliteiten die gezamenlijk de expressiviteit van de tekening bepalen. Het gaat daarbij niet om statische emotionele aspecten maar om dynamische gevoelstoestanden, dat wil zeggen kwaliteiten van een ervaring die dynamische bewegingskenmerken omvatten zoals golvend, schokkend, vluchtig, vervagend, explosief, crescendo (luider), decrescendo (afzwakkend), losbarstend, uitgerekt etc. Deze kwaliteiten zijn moeilijk in taal te vangen omdat ze in de geleefde ervaring vervat liggen. Het zijn gevoelservaringen die direct, en zonder tussenkomst van de taal, aan het lijfelijk ontspruiten.  

In andere woorden, de kleutertekening communiceert niet een specifieke inhoud maar weekt associaties en sensibiliteiten bij de toeschouwer los.  Door abstracte kwaliteiten als kleur, vorm en ritme, wordt een primaire zijnstoestand opgeroepen die dichter tegen het zintuiglijke dan tegen het representatieve aanleunt. De tekening ontsnapt telkens weer, de betekenis ervan kan niet worden vastgelegd.

De betekenisgeving is aldus fluïde en dynamisch. Hoewel Luuks tekening ook nog steeds veel openingen en ingangen biedt voor betekenisgeving, zijn de contouren ervan veel scherper zichtbaar. Er is sprake van een bewust gestileerde vorm.  In Lisa’s tekening is sprake van een puur spel van affecten en intensiteiten – ik zeg puur, maar er dienen zich reeds bepaalde herkenbare vormen aan (hartjes, vlinder, berg of burcht). In Luuks tekening is er meer afstand tussen de toeschouwer en de tekening omdat de betekenisgeving zich er tussen zet. Bij Luuk kruipen we in zijn hoofd. Bij Lisa in haar zintuiglijke zijn.

De vraag is nu: wat zijn de consequenties van een dergelijke gedachtegang? Suggereer ik hiermee  dat een kind langer in het zintuiglijke zou moeten vertoeven? Is dat wenselijk? Ik heb geen idee. Iets in mij zegt me dat die intensiteit (die zo sterk verbonden is aan het zintuiglijke) goed is, dat we dat meer zouden moeten koesteren omdat het een primaire levensenergie is. Aan de andere kant is er niks mis met het kanaliseren van die energie. Vergeet ook niet dat het een onomkeerbaar proces is: de fijne motoriek ontwikkelt zich gestaag verder, de taalbeheersing komt op gang. Als gevolg van het eerste zal het kind zelf meer eisen gaan stellen aan de levensechtheid van de tekening en zijn technische bekwaamheid. Als gevolg van het tweede zal het kind meer behoefte krijgen aan het fixeren, stileren en categoriseren van betekenissen.

Dus: de ontwikkeling van het kind staat het behoud van het intense in de weg.

Ja en nee.

Ja: opgroeien betekent niet alleen dat het geleerde zich op elkaar stapelt. Aan de onderkant, bovenkant of zijkant (het is maar net hoe je het bekijkt) slipt er ook altijd iets weg.

Nee: uiteindelijk is het de kunst hoe in verdergaande beheersing en controle (van zowel de motoriek als de taal) het intense kan blijven doorsijpelen. Niet meer zo luidruchtig als eerst maar meer subtiel, in een vorm gegoten. Kunstenaars verstaan die taal: zij zijn in staat om door de techniek en beheersing heen deze intensiteiten op te roepen. Zij blijven dicht bij de dingen.

Maar hoe doen ze dat?

Ik vermoed dat hier geen recept voor is. Het dichtbij de dingen blijven is eigenlijk niet te leren. De reden hiervoor is dat het niets met aanleren noch met afleren te maken heeft. Het gaat erom dat je toegang blijft behouden tot een wordingstoestand waarvan het nut met het ouder worden geleidelijk aan afneemt.  Ik denk wel dat het helpt om te blijven tekenen, kliederen, knutselen, schetsen en vooral ook om veel te blijven prutsen en aan te rommelen

 

Voetnoeten:

[1]Deze kenmerken zijn ontleend aan Deleuze’s analyse van Bacon’s schilderijen. Zie: Deleuze, G. (2003). Francis Bacon:The logic of sensation.Translatedby D.W. Smith. London/New York: Continuum. Zie ook: Lingis, A. (2014). Concepts and Colours. In A. Calcagno. J. Vernon and S.G. Lofts (Eds.), Deleuze/Guattari and the Arts: Intensities & Lines of Flights, pp. 83-97. London: Rowman & Littlefield.

[2]Kinderkunstbewaarbak is een andere naam voor prullenbak, een woord dat ik heb geleend van meester John van de Kinkerbuurtschool.

[3]Het intense is vaak luidruchtigmaar niet altijd. Het intense kan namelijk ook in het kleine en subtiele zitten.

[4]Huizinga, J. (1938/1985). Homo Ludens: Proeve Ener Bepaling Van Het Spelelement Der Cultuur. Groningen: Wolters-Noordhoff.

[5]Stern, D.N. (1998). The interpersonal world of the child: A view from psychoanalysis and developmental psychology.London: Karnac Books.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *