Verbeeldend spel

0 Comment

Ik luister graag naar Cocorosie, een Amerikaans zussen duo dat melodische en eigenzinnige muziek maakt. In de VPRO documentaire ‘The Eternal Children’ zien we de twee zussen, Bianca en Cassidy, die op hun BMX door de straten fietsen. Op de achtergrond horen we een stem die een trompet nabootst, als ook het gekras van kinderinstrumentjes en zacht geneurie. De twee zussen maken een scherpe bocht en komen midden op de weg tot stilstand. ‘We hebben last van elfjes’ zegt Sierra, ‘Ze halen spelletjes met ons uit. Zie je die happen in mijn haar? Zie je dat? Dat  heb ik niet gedaan. Ik heb elfjes in mijn huis en daar word ik gestoord van. Als ik slaap, knippen ze in mijn haar. S’ochtends zie ik er achterlijk uit. Ik krijg ze niet weg. Overal haar op mijn kussens. De schaar ligt er ook, en ik denk, verdikkeme, het is weer raak. Kijk nou’. De film verplaatst zich naar de muziekstudio waar we Sierra en Bianca achter een opname microfoon zien zingen. ‘If every angel is terrible, why do you welcome them’ zingt Bianca. De muziek sterft weg en de moeder van de twee zussen komt in beeld: ‘Een deel van de magie is dat jij niet weet of zij het weten. Je krijgt er nooit helemaal grip op. Zoals dat verhaal van Sierra en de elfjes. Je weet nooit of ze dat vertelde omdat ze het geloofde of omdat ze wilde zien hoe je zou reageren. Of een andere reden. Daar kom je niet achter’.

De eeuwige kinderen, zo heet de documentaire, en dat is niet voor niet want het zijn kinderen die zich volledig overgeven aan de verbeelding. Magisch denken wordt het in de literatuur genoemd.  Wie magisch denkt, is er van overtuigd dat de wereld bezield is. In het magisch denken leggen we allerlei denkbeeldige verbanden die rationeel niet navolgbaar zijn: dingen leiden hun eigen bestaan, levenloze objecten kunnen tot leven gewekt worden, met onze gedachten kunnen we de loop der dingen beïnvloeden en buitengewone krachten kunnen de oorzaak van een bepaalde gebeurtenis zijn. In het magische denken leggen we een oorzakelijk verband tussen twee schijnbaar willekeurige gebeurtenissen. Een voorbeeld: een kind denkt dat het overlijden van zijn opa te maken heeft met het muziekdoosje. Normaal gesproken draait hij het muziekdoosje iedere avond op. Het is een onderdeel van het bed ritueel. Op de avond dat zijn opa overlijdt, vergeet het kind om het muziekdoosje op te draaien, daarna maakt de gedachte dat het vergeten muziekdoosje de oorzaak is van het overlijden van zijn opa zich van hem meester.

Ik zelf ben behoorlijk bijgelovig.  Wanneer ik zeg ‘ik heb nog nooit mijn been gebroken’ dan klop ik die overmoedige uitspraak meteen even op hout af. Een plastic of stenen ondergrond is niet voldoende: het moet hout zijn. Op het station lees ik trouw de horoscoop, en verrek, dat klopt bijna altijd. Soms zelfs in zo’n hoge mate dat ik er de kriebels van krijg. Als het wekenlang goed met me gaat, dan vrees ik dat onheil op me af zal komen. Want het kan toch nooit zo goed gaan? Op een gegeven moment moet het geluk toch op zijn?

We kunnen dergelijk gedachten afdoen als primitieve gedachten, als denkfouten, als onvolkomenheden van onze ratio. Magisch denken zou inferieur zijn aan het wetenschappelijk, empirisch denken. Maar is dat zo? Van jonge kinderen wordt vaak beweerd dat zij nog onvoldoende onderscheid kunnen maken tussen fantasie en werkelijkheid. De theorieën over hoe de wereld in elkaar zit zouden bij kinderen nog onvoldoende zijn uitgedacht. Door het gebrek aan kennis moeten zij hun toevlucht nemen tot magische verklaringen.

Laten we het geval eens van dichterbij bekijken.

In een overzichtsartikel laat Jacqueline Woolley[1]overtuigend zien dat kinderen niet fundamenteel verschillen van volwassenen wat betreft het magisch denken. Kinderen leven in een magische wereld, in een wereld waar konijnen kunnen praten, vissen kunnen vliegen en wensen kunnen uitkomen.  Woolley spreekt consequent van fantasie: het geloof in een entiteit waar geen enkel empirisch bewijs voor is. Fantaseren is een manier van denken waarbij de algemene regels van de logica worden overschreden. Daarbij is sprake van een continuüm. Aan de ene kant van het continuüm bevindt zich het denken dat in overeenstemming is met de theorieën en het empirisch bewijs dat we hebben verzameld over de wereld.  Aan de andere kant van het continuüm bevindt zich het denken dat volledig geleid wordt door de fantasie. Woolley maakt een onderscheid tussen ‘fantastisch denken’ en ‘denken over fantasie’. Fantastisch denken is het magische denken, een manier van denken die de principes van de materiële wereld aantast. Denken over fantasie omvat de kennis over  uiteenlopende fantastische entiteiten. Fantastisch denken gaat over proces, denken over fantasie gaat over inhoud.

In de ontwikkelingspsychologie wordt het magische denken met name gesitueerd in de leeftijd van 3 tot 6 jaar. Vanaf 3 jaar zijn peuters in staat om een mentale entiteit (een beeld of een gedachte) te scheiden van het object dat het representeert. Vanaf die leeftijd wordt het dus ook mogelijk om een object, zoals bijvoorbeeld een tandenborstel, op verschillende manieren te gebruiken: om je tanden te poetsen (echt), te dirigeren (alsof) of te telefoneren (alsof). De mogelijkheden zijn eindeloos. Kinderen in deze leeftijd zijn volop bezig met wat echt en wat doen alsof is. Tussen de 2 en 5/6 jaar kent het doen-alsof spel zijn hoogtepunt. In deze leeftijd hebben 25% tot 65% van de kinderen een denkbeeldig vriendje. De overgrote meerderheid gelooft in Sinterklaas. Heksendrankjes, vliegen op een bezemsteel, bezweringen, monsters onder het bed, het is op deze leeftijd allemaal mogelijk en denkbaar.

In het magisch denken wordt aan twee gebeurtenissen die elkaar onmiddellijk opvolgen een causale link toebedacht zonder dat er empirisch bewijs voor die link is. In het bovenstaande voorbeeld zagen we dat het muziekspeeldoosje in verband wordt gebracht met het overlijden van opa. Magisch denken omvat volgens Piaget: (1) het geloof dat de werkelijkheid door een gedachte veranderd kan worden (iets vurig wensen en hopen dat het werkelijkheid wordt bijvoorbeeld) (2) het geloof dat een bepaalde handeling invloed kan hebben op een gebeurtenis (ik mag de randen van de trottoirtegels niet aanraken want anders….) en (3) het geloof dat een object een ander object kan beïnvloeden (een muntje verdwijnt door de theedoek).

Veel jonge kinderen geloven dat iets wat verbeeld wordt ook werkelijk kan worden. Dit wordt de true fiction error genoemd.  In een experiment onder 4- tot 6-jarigen werd aan de kinderen gevraagd om zich in te beelden dat er een konijn of monster in de doos lag. Vervolgens verliet de onderzoeker de ruimte. Veel van de kinderen keken tijdens de afwezigheid van de onderzoeker even stiekem in de doos of reageerden angstig op de monster doos. Echter, toen aan de kinderen duidelijk werd gemaakt dat het doen-alsof spel voorbij was, lieten kinderen nog nauwelijks true fiction errors zien. Bovendien bleek de aanwezigheid van een volwassene een rol te spelen bij het wel of niet onderdrukken van magisch denken. Kinderen die even alleen werden gelaten, konden zich makkelijker overgeven aan het magische denken.

In een tweede experiment[2]werd kinderen gevraagd om zich in te beelden dat er een object in de doos zat (bijv. een pen). Het experiment werd zogenaamd onderbroken, een onbekend persoon kwam binnen en vroeg het kind naar het ingebeelde object: ‘Sorry, ik wil jullie niet storen maar ik ben op zoek naar een pen. Ik kan er geen vinden. Hebben jullie toevallig een pen?’ Wat bleek? Hoewel de meerderheid van de kinderen beweerde dat de ingebeelde pen in de doos zat, overhandigden slechts weinig kinderen de doos (met daarin de ingebeelde pen) aan de onbekende persoon. Volgens onderzoekers kunnen kinderen meegaan in allerlei magische gedachten maar op het moment dat de realiteit zich praktisch aandient (de onbekende persoon die op zoek is naar een pen) weten de kinderen een correct onderscheid te maken tussen het gefantaseerde en het echte.

In situaties waar het duidelijk is dat hun acties werkelijke consequenties hebben, zullen kinderen in de leeftijd van 3-6 jaar dus niet snel een true fiction error maken. In situaties waarin het magisch denken aangemoedigd of gestimuleerd wordt, zullen kinderen veel vaker een true fiction error maken. Kinderen staan meer open voor het magisch denken als zij een sprookje horen of een verhaal van een kind dat iets magisch heeft mee gemaakt.

Dat wil overigens niet zeggen dat jonge kinderen moeite hebben met het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid. Op het moment dat de praktische realiteit zich aandient, weten ze het onderscheid maar al te goed. In het alledaagse leven beseft het kind dondersgoed wat echt is en wat ingebeeld is. Wanneer kinderen bijvoorbeeld zin hebben in een koekje, dan willen ze het echte koekje, het inbeelden van het koekje volstaat dan niet.

Het is wel zo dat jonge kinderen in het verbaal redeneren een beter onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid kunnen maken dan in het getoonde gedrag. Bijvoorbeeld: wanneer een kind bang is voor monsters onder zijn bed, dan zal hij verbaal beredeneren dat monsters niet bestaan terwijl hij tijdens het bed ritueel toch even onder zijn bed zal kijken.  Een mogelijke verklaring hiervoor is dat een emotie (angst) makkelijker doorsijpelt in gedrag (onder het bed kijken). Verbale redeneringen, zoals tegen zichzelf zeggen dat monsters niet bestaan, helpen het kind op zijn beurt om controle te krijgen over de angst.

Jonge kinderen geloven dat door iets vurig te wensen, de wens kan uitkomen.  Iets wensen is niet zozeer een manier om iets gedaan te krijgen – dat natuurlijk ook – maar het is voor kinderen een magisch proces waar vaardigheden en knowhow aan te pas komen. Een toverspreuk moet op de juiste manier, met de juiste concentratie en met de juiste woorden worden uitgesproken.

Kinderen geloven dat magische woorden of spreuken de werkelijkheid kunnen beïnvloeden. In een experiment werd eerst aan 4 tot 6 jarige kinderen gevraagd in hoeverre zij geloofden dat objecten in kwaliteit kunnen veranderen. Er werden aan hen vragen gesteld als: Kan een stevig stuk glas doorlaatbaar worden? Kan een getekend object een echt object worden? De onderzoekers vroegen ook aan de kinderen in hoeverre zij dachten dat bepaalde processen omkeerbaar waren, zoals ‘Kun je weer een baby worden’?

Aan het begin van het experiment ontkenden bijna alle kinderen de mogelijkheid dat een getekend object een echt object kon worden. De onderzoeker vertelde vervolgens een sprookje over een kind met een magische doos die allerlei tekeningen van objecten kon omtoveren tot echte objecten. Een aantal dagen later nodigde de onderzoeker de kinderen weer uit, gaf hen een doos die er net zo uitzag als de doos uit het sprookje met een aantal tekeningen van objecten erbij. Terwijl de kinderen in eerste instantie de mogelijkheid van magie ontkenden, ging 90% van de kinderen met de magische doos aan de slag. Ze kozen een tekening met een object uit, maakten gebaren en prevelden magische spreuken. Toen ze de doos openden en alleen de tekening van het object zagen en niet het werkelijke object, waren ze zichtbaar teleurgesteld.

Kinderen laten onderling grote verschillen zien in het magisch denken. Het ene kind zal langer magisch blijven denken dan het andere kind. Niet zozeer leeftijd als wel kennis over natuurkundige principes (zoals zwaartekracht) lijkt bepalend te zijn voor het al dan niet geven van een magische verklaring aan een bepaalde gebeurtenis. In een ander onderzoek werd een glazen fles met een dunne, spiralen bovenkant op de kop gehouden: de blauwe vloeistof droop merkwaardig genoeg niet naar beneden maar naar boven. Kinderen van alle leeftijden gaven een magische verklaring aan deze gebeurtenis.

Veel kinderen laten de deur open voor magie. Dat wil zeggen dat zij de mogelijkheid dat magie aan het werk is, nooit volledig uitsluiten. Kinderen weten bijvoorbeeld dat dieren niet kunnen krimpen of van vorm kunnen veranderen: zij accepteren echter wel de mogelijkheid dat zulke transformaties onder invloed van magie kunnen plaatsvinden.

Samenvattend kan gesteld worden dat jonge kinderen magische krachten inzetten om gebeurtenissen uit de echte wereld te verklaren. Echter dit leidt bij kinderen (ouder dan 4 jaar) niet tot een verwarring tussen fantasie en werkelijkheid. Het toekennen van magische krachten gebeurt in situaties waarin de kennis van natuurkundige principes nog ontoereikend is. Bovendien beseffen kinderen op zo’n moment dat ze een magische verklaring geven.

Zouden we vanuit een ontwikkelingsperspectief kunnen stellen dat het magisch denken geleidelijk aan plaatsmaakt voor het empirisch, wetenschappelijk denken? Hm, ik ben sceptisch over een dergelijke gedachtegang. Impliciet suggereer je daarmee dat het magisch denken voorafgaat aan het empirisch wetenschappelijk denken, dat het er inferieur aan is, dat het een ruwe, onuitgewerkte vorm van denken is. Magisch denken zou kinderachtig zijn. Primitief.

Het magisch denken zien we niet alleen terug bij kinderen maar ook bij kunstenaars en bij culturen die een nauwe band met de natuur hebben. Claude Lévi-Strauss[3]richtte zich met name op de laatste groep. Hij ontdekte het belang van mythen, rituelen en familieverbintenissen voor de onderliggende structuur van indianenstammen in Brazilië.

Het magische denken is een denken dat zich volgens Lévi-Strauss dicht bij de zintuiglijke intuïtie bevindt. Het magische denken is ‘niet een eerste aanzet, een begin, een schets of deel van een nog niet gerealiseerd geheel; het vormt een uitgebalanceerd system en is in dit opzicht onafhankelijk van het andere (wetenschappelijke) systeem’ (2009, p.25). Lévi-Strauss stelt het magische denken gelijk aan de wetenschap van het concrete: de mythen en riten bevatten zintuiglijke waarnemingen en ontdekkingen. Het magisch denken biedt verklaringen voor gebeurtenissen waarbij oorzaak en gevolg niet eenduidig zijn. 

Magisch denken is geen ‘aarzelende en nog stamelende vorm van wetenschap’ (p.25) maar eerder ‘een schaduw die voor het lichaam uitgaat en in zekere zin even volledig is als het lichaam zelf en in haar onstoffelijkheid even volmaakt en samenhangend als het concrete wezen waaraan het slechts voorafgaat’ (p.25). In het magische denken wordt het zintuiglijk waarneembare verbonden met de verbeelding. Lévi-Strauss stelt dat het magische denken een eigenstandige en volwaardige manier van denken is, een denken dat naast het empirische wetenschappelijke denken kan bestaan.

Het magisch denken zien we ook bij volwassenen terug. Volwassenen zouden vooral ‘terugvallen’ op het magische denken wanneer zij een gebrek aan controle ervaren: bij ziekte, stress, kansspelen en in het geval van dreiging of angst. Veel vrouwen met borstkanker geloven dat een positieve houding invloed heeft op het verloop en de terugkeer van de ziekte. Gebrek aan informatie, onzekerheid als ook angst, zetten het magische denken in gang. Bijgeloof – het geloof dat magische, bovennatuurlijke krachten de oorzaak zijn van een bepaalde gebeurtenis – blijkt hardnekkig, ook in Westerse culturen. Het lopen onder een ladder, een spiegel breken, een zwarte kat zien, het afkloppen op hout, de vingers gekruist houden, het zijn allemaal magische handelingen waarmee we het geluk of het ongeluk over ons afroepen. Vele volwassenen geloven in astrologie en in hand lezen. Deze ‘intuïtieve’ en ‘primitieve’ manier van denken gaat in ons modern leven hand in hand met het empirisch wetenschappelijke denken.

Er is in ons denken, naast een rationeel deel ook een magisch deel aanwezig. In een onderzoek van Subbotsky[4]werd een postzegel in een doos gedaan, er werd een spreuk gezegd en toen de doos weer open ging, bleek de postzegel in tweeën geknipt te zijn. Kinderen onder de negen jaar dachten dat het om tovenarij ging: vanaf negen jaar antwoordden de deelnemers dat het vast een truc moest zijn. Toen de volwassen deelnemers echter werd gevraagd om hun paspoort of rijbewijs in de doos te leggen, deden de meesten dat toch liever niet. In een ander onderzoek waren volwassenen onwillig om een flesje suikerwater te drinken met het label ‘cyanide’ erop, dit terwijl de deelnemers de labels zelf willekeurig op de flesjes hadden geplaatst. Weer een ander onderzoek laat zien dat volwassenen magische ideeën hebben over besmetting, Volwassenen weigerden een haarborstel te gebruiken van iemand die zij niet aardig vonden, ook al was de borstel zorgvuldig gesteriliseerd. Ze weigerden uit een glas te drinken dat in aanraking was geweest  met een kakkerlak, ook al was de kakkerlak dood en gesteriliseerd.  In een ander onderzoek van Subbotsky moesten volwassenen een onmogelijke taak oplossen. Toen de onderzoeker uiteindelijk voorstelde dat de taak wellicht met telekinese kon worden opgelost, gingen veel volwassenen hierin mee.

Het magisch denken is latent in ons aanwezig. Dat geldt zowel voor kinderen als voor volwassenen. Er zijn situaties waarin we worden verleid door het magische denken: kunst bijvoorbeeld is heel goed in staat om het magische denken in ons aan te wakkeren.

Videokunstenaar Bill Viola toont in zijn indrukwekkende oeuvre de kracht van het magisch denken.  Zijn werk is niet te vatten vanuit een empirisch wetenschappelijk denken – vanuit een denken dat gericht is op het ontleden, begrijpen en analyseren. De visuele poëzie vraagt om overgave, het vermogen om je te laten meevoeren in de stroom van (onbewuste) beelden.  ‘I want each image to be the first image, to shine with the intensity of its own first-born being’ zegt Bill Viola (1980). In ieder beeld schijnt de intensiteit van het eerstgeborene door. In zijn werk maakt Viola gebruik van primaire zintuiglijke signalen (zwart-wit contrasten, donkere ruimtes, plots een hard geluid) die een heftige lichamelijke reactie oproepen. Beelden worden vaak vertraagd weergegeven. De vertraging brengt ons lichaam in een droomachtige, hypnotische toestand. Het lichaam ontspant en bevindt zich ergens tussen het slapen en waken in. Wat Bill Viola vooral benadrukt is dat hij met zijn video installatie lichamelijk contact met de toeschouwer wil maken. De toeschouwer reageert ‘automatisch vanuit het diepst van het lichaam’[5]

Water, maar ook vuur, zijn terugkerende thema’s in het werk van Viola. In Acceptance (2008) zien we een naakte vrouw omgeven door zwart. Eerst zijn er slechts vage contouren, een vrouwelijke gedaante die uit het zwart opdoemt. Langzaam stapt de vrouw in het licht en worden de contouren scherper. Water stroomt uit haar ogen, uit haar handen, uit haar borst. Het stromende water neemt in intensiteit toe: het water stroomt uit al haar poriën. De vrouw ondergaat het: haar armen hangen slap naast haar lichaam, ze verzet zich niet tegen het water. Het water is teveel. Het stroomt te hard. Het explodeert uit het lichaam. Was het gezicht eerst nog een vage vlek, nu ontwaren we ogen, een neus, een mond, het kaalgeschoren hoofd.  Het licht komt van boven waardoor er heftige slagschaduwen over het lichaam en het gezicht vallen. Bijna horrorachtig. De vrouw tilt haar handen op, tot aan haar schouders, handpalmen naar boven, vingers uitgestrekt. Om het water te weren? Het lijkt alsof ze met haar uitgestrekte handpalmen het water wegduwt. De handen bewegen naar beneden, een voor een, en de overvloed van water verdwijnt geleidelijk aan. Het water spuit nog her en der uit haar lichaam, als een fontein uit haar schouders, het klettert tegen haar dijbeen aan, uit haar rechterhand. Tot slot druppelt er alleen nog water uit haar vingers[6].

Bill Viola ziet het water zowel als een bron van leven, als een bron van dood. In Acceptancezien we een vrouw die zich overgeeft aan het water, die het water accepteert.

Viola beoogt met zijn video installaties het diepste in ons zelf bloot te leggen. Het openbaart het andere in jezelf, datgene wat mysterieus en magisch is. Het is hetgene wat in je huist maar dat tegelijkertijd onbekend aan je is. Het onbewuste verschijnt alleen aan ons in een wirwar van beelden en sensaties:  het onbewuste is ongrijpbaar, zelden aan de oppervlakte, altijd sluimerend op de achtergrond aanwezig. De beelden van Bill Viola spreken zo tot mij omdat het iets in mij in beweging zet, iets wat voorbij het rationeel begrijpen gaat, een logica die in het zintuiglijke schuilt.

Niet alleen Bill Viola maakt gebruik van een dergelijke poëtische beeldtaal. Het werk van Pipilotti Rist maakt het zelfde in mij los, net als de kikkers die uit de hemel vallen in Magnolia en de eind scene van ‘Songs from the second floor’ van Roy Andersson waarin we een grote afvalhoop zien met kruizen (Jezus aan het kruis in het oneindige kwadraat) op een verlaten weg, terwijl mensen uit de modderige vlakte op rijzen en een meisje met een blinddoek hen leidt.

De beelden dragen een overduidelijke symboliek met zich mee.  De symboliek vind ik echter een stuk minder interessant dan het magische waarmee de beelden doorspekt zijn. Ik voel niet de noodzaak om de betekenis ervan te doorgronden, ik vind het juist mooi dat ze mij naar de wereld van het zintuiglijke, sensitieve en intuïtieve brengen.

Het empirisch wetenschappelijk denken probeert de wereld, inclusief onszelf, te begrijpen, te definiëren en vast te leggen. Echter, de ratio brengt ons niet dichter bij de wereld. Volgens mij komt dat omdat heel veel van de wereld en van onszelf niet te begrijpen en te bevatten is.  De wereld en het zelf: ze ontsnappen aan ons.

De gedachte dat de dingen aan ons ontsnappen, heeft op zichzelf iets magisch. Het magische denken is daarmee niet alleen een denken waarnaar we (terug-) grijpen omdat we onvoldoende kennis hebben van de natuurkundige, fysische principes. Ergens weten/voelen we dat natuurkundige principes niet alles kunnen verklaren: hoe we ook redeneren en analyseren, er blijven dingen die aan ons ontsnappen. Het magische denken biedt hierin een tegenkracht. Het magische denken tast rond, legt onmogelijke verbanden, associeert er lukraak op los, toont mogelijkheden en verbindt schijnbare willekeurige gebeurtenissen met elkaar.

Laten we nog eens terugkeren naar het experiment waarbij aan 4- tot 6-jarige kinderen werd gevraagd om zich in te beelden dat er een konijn of monster in de doos voor hen lag. Toen de onderzoeker de ruimte verliet, keken veel van de kinderen stiekem in de doos of reageerden ze angstig op de monster doos. Echter, toen de onderzoeker duidelijk maakte dat het doen-alsof spel voorbij was, maakten nog weinig kinderen de true fiction error. Kinderen zijn dus in staat om een correct onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid te maken. Maar wat is er dan wel aan de hand? Waarom keken de kinderen toen zij alleen waren toch even in de doos? Waarschijnlijk wilden ze voor de zekerheid toch even checken of er een konijn of monster in de doos zat. Ik vermoed dat kinderen dat deden, niet omdat ze verbeelding en werkelijkheid door elkaar haalden, maar omdat op dat moment een nieuwe denkmogelijkheidzich via de verbeelding aan hen voordeed. Eerst werd immers aan de kinderen gevraagd om zich in te beelden dat er een konijn of een monster in de doos zat. Door het konijn (of het monster) in de doos te denken, werd dat plots een mogelijkheid waar het dat eerst niet was. Het was niet de werkelijkheid maar de mogelijkheid die gecheckt werd. Kinderen zijn zich bewust van dat verschil.

We worden als het ware verleid door het magische denken: het opent mogelijkheden die we (ook al zijn ze onwerkelijk en in tegenstrijd met natuurkundige principes) niet meteen van de tafel willen schuiven. Het fantaseren kan aldus gezien worden als een vorm van denken waarin nieuwe mogelijkheden zich manifesteren in een tussenruimte waarin andere regels dan die van de ratio en logica gelden.

Zo’n 15 jaar geleden was ik betrokken bij een dansproject in Duitsland, in het voormalig Ruhrgebied. Ik logeerde in een appartement in Essen. We vertrokken vroeg in de ochtend, brachten de hele dag in de dansstudio door (die geen ramen had) en het was al donker als ik weer buiten kwam. Met de bus ging ik iedere avond naar mijn appartement. Meestal was ik doodop, lichamelijk uitgeput van de lange repetities. Het was op een van die avonden dat er een vrouw van middelbare leeftijd de bus in stapte, met een ouderwetse kinderwagen, zo eentje met een ijzeren onderstel, een bak met chromen versieringen en een witte kap. Omdat de leeftijd van de vrouw niet helemaal overeen kwam met de leeftijd van een prille moeder, tuurde ik nieuwsgierig in de wagen. Er lag een klein wit geitje in. Eronder, in het ijzeren mandje tussen de wielen, lag een wit gansje.

Een kinderwagen met een wit geitje en een witte gans. Toen de vrouw uit de bus stapte, liep de witte gans al fladderend naast haar terwijl het geitje in het wagentje zat.

Het is een krachtig magische beeld: symbolisch, associatief, suggestief. Zo intens dat ik op de dag van vandaag eraan twijfel of ik het beeld wel werkelijk gezien heb. Het beeld is zo krachtig dat het haast wel een symbolische betekenis moet hebben. Een betekenis die zich rechtstreeks tot mij richt in de vorm van een boodschap. Wat probeert het beeld mij te vertellen? Moet ik er iets uit opmaken? Heeft het een voorspellende waarde?

Een magisch beeld ontlokt immers een magische gedachte.

In momenten van stress, ziekte en angst worden we teruggeworpen op het magisch denken. We proberen via het magische denken controle te houden op de dingen die ongrijpbaar voor ons lijken te zijn. Het magisch denken lijkt wat dat betreft meer basaal en primair te zijn dan het empirisch wetenschappelijke denken. Lévi-Strauss stelt dat in het magische denken de waarneming en de verbeelding hand in hand gaan. Het magische denken ligt dichtbij de zintuiglijke intuïtie. We gebruiken de verbeelding om de dingen die aan ons ontsnappen (die verborgen zijn, onzichtbaar of niet waarneembaar) te verbinden met de dingen (eigenschappen/kwaliteiten/vormen) die we wel kunnen waarnemen.

Nauw verwant aan het magisch denken is het intuïtieve denken. De twee begrippen zijn niet identiek maar wel verwant aan elkaar. Bij magisch denken worden de waarneming en de verbeelding met elkaar verbonden. Magisch denken is een losse, associatieve en zintuiglijke vorm van denken waarbij verbanden worden gelegd die rationeel niet navolgbaar zijn. Het intuïtieve denken is het ‘denken zonder na te denken’[7]. Het vindt plaats in een fractie van een seconde – in een oogopslag vallen de dingen met elkaar samen, het is een manier van denken die ‘snel en zuinig is’[8]

Het intuïtieve denken komt voort uit ons adaptieve onbewustzijn. Het adaptieve onbewuste is een patroonherkenner[1], een soort computer die ‘snel en geruisloos een heleboel gegevens verwerkt die we nodig hebben om als mens te kunnen blijven functioneren’[1]. Veel van wat we waarnemen wordt niet bewust maar registreren we wel degelijk onbewust. Het adaptieve onbewuste zorgt ervoor dat het bewust denken niet overbelast wordt door de enorme hoeveelheid zintuiglijke signalen: het opereert op de achtergrond en dringt zichzelf pas aan het bewustzijn op wanneer de toestand of gebeurtenis erom vraagt. De intuïtie bestaat uit gedachteflitsen, uit razendsnel onbewust denkwerk. Een goed voorbeeld is het pasgetrouwde stel dat op zoek is naar een huis. Een lijstje met eisen is vantevoren zorgvuldig opgesteld. Toch zijn enkele seconden vaak voldoende om in te schatten of het huis iets voor hen is of niet. Daarom zeggen we ook dat je voor een huis moet vallen, dat het liefde op het eerste gezicht is, want die eerste paar seconden zijn vaak bepalend.

Het magische en intuïtief denken kunnen gezien worden als basale/primaire vorm van denken. Dat wil niet zeggen dat het magisch of intuïtief denken voorafgaat aan het wetenschappelijk, empirisch denken. Beiden bestaan naast elkaar. Kinderen zijn meer dan volwassenen in staat om soepel te schakelen tussen het magische en het rationele. Zij laten zich makkelijker verleiden door het magische omdat ze meer dan volwassenen denken in mogelijkheden. Het vrij associëren, het fantaseren, het zintuiglijk denken en het leggen van willekeurige oorzakelijke verbanden: we vergeten wel eens dat deze manier van denken ook geoefend en levend gehouden moet worden. Bij het ouder worden verdwijnt het magische denken naar de achtergrond: niet in de laatste plaats omdat het onderwijs volledig inzet op het empirisch, wetenschappelijke denken. Gelukkig zijn er vrijplaatsen op een school – denk aan de gymles, de muziekles, bevo- maar die vrijplaatsen worden vaak niet gelijkwaardig bevonden aan de meer serieuze vakken (taal, rekenen).  Zelfs de scholen met de allerbeste intenties, ontkomen niet aan deze tweedeling. Voor de aardigheid neem ik er even het cito volgsysteem van mijn dochter bij. Op een A4tje staan indrukwekkende grafiekjes van CITO drieminuten toets, CITO spelling, CITO begrijpend lezen, CITO rekenen-wiskunde. Het verslag van de docent is uitgebreider en omvat daarnaast ook sociaal-emotionele ontwikkeling, werkhouding, wereldoriëntatie, spreken en luisteren, spreekbeurt, werkstuk, Engels, expressie, beeldende vorming en bewegingsonderwijs. Het verslag schept een breder kindbeeld, dat is fijn maar nog steeds ontbreken er wat mij betreft een aantal cruciale categorieën zoals magisch-intuïtief denken, (creatief) spelen en probleemoplossend vermogen.

Nog liever dan dat er weer een apart vak aan het curriculum wordt toegevoegd, zou ik zien dat bepaalde denkvaardigheden (zoals magisch denken en het empirisch-wetenschappelijke denken die beiden hun plek vinden in het probleemoplossend vermogen) geïntegreerd worden in de verschillende vakken.  Complexe, levensechte vraagstukken moeten aan kinderen worden voorgelegd: de kinderen mogen dan vervolgens alles uit de kast trekken om het probleem op te lossen. Intuïtie, magie, de fantasie, het experiment, spel, de logica  – alle ingangen mogen, nee moeten, door het kind verkend worden.

Voetnoten:

[1]Woolley, J. D. (2003). The fantasy/reality distinction revisited: The case of imaginary companions.York/Oxford: Oxford University.

Woolley, J. D. (2002). Young children’s understanding of pretense and other fictional mental states. In Robert W. Mitchell (Ed.), Pretending in animals and children. Cambridge University Press.

[2]Phelps, K.E., & Woolley, J.D. (1994). The Form and Function of Young Children’s Magical Beliefs. Developmental Psychology, 30(3): 385.

[3]Lévi-Strauss, C. (2009). Het wilde denken. 5e, herziene druk. Amsterdam: Meulenhoff. Het magische denken wordt door Lévi-Strauss ook wel het wilde denken genoemd.

[4]Subbotsky, E. (1997). Explanations of unusual events: Phenomenalistic causal judgments in children and adults.British Journal of Developmental Psychology, 15(1), 13-36.

[5]http://www.streventijdschrift.be/artikels/98/koenot.htm

[6]https://www.youtube.com/watch?v=rFEKIoRT8ME(white space, bill viola)

[7]Gladwell, M. (2005). Intuïtie: de kracht van denken zonder erbij na te denken.Amsterdam: Uitgever Business Contact.

[8](Gladwell, 2005, p.15)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *