Verstoppertje

Het is oudjaarsavond (31 december 2017). We zijn Molletje, onze zwarte hamster, kwijt. Ze is voor de zoveelste keer uit haar kooi ontsnapt. Uit ervaring weten we inmiddels dat de hamster na een aantal dagen waarschijnlijk uit zichzelf zal terugkeren. Gedreven door honger, zoekt het beestje toch weer de kooi op. Molletje is een slim diertje dat 24/7 bezig is met ontsnappen. De zwakste plek van de kooi is de luchtschacht aan het einde van de hoogste buis. Uren is eraan geknaagd, tot het plastic verbindingsstukje brak en een duwtje met de kop voldoende was om van de vrijheid te proeven.

De ellende aan ontsnappen is dat de hamsters zich verschuilen op de meest onmogelijke plekken. Achter de loodzware 4 meter hoge boekenkast bijvoorbeeld, of onder de trap waar manlief bergruimte heeft gecreëerd. Naarstig wordt er geknaagd aan elektriciteitskabels, speelgoed, een oude doos met Pampers (bewaard om mee te spelen), eigenlijk aan alles dat een knaagbare kwaliteit heeft. De ravage is enorm. Want ondertussen wordt er natuurlijk ook nog driftig gescheten en gepist.

Uiteindelijk vinden we onze hamster terug bij de overbuurvrouw. Molletje is in een onbewaakte moment ons huis uit geglipt en haar huis in geglipt en heeft zich in de kussensloop, op het bed, verstopt. Een geniale en tegelijkertijd ongelooflijk domme verstopplek. Er is niemand die een hamster in zijn bed wil vinden.

 ‘De natuur houdt ervan zich te verstoppen’, schrijft Heraclitus omstreeks het jaar 500 voor Christus.

Dieren zijn meesters in het verstoppen. Het vermogen om zich te verbergen en op de achtergrond te blijven, is precies wat het dier geniaal maakt, stelt Ten Bos. Dieren gebruiken allerlei camouflage technieken – schutkleuren, vormvervaging, omgekeerde schaduwwerking, nabootsen van een ander dier[1]– om zichzelf zo onzichtbaar mogelijk te maken Het is een gave die de mens grotendeels verloren heeft. Grotendeels want bij sommigen is deze gave nog niet verloren gegaan. Het kind, de kunstenaar, de vluchtende en de soldaat[2]: zij weten hoe ze zich moeten verstoppen en verbergen. In dit essay beperken we ons tot het kind en de kunstenaar.

Dat kinderen zich zo graag onzichtbaar maken, zien we vooral aan de verstopspelletjes die zij met zoveel plezier spelen. Verstoppertje spelen in bed zal voor velen een herkenbaar bed ritueel zijn. Groot plezier ontleenden mijn kinderen aan dit ritueel: het wegkruipen onder het dekbed, onze  (gespeelde) verbazing wanneer we het lege bed aantroffen, ‘huh, maar net was ze nog hier’ om na wat zinloos gezoek ontredderd op het bed, op die vreemde hobbel, neer te ploffen. ‘Nou, dan weet ik het ook niet meer’.

(Voor een grappige verzameling van kinderen die zich verstoppen, zie de website van bored panda).

Voor jonge kinderen maakt het niet eens veel uit of er objecten zijn om je achter te beschermen. Zo speelde ik eens verstoppertje met mijn dochter in een dans studio. De studio was leeg: er waren geen objecten om je achter te verschuilen, geen gordijnen, kasten of doorgangen. Ik stond met mijn gezicht naar de muur, ogen gesloten en telde langzaam tot tien. Toen ik me omdraaide zag ik mijn dochter midden op de vloer liggen met haar handen voor haar ogen. ‘Als ik mijzelf niet kan zien, dan kan de ander mij ook niet zien’ zo lijkt de redenering. Onderzoek laat echter zien dat de redenering van jonge kinderen al een stuk ingewikkelder in elkaar zit. Kinderen tussen de 2-4 jaar hebben wel degelijk in de gaten dat zij nog steeds zichtbaar zijn voor anderen als zij hun handen voor hun ogen houden. Het lijkt hier meer om gedeelde aandacht te gaan: je kan pas waargenomen worden als er een gedeelde ervaring is, dat wil zeggen, er zijn twee paar ogen (die van jezelf en die van de ander) nodig om zichtbaar te worden[3].

Een andere manier om jezelf onzichtbaar te maken, is door jezelf in te graven. Het gebeurde toevallig gisteren nog toen we op het strand bij Wijk aan Zee waren. Manlief werd door mijn dochter in gegraven. Zijn hele lichaam was bedolven onder het zand, alleen het hoofd en de tenen staken er eenzaam boven uit. We kregen er een gesprek over. ‘Het is raar om je tenen te bewegen’ zei mijn man. ‘Het lijkt net alsof ze niet meer bij de rest van het lichaam horen’.

Niet alleen kinderen begraven anderen of zichzelf in het zand, veel schelpdieren en krabjes kruipen bij eb het zand in. Op die manier drogen ze niet uit en zijn ze onzichtbaar voor meeuwen. Dat doen ze razendsnel: binnen enkele seconden verdwijnen ze in het zand. Zeepieren graven zich ook in: ze zuigen het zand aan de ene kant op, poepen het aan de andere kant weer uit en tijdens dat proces filteren ze kleine voedseldeeltjes uit het zand.

Waar dier en kind zich naar de achtergrond verdringen, daar treedt de volwassen mens op de voorgrond. Volgens Ten Bos (die op zijn beurt verwijst naar Deleuze) is de mens een wezen die zich al denkend en analyserend tot een ik heeft gevormd: een ik dat zich wil onderscheiden en naar voren wil treden. Het dier daarentegen zorgt ervoor dat het zich niet te sterk onderscheidt van de achtergrond. Camouflage vormt een van de belangrijkste hulpmiddelen van het dier om zich tegen de achtergrond te verbergen. De camouflage wordt door zowel prooi als jager ingezet: beiden willen onzichtbaar voor de ander zijn.

Hoewel de meeste dieren zich goed weten te verbergen in de achtergrond, treden sommige dieren juist op de voorgrond. Niet geheel toevallig treden dieren vaak op de voorgrond wanneer het om paring en voortplanting gaat. Dat geldt bijvoorbeeld voor een aantal vogels die moeten opvallen om de aandacht van het andere geslacht te krijgen om zich zodoende te kunnen voortplanten. De jonkies daarentegen zijn weer wel vaker bedekt met schutkleuren.

Trekken we die gedachte door naar de mens, dan is het zeer wel mogelijk dat bij kinderen, die kwetsbaarder en hulpelozer zijn dan volwassenen, de natuurlijke drang om zich te verbergen sterker aanwezig is dan bij volwassenen die in hun wens tot voortplanting meer willen opvallen.

Er zijn dus twee redenen (en waarschijnlijk nog wel wat meer) te bedenken waarom kinderen zich beter kunnen verbergen dan volwassenen: een evolutionaire reden (overleven=  je goed kunnen verbergen, voortplanten = op de voorgrond treden) en Deleuze’s argument dat de denkende en analyserende mens zich tot een ‘ik’ heeft gevormd: een ik dat zich los zingt van de achtergrond en naar voren treedt.

Verstopspelletjes en je laten ingraven in het zand, zijn niet de enige spelactiviteiten waarbij het zich verbergen centraal staat. Kinderen zoeken geheime plekjes op, in en rondom het huis, die van hen zijn en waar volwassenen het bestaan niet van weten. Op deze speciale plekken kan het kind op autonome wijze de eigen ervaring vorm geven. Vier activiteiten staan daarbij centraal: spelen, verstoppen, uitrusten en verkennen.[4]Door deze activiteiten ontwikkelt het kind een gevoel van ruimtelijke autonomie en controle op de omgeving.

Het kind eigent zich de geheime plek toe. Het is zijn territorium. In de literatuur spreekt men van plek-identiteit en zelfidentiteit: door cognities over de fysieke omgeving (de plek) leert het kind zichzelf als persoon te definiëren. Ik zelf spreek liever van plek-wordingen en zelfwordingen. Niet de cognities en representaties vormen daarbij het uitgangspunt maar de belichaamde ervaringen. Het kind verbindt zich fysiek aan een plek en dat verbinden is een dynamisch en steeds veranderend proces. Het zichzelf worden is daarmee ook altijd een ruimtelijk worden.

Een speciale, geheime plek is een plek dat het kind opeist, een plek waar het kind eigenaarschap over voelt. Het jonge kind (5-7 jaar) zoekt de geheime plek dichtbij huis en zal niet snel veranderingen in de bestaande structuur aanbrengen.  Veranderingen vinden wel via spel en de verbeelding plaats: de geheime plek wordt tot iets anders omdat het in de verbeelding en in spel een andere betekenis en beleving krijgt. Het oudere kind (7-11 jaar) daarentegen gaat op zoek naar geheime plekken die verder van huis liggen. Zij bouwen hun eigen plek met los materiaal dat zij ter plekke vinden.

Jonge kinderen zijn vooral op zoek naar een rustige plek waar zij zich kunnen verbergen. Zij worden aangetrokken tot plekken die iets geheimzinnigs hebben en waar een zekere exclusiviteit en privacy vanuit gaat. Jonge kinderen ontlenen plezier aan het feit dat ze niet vindbaar voor anderen zijn.  Een geheime plek kan je alleen of met een groepje kinderen bezitten. Is er sprake van een gedeelde geheime plek dan staat het bewaken en verdedigen (tegen mogelijke indringers zoals een andere groep kinderen) centraal. 

Geheime plekken in huis zijn de plekken die óf het verst weg van de centrale gezinsruimte liggen (kelder, zolder) óf vergeten plekken zijn, zoals hoekjes of nisjes, de smalle ruimte achter de bank, de holte tussen bed en muur, een kast, onder de trap etc. Kleine kinderen hebben er lol in om zichzelf in een zo klein mogelijke ruimte te proppen.

Het thema van ‘verstoppen en tevoorschijn komen’ zien we ook bij een aantal kunstenaars terug. Een voorbeeld daarvan is de video installatie ‘Jump’ uit 1998 van Job Koelewijn. Koelewijn heeft een diep gat gegraven, daar een trampoline in verborgen, zo diep dat bij het springen alleen zijn hoofd boven de grond uitsteekt. Tegen een grauwe Hollandse achtergrond zien we soms zijn hoofd tevoorschijn komen, om dan onmiddellijk weer in het gat te verdwijnen.

Bruce Nauman, beeldend kunstenaar, gaat nog een stap verder. Hij wil onderzoeken in hoeverre het lichaam onzichtbaar kan worden. Hij vraagt aan twee performers, Tony en Elke, om door middel van mentale activiteit hun lichaam in de vloer te laten zinken en/of hun lichaam door de vloer te laten insluiten. In ‘Tony sinking into the floor flace up and face down’ (1974) zien we Tony’s verwoede mentale pogingen om in de vloer te verdwijnen. Het lukt niet. Wat we wel zien is de concentratie, het in gedachten weg proberen te zijn. De foto’s waarop het experiment is vastgelegd, doen me sterk denken aan mijn driejarige dochter die zich onzichtbaar waant op een lege dansvloer. Dezelfde concentratie, dezelfde afwezige aanwezigheid. 

Waar Job Koelewijn en Bruce Nauman spelen met het tijdelijk verdwijnen en verschijnen, daar stelt Berlinde de Bruyckere in de dekenvrouwen het thema van verbergen centraal. Net als menig ander kunstenaar (waaronder Joseph Beuys) heeft zij een fascinatie voor dekens. Wollen dekens bedekken en beschermen. Dekens staan symbool voor geborgenheid en veiligheid maar ook voor angst en kwetsbaarheid. Bruyckere zegt daarover: ‘Een deken is voor mij een symboolvan geborgenheid. Het heeft een ziel, die meestal positief geladen is. Een deken dekt je toe, je voelt je het kind dat binnen zit terwijl het buiten regent. Ik gebruik een deken ook als negatief voorwerp. Je kan iemand zo veel liefde en geborgenheid geven dat hij erdoor verstikt raakt, zichzelf niet meer vindt. Onder een stapel dekens liggen desoriënteert! Die dubbelzinnigheid speel ik graag uit in mijn werk.’[5]De Dekenvrouwen bestaat uit een reeks van vrouwenfiguren waarvan armen en benen levensecht lijken terwijl de rest van het lichaam schuil gaat onder dekens. Bruyckere werkt in deze serie met marmer zodat de ledematen realistisch en figuratief aanvoelen. 

Het thema van verbergen keert terug in het werk ‘Vrouw in Boom’ (1994). In dit werk plaatst Bruyckere een vrouwenfiguur in een boom, onder een deken. De vrouwenfiguur klampt zich vast aan de boomstam. De deken verhult de identiteit van de vrouwenfiguur: we weten niet wie het is maar we voelen wel haar aanwezigheid. De Bruyckere zelf associeert de vrouwenfiguur in de boom met het kind dat zich verschuilt en zich onzichtbaar waant voor de ander. Vrouw in Boom is een sculptuur dat op locatie is gemaakt: opnieuw zien we dat plekwording en -in dit geval- vrouwwording met elkaar samengaan.

Het in een boom zitten is een manier om je aan het zicht te onttrekken. Het is een geliefde bezigheid van kinderen. Waarom eigenlijk? Een check op internet levert niet veel informatie op, behalve de gebruikelijke verklaringen: kinderen houden van experimenteren, van risicovol gedrag, in een boom klimmen hoort daar ook bij. Klimmen is bovendien goed voor de motorische ontwikkeling. Ik vraag het aan mijn kinderen. ‘Gewoon, ik weet niet’ is de reactie. ‘Omdat je lekker hoog zit’ krijg ik na enig doorvragen te horen. Dat is tenminste iets. Ik denk er zelf het volgende van: een boom roept de affordance ‘klimmen’ op bij het kind. Iedere potentiële boom wordt door het kind nauwkeurig gecheckt op die affordance. Zitten er voldoende takken onderaan de boom? Zijn de takken sterk genoeg? Kan je hoog genoeg komen?

Er zijn allerlei redenen om je te willen verbergen. Bij een kind is het verbergen vaak onderdeel van het spel. Soms echter wil een kind ook gewoon even alleen zijn, met rust gelaten worden, even niemand in de buurt hebben waarvan hij iets moet. Een kind heeft in die zin best weinig privé: hij is de hele dag met anderen in de weer (op school, op een clubje, bij vriendjes), er is altijd een volwassene ergens in de buurt en veel van zijn gedachten worden opgeëist door anderen. Hoe was het op school? Is er nog wat gebeurd? Met wie heb je gespeeld? En nog meer van dat soort vragen stel ik aan mijn dochter of zoon wanneer ze van school komen. Lekker kopje thee erbij, even aan tafel zitten, hoe was je dag vandaag? Veel meer dan wat algemeenheden wordt er echter niet uitgewisseld. Mijn man pakt het veel slimmer aan, die gaat met mijn dochter frisbeeën en stelt intussen allerlei vragen, ongemerkt, heel subtiel, en intussen (ik zit bij het raam, dus ik kan het hele gesprek horen), hoor ik hoe mijn dochter honderduit vertelt over het schoolfeestje dat ze aan het voorbereiden zijn, de groepsapp, de groepjes die zijn gevormd, de leraren die te druk zijn om het feest te organiseren, dus zij hebben de verantwoordelijkheid gekregen om het zelf te organiseren.

Het alleen zijn, het zich onttrekken aan de blik van de ander, een privé leven hebben dat niet met een ander gedeeld hoeft te worden:  het zijn allemaal dingen waar het kind behoefte aan heeft.

De kunst van het verbergen zien we niet alleen bij kinderen, dieren en kunstenaars terug. Ook in onze volksverhalen is het een geliefd thema. Overal ter wereld komen mythologische wezens voor die zich er op hebben toegelegd om zo onzichtbaar mogelijk voor de mens te zijn. Kabouters, bijvoorbeeld, zijn mythologische wezens die over de hele wereld maar met name in Noord-Europa, Scandinavië en Rusland voorkomen.  Het zijn kleine wezentjes die in Nederland te herkennen zijn aan hun rode puntmuts, een lange baard, bolle wangen en stevige buiken. Een kabouterman draagt meestal wollige laarzen en een riem om zijn buik. Kaboutervrouwen dragen meestal een rok. Kabouters onderhouden nauwe contacten met mens en dier. Per regio verschillen ze van uiterlijk en gedrag maar ze hebben met elkaar gemeen dat het kleine wezentjes zijn die zich onzichtbaar kunnen maken en zich verborgen kunnen houden voor de mens. Verwant met de kabouters zijn onder andere de huishoudgeesten (de hob, onder meer bekend van Tolkien en Harry Potter), de aardmannetjes, de bosgeest (puca) en de tylwyth teg (een elf).

In IJsland gaan verhalen rond over het verborgen volk, het huldufólk, een elfenvolk dat op mensen lijkt, alleen zijn ze mooier, slimmer, charmanter en kleiner. Het verborgen volk kent zijn oorsprong in het paradijs. Volgens de overlevering had Eva vele kinderen. Op een dag kondigde God aan dat hij haar ging bezoeken. Eva ging meteen aan de slag, poetste alle kinderen maar de tijd was te kort en sommige kinderen waren nog vies toen God zich aankondigde. Eva verborg de vieze kinderen. Toen God alle kinderen had geïnspecteerd, vroeg hij aan Eva of ze nog meer kinderen had. Eva ontkende met als gevolg dat de vieze kinderen veroordeeld werden tot een leven van onzichtbaarheid.

De vieze kinderen zijn aldus het verborgen volk van IJsland geworden. Veel IJslanders sluiten het bestaan van het volk niet uit. In een onderzoek van de universiteit van IJsland in 2011 zegt 37% van de IJslanders dat het verborgen volk mogelijk bestaat. Het huldufólk zou in (grote) stenen en in rotsen leven. Het volkje is in principe goedaardig maar mensen die hun huis verstoren of vernietigen, roepen onheil en zelfs de dood op hen af. 

Men kan dit eenvoudigweg afdoen als oud bijgeloof maarde invloed van het Huldufólk op het denken van de IJslanders moet niet onderschat worden. In IJsland wordt elke steen benoemd en het is een ongeschreven wet dat niemand met stenen gooit. Bij de aanleg van wegen wordt rekening gehouden met het Huldufólk. De hoofdweg van Reykjavík naar Selfoss bijvoorbeeld, buigt een paar kilometer voorbij Hveragerði af om een elfenheuvel te ontwijken. In een woonwijk in IJsland kregen de bewoners van een steen zelfs een officieel adres. Grundargata 84 verwijst naar de elfen die er wonen. Een bekend verhaal is de bouw van een nieuwe weg naar Akranes in 1999. Tijdens de bouw ging er voortdurend iets mis: constructiegereedschap ging steeds kapot en er waren aan de lopende band tegenslagen. Toen een bouwvakker door een ongeluk overleed werd uiteindelijk een lokale inwoonster ingeschakeld, waarvan men beweerde dat zij in contact stond met het huldufólk. Volgens de elfenfluisteraar woonde het verborgen volk op de geplande nieuwe weg: ze waren bezig met verhuizen en hadden meer tijd nodig. De werkzaamheden werden tijdelijk gestaakt totdat de vrouw hen berichtte dat het huldufólk verhuisd was. De werkzaamheden werden hervat en er waren geen tegenslagen meer.

Het landschap in IJsland is ontzagwekkend, woest en rauw. De grond borrelt, de donkere, zwarte bergen zien er onheilspellend uit en de luchten zijn met ijzergrijze wolken gevuld. Actieve vulkanen, lavastromen, hete, bubbelende waterpoelen en spuitende geisers, het is een landschap dat zich voortdurend transformeert. Het landschap heeft invloed op het denken van de IJslanders: bij zoveel ontzagwekkends moet je wel geloven in krachten die groter zijn dan jezelf.

De IJslanders hebben een sterke band met de natuur en als gevolg daarvan is er in hun dagelijks leven nog ruimte voor het wilde, magische denken. Dat geldt voor alle culturen die een sterke band met de natuur hebben.

Ook bij kinderen lijken een sterke affiniteit met de natuur en met dieren te hebben. Kinderen voelen zich verbonden met dieren, met eigenlijk alles wat leeft. Volgens Deleuze en Guattari komt dit doordat het kind zich nog niet heeft los gemaakt van de achtergrond, terwijl de volwassen mens zich al denkend op de voorgrond heeft geplaatst. De volwassen mens heeft een allesomvattend ik gevormd, een ego dat alleen kan bestaan doordat het zich heeft losgeweekt van de achtergrond. Een ik is zichtbaar, een ik is waarneembaar. Daarmee, zo stelt ten Bos, ‘verliest de mens iedere betrokkenheid bij die wereld die normaal gesproken de achtergrond van zijn bestaan is’.[6]

Een kind daarentegen is zintuiglijk aanwezig in de wereld: hij laat zich meevoeren en is gevoelig voor de kleinste gebeurtenissen (een mier die een stukje kruimel op de rug mee sjouwt, een spin die een vlieg in zijn web heeft gevangen, een sprinkhaan die reuze sprongen maakt). Het jonge kind ondergaat de stroom van gebeurtenissen: hij legt schijnbaar willekeurige verbanden en speelt met wat fantasie en wat werkelijkheid zou kunnen zijn. Het kind voelt intuïtief aan dat het verbeelde evengoed het werkelijke kan zijn, terwijl het werkelijke op zijn beurt een afdruk van het verbeelde kan zijn.

Dat het kind zich kan laten meevoeren met de gebeurtenissen in de wereld, komt omdat hij zichzelf nog in veel mindere mate bepaald heeft. Er is nog geen vastomlijnd ik, een naar voren staand ego dat zichzelf en de wereld om hem heen voortdurend definieert. In plaats daarvan zijn er indrukken, associaties, verbindingen. Er is veel ruimte voor het andere, juist doordat het zelf nog een losse, vrije vorm heeft.

Het kind staat in de wereld, hij blijft dichtbij de dingen en laat zich er ook door aanraken. Met aanraken bedoel ik niet alleen het directe fysieke contact met de dingen en de wereld, maar ook het ‘geraakt worden’ in figuurlijke zin. Het gevoelsmatig meegenomen worden zodat er een affectieve verbinding tussen het kind en de natuur, tussen het kind en het dier, ontstaat. Ofwel, het kind ‘laat zich raken door de veelheid van bewegingen in de omgeving’ [7]

Jezelf verbergen betekent in die zin ook dat het andere – het mogelijke- op de voorgrond mag treden. Onzichtbaarheid betekent minder waarde toekennen aan het ‘ik’, accepteren dat je geen vaststaande entiteit bent en je zintuiglijk laat meevoeren met de stroom van gebeurtenissen.

 

 

[1]Dieren maken gebruik van verschillende camouflage technieken:
(1) het gebruik van schutkleuren (dat wil zeggen de kleur aannemen van de achtergrond zoals bijvoorbeeld een wandelende tak);
(2) vormvervaging (ook wel disruptieve kleuring genoemd): het strepenpatroon van een bepaald dier zorgt ervoor dat vorm en contouren van het lichaam vager worden (denk bijvoorbeeld aan een zebra)[1];
(3) omgekeerde schaduwwerking: bij bepaalde haaien en pinguins bijvoorbeeld is de buik wit en de rug donker waardoor de ruimtelijke waarneming wordt verstoord en we niet goed meer weten wat boven en onder is;
(4) nabootsing (mimicry): het dier neemt de vorm aan van een ander object of dier (sommige insecten kunnen bijvoorbeeld wespen nabootsen).

 

[3]Russell, J., Gee, B., & Bullard, C. (2011). Why Do Young Children Hide by Closing Their Eyes? Self-Visibility and the Developing Concept of Self. Journal of Cognition and Development 13(4),pp. 550-576.

 

[4]Green, C. (2013). A sense of autonomy in Young Children’s Special Places. International Journal of Early Childhood Environmental Education, 9(1), pp.65-85.

 

[5]http://www.kunstbus.nl/kunst/berlinde+de+bruyckere.html

[6] Pagina 85, Ten Bos, R. (2008). Het geniale dier: Een andere antropologie.Amsterdam: Uitgeverij Boom. 

 

[7]Pagina 90, Ten Bos, R. (2008). Het geniale dier: Een andere antropologie.Amsterdam: Uitgeverij Boom. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *