Wildcraften

De wildernis oefent aantrekkingskracht op ons uit. Het verhaal van Tarzan en Jane is inmiddels honderd jaar oud maar door toedoen van Disney groeien er hele generaties mee op. Het archetype van de langharige half-naakte wilde jongen met slechts een lendenlap om de edele delen, heeft zich in ons collectief geheugen genesteld, al waar het onbewust ons jungle-gevoel voedt. Eeuwenoud is deze fascinatie voor wolfskinderen –  kinderen die zijn opgegroeid in de natuur zonder menselijk contact en die alleen konden overleven doordat ze geadopteerd werden door wolven, beren, apen of wilde honden. Rome is er zelfs op gebouwd.

De jungle is exotisch, en dat exotische halen we graag in huis. Kijk maar eens op internet, google op ‘junglefever’ en je zult zien dat er een ware oerwoudtrend gaande is, inclusief Bromelia planten, jungle behang en allerhande voorwerpen die gemaakt zijn van natuurlijke materialen (bamboe, hout etc.). Ook in andere omgevingen, zoals bijvoorbeeld het ziekenhuis, laten we ons graag omgeven door het groene en zien we liever landschapsfotografie dan moderne kunst aan de muur.

Dat heeft een reden. Natuurbeelden roepen een positieve emotionele respons op. Het vermogen om gezonde, natuurlijke omgevingen te herkennen levert ons, evolutionair gezien, een overlevingsvoordeel op: deze omgevingen bevatten de meeste natuurlijke rijkdommen. De postmoderne mens reageert daarom nog steeds met een positieve emotionele response bij het aanschouwen van gezonde, natuurlijke omgevingen.[1]

In een laboratorium onderzoek, waarbij proefpersonen in een MRI scanner naar foto’s van de natuur keken, werd een verhoogde activiteit geconstateerd in de auditieve cortex (het luisteren), het pallidum (de vrije beweging), het caudatus (gevoel van waarde) en precunius (zelfbewustzijn en reflectie). Bij de controle groep, die voornamelijk naar foto’s van gebouwen keken, werd met name de visuele schors (kijken) en de temporale pool (rekening houden met anderen) geactiveerd. Daar waar de foto’s van gebouwen vooral een beroep doen op visuele waakzaamheid, daar bieden de landschapsfoto’s ruimte voor reflectie, waarde en zelfbewustzijn[2].

En dat niet alleen. De wildernis werpt ons terug op ons meest primaire zijn. Je verhouden tot de wildernis – in de volste zin van het woord- betekent terugkeren naar eenvoud en leven van de dingen die de natuur je biedt. Jagen, voedsel zoeken, vuur maken, water halen, een onderkomen bouwen, het zijn de activiteien waarmee de dagen in de wildernis gevuld zijn. Activiteiten die in schril contrast staan met de dagelijkse belsommeringen van de moderne, stedelijke mens.

De wildernis dus. Ik zelf ben een heus stadsmens, ik dompel me graag onder in het stadse tumult, de hectiek, de verkeerschaos, de anonimiteit van teveel mensen op een te klein oppervlak, ik vind het allemaal reuze aantrekkelijk. Daar staat dan weer tegenover dat wanneer ik oog in oog sta met een stukje natuur (dat op zichzelf best onooglijk mag zijn), ik daar in alle heftigheid op reageer. Een verwilderde tuin volstaat eigenlijk al. Die heftigheid valt het best te omschrijven als:

  • het open trekken van alle zintuigen (voelen, horen, ruiken, zien, proeven);
  • als gevolg daarvan worden ook nieuwe denkregisters open getrokken;
  • een voelbaar en verhoogd lichaamsbewustzijn;
  • en een onmiddellijke (hier en nu) gevoelservaring.

Toen ik nog kleine kinderen had, vroeg ik me af of de stadse leefomgeving niet teveel de ‘omgang met de natuurlijke wereld’ zou belemmeren. Ravotten in de natuur, de frisse gezonde buitenlicht in ademen, boompje klimmen, slootje springen, naar een zingende merel luisteren: zijn dat soort ervaringen nu juist niet wezenlijk voor het kind-zijn?

Ik gaf gehoor aan dit verlangen en dus gingen we op zoek naar een tuinhuisje, een hut, een plek ergens in de natuur waar we in de weekenden naar toe konden gaan. Het moest niets kosten en toch redelijk dicht in de buurt zijn. Na een aantal weken googelen, viel ons oog op een klein hutje in een natuurgebied in België.  Het was zeker 3 uur rijden van Amsterdam en we concludeerden onmiddellijk dat het te ver weg lag. Het prefab houten huisje  met golfplaten dak leek in de verste verte niet op wat ik er in mijn hoofd van had voorgesteld.  

De reactie van mijn kinderen sprak boekdelen: verloren stonden ze in het bos. Een driejarige en vijfjarige. Geen idee wat ze er moesten doen. ‘Ga lekker de omgeving verkennen’ zeiden wij maar onze kinderen bleven stokstijf staan. Geen zin. Geen idee wat ze in de natuur moesten doen.

Dat hutje hebben we niet gekocht maar bijna 10 jaar later hebben we wel een molen in Frankrijk gekocht met een wild stromende rivier, veel water en een stuk onontgonnen terrein. Met de angst in ons hart dat onze aankomende pubers zich er vast rot zullen vervelen. Want wat moeten ze straks in de natuur, op een plek waar geen Wi-Fi is?

De natuur – de wildernis- doet wat met ons. Het doet ook wat met het kind. Het is volgens mij het onvoorspelbare element dat ons doet wankelen en ons uitdaagt. Wij moeten ons bewijzen in de wildernis. Wij moeten laten zien dat wij ons tot de wildernis kunnen verhouden.

Wildcraften wordt het ook wel genoemd.  Snelcursussen overleven – ze worden aangeboden op internet en zijn bedoeld voor de moderne mens die zelf vuur wil maken, zelf brood wil bakken en onder de sterrenhemel wil slapen.  Onderdak, vuur, water en voedsel zijn de vier basispijlers van wildcraften en afhankelijk van de omgeving dient aan het een of juist aan het andere meer prioriteit te worden gegeven.

Dit soort overlevingsvaardigheden maken een vast onderdeel uit van het spelrepertoire van kinderen. Hutten bouwen, zelf voedsel klaarmaken, gereedschap en wapens maken, vuurtje stoken, het zijn allemaal spelactiviteiten die terug te vinden zijn bij het kind.  Door het speels oefenen met basale overlevingstactieken leert het kind zichzelf kennen, zijn of haar overlevingsvaardigheden te testen en daaruit zelfvertrouwen en zelfkennis op te bouwen.

Overigens wil ik met bovenstaande geen strakke tweedeling maken tussen natuur en cultuur. Ook in een stedelijke, gecultiveerde omgeving kan het kind hutten bouwen, wilde dieren ontmoeten (een slak of een regenworm bijvoorbeeld), voedsel bereiden en een vuurtje maken. De stadse omgeving kan een ware jungle zijn: de aanwezigheid van verlaten stukjes (vaak verboden) bouwland, het verkeer dat een slagveld onder dieren en mensen aan richt en de stad als een onheilspellende plek waar misdaad, gevaar en destructie op de loer liggen: allen dragen ze bij aan het jungle-gevoel. Niet zelden vraagt een grootstedelijke omgeving om dezelfde of vergelijkbare ‘overlevingstactieken’ die in de natuur noodzakelijk zijn. Bovendien doet de verbeelding een deel van het werk. Een paar struiken kunnen het jungle-gevoel al oproepen, net zoals een berg zand op een bouwterrein het gevoel van willen beklimmen en veroveren ontlokt. Het is in feite de verbeelding die ‘het wilde zijn’ aanwakkert maar de werkelijkheid kan het wilde element wel versterken en inkleuren.

De natuurfilosofie van Deleuze en Guattari plaatst de mens niet tegenover de natuur. Daar waar ecologen de natuur vaak zonder de mens denken, daar stelt het filosofen duo dat een dergelijke oppositie tot een verdergaande vervreemding van de mens ten opzichte van de natuur zal leiden. Door grote hekken te plaatsen rondom natuurgebieden, door parkdeskundigen zoals biologen, dierverzorgers en boswachters aan te stellen, door zo weinig mogelijk te interfereren met de natuur, wordt de ‘gewone mens’ een bezoeker en consument van de natuur[3]. Een natuurpark lijkt tegenwoordig verdacht veel op een attractie park. Zoals met een four wheel drive door het Serengeti park in Afrika scheuren op zoek naar de grote vijf. Ik heb het zelf gedaan. Het voelde eerlijk gezegd nogal onwerkelijk aan:  alsof ik door een grote, eindeloze dierentuin reed. 

De natuurfilosofie van Deleuze en Guattari gaat uit van krachten/bewegingen die zowel de mens als zijn omgeving maken.[4]Iedere beweging, ook de denkbeweging, is verbonden met de beweging van de aarde.

Het lichaam is altijd ergens, het is gesitueerd en eigent zich een plek toe in de ruimte. Territoriumdrang, zo wordt dit verlangen naar een eigen ruimte ook wel genoemd. Zowel de mens als het dieren kennen de behoefte om een eigen plek te verwerven, en het liefst is dat een plek waar voldoende eten is,een schuilplaats, nestgelegenheid en een veilige plek om de jongen groot te brengen. Eenmaal in bezit, personaliseren, bezetten, markeren, bewaken en verdedigen we die ruimte.Een territorium is een gebied dat toebehoort aan een persoon of dier of aan een groep.

Het territorium biedt een veilige plek waar voedsel is en een schuilplek. Bij een territorium is er dus altijd sprake van een binnen dat aan een buiten grenst. Binnen is het veilig, buiten ligt het gevaar mogelijk op de loer.

In het afbakenen van een territorium gaat het jonge kind nomadisch te werk. Het kind bouwt tijdelijke territoria om zich heen: speciale plekken die kinderen in en rondom het huis voor zichzelf creëren. Jonge kinderen (4-7 jaar) bouwen hun schuilplek of hut meestal binnenshuis in de directe nabijheid van de ouders. Meubels dienen als fundament voor de hut: stoelen, tafels en banken zijn uitermate geschikt daarvoor. Lakens en doeken worden erover gedrapeerd, en voilà, de hut staat. Dit soort onderkomens zijn meestal uitermate krakkemikkig en storten om de haverklap in. Tijdelijkheid is een kenmerk van de zelfgemaakte stoffen kinderhut. Wasknijpers, touw, tape zelfs plakband kan gebruikt worden om de lakens met elkaar te verbinden en een ingang te creëren die open en dicht kan.

Deze schuilplekken zijn geïmproviseerde bouwsels, samenraapsels van materialen die ter plekke gevonden en in zichzelf niet bedoeld zijn om mee te bouwen – een aaneenrijging van toevallige oplossingen. Deze bouwsels kunnen relatief snel opgezet en afgebroken worden. Tijdelijkheid is daarmee een belangrijk kenmerk van de hutten, tenten en schuilplekken die binnenshuis door jonge kinderen gebouwd worden.

Oudere kinderen (7-11 jaar) bouwen hun hutten verder van huis. Ze verzamelen los materiaal dat zij ter plekke vinden: takken, stenen, bladeren etcetera. In een stedelijke omgeving kunnen dat ook buizen, houten vlonders, kartonnen dozen of een stuk canvas etzijn. In tegenstelling tot de hutten en bouwsels die binnenhuis worden gemaakt, zijn de hutten van de kinderen in de natuur bijna altijd gemaakt van natuurlijke materialen. Hoewel de hut zich onderscheidt van de omgeving, doet het dat op een subtiele en fijnzinnige manier. Een schuilplek moet nooit teveel op de voorgrond springen anders kan het te gemakkelijk door indringers en vijanden ontdekt worden.

David Sobel heeft onderzoek gedaan naar de speciale plekken van kinderen. In zijn boek ‘Children’s special places’ laat hij kinderen aan het woord.[6]Nicolas is een van de kinderen die een hut heeft gebouwd op een klein eilandje, in de bocht van een beekje, zo’n 150 meter van zijn huis in Canada Hill. Nicolas vertelt dat hij het mogelijke indringers lastig heeft gemaakt door het beekje bij de ingang van zijn hut iets te verwijden. In de bosjes heeft hij een plank verstopt die hij kan gebruiken om het beekje over te steken. Eenmaal aan de overkant,  haalt hij de plank weer weg.  Ook bedekt hij het traag stromende beekje soms met bladeren zodat het een stevig pad lijkt. Mogelijke indringers zullen op de bladeren stappen, natte voeten krijgen en door het beekje meegenomen worden. De hut is voor Nicolas een plek waar niemand hem kan zien[7].

Het idee van mogelijke indringers speelt een rol bij veel kinderen. Niet voor niets liggen de hutten op een verscholen plek. Ook de weg naar de hut kent hindernissen: struiken, tunnels, omgevallen bomen dienen allemaal om het de mogelijke indringer zo moeilijk mogelijk te maken. Bij de ene hut moet je eerst door een gat in de bramenstruik kruipen, een andere hut heeft uitkijkpunten waarmee de indringer op tijd gesignaleerd kan worden.

Ook worden er vluchtroutes bedacht. In het boek van Sobel vertelt een groepje kinderen over de gezamenlijke schuilplek op een vervallen bouwplaats. In een uitgeholde haag van struiken heeft ieder kind zijn eigen kamertje, met ieder een geheime ingang. De kamertjes komen uit op een centrale schuilplek. Er is een vlucht uitgang en zelfs een vluchtplan opgesteld: ‘Ik ga eerst, dan Simon, daarna Sara. We rennen achter elkaar, door de greppel, door het paadje en dan via de uitgang naar het veld’[8].

Een territorium is een tegen soortgenoten verdedigd leefgebied, opgeëist door een individu, of door een sociale groep. Een territorium kan aangevallen worden. De eigenaar dient daarom altijd op zijn hoede te zijn en bereid zijn om indien nodig zijn territorium te verdedigen. Dit spel van aangevallen worden en zichzelf verdedigen zien we in het spel van kinderen terug. Zelfgemaakte wapens maar ook allerhande objecten als stokken, buizen, kussens worden ingezet om de schuilplek met hand en tand te verdedigen. Overigens gaat het hier om spel: het kind speelt dat zijn territorium wordt aangevallen en hij zich verdedigen moet. Het gaat dus nooit om het werkelijk fysiek schade willen toedoen aan een ander.

Overigens gaat het er in de dierenwereld ongeveer vergelijkbaar aan toe. Dieren die hun territorium verdedigen zetten hun haren of veren overeind, stampen op de grond, fladderen wild met hun vleugen en blazen, zingen, brullen erop los.  Er is sprake van veel luidruchtigheid alsook ook veel poespas, maar slechts zelden leidt het gedrag in de dierenwereld tot werkelijke verwondingen.  Wanneer je het spel van imponeren goed beheerst dan is de kans groot dat je je territorium behoudt.

Het gaat daarbij niet alleen om kracht en fysieke sterkte, een belangrijk onderdeel van de tactiek is het lezen van elkaars gedrag. Want door het gedrag van de ander te lezen, kan je erop anticiperen en er een verassingsvoordeel mee doen.

De hut is een geheime schuilplek voor kinderen. In het onderzoek van Sobel vertellen de kinderen dat zij naar hun schuilplek gaan om alleen te zijn en alleen te spelen. ‘Het is hier zo rustig dat je alleen jezelf kan horen’, zegt een jongen. In hutten die gedeeld worden met andere kinderen, lijkt er qua spel een wezenlijk verschil te zetten tussen kinderen onder de 8 jaar en kinderen tussen de 8 en 11 jaar.  Onder de 8 jaar zijn de groepen gemengd en bestaat het spel vooral uit rollenspel waarbij dagelijks activiteiten als eten zoeken, koken, schoonmaken en slapen het uitgangspunt vormen. Ook worden er schatten verzameld (bloemen, schelpen, stenen maar ook een gevonden tas, een stuk doek, gordijnen, batterijen etc.). Vanaf 8 jaar zijn de groepen homogener samengesteld: meiden spelen voornamelijk met meiden en jongens spelen voornamelijk met jongens. Daarnaast wordt er een ander opvallend verschil zichtbaar. De meisjes houden zich vooral bezig met het interieur, terwijl de jongens zich bezig houden met de constructie van de hut. In andere woorden, de meisjes en jongens kijken vanuit een ander perspectief naar de schuilplek en het territorium. Meisjes doen dat van binnenuit, jongens doen dat van buitenaf.

Geslacht lijkt aldus een invloed te hebben op het perspectief waarmee naar de schuilplek en de omringende omgeving wordt gekeken. Sobel is hier in eerste instantie sceptisch over. Hij vertelt hoe een schoolmeester hem probeert te overtuigen. ‘Hoeveel ramen zijn er in je huis?’ vraagt hij. Sobel denkt na en verbeeldt zich zijn eigen huis. Meteen daarop stelt de schoolmeester de volgende vraag: ‘Waar was je toen je de kamers telde?’. Wat blijkt? De meeste vrouwen verbeelden zich het huis van binnen, terwijl de meeste mannen het huis van buitenaf verbeelden[9].

Tot slot nog een laatste ding over het territorium, de hut en de schuilplek. Ieder kind heeft de behoefte aan een eigen plek die van hemzelf is en waar hij zichzelf kan zijn. Zo’n plek hoeft niet groot te zijn: de meest eenvoudige plekken volstaan eigenlijk al, zolang ze nog niet opgeëist zijn door een ander. Het is het recht van het kind om een plaats in de wereld te hebben. Hoewel dat zeer zeker ook een emotionele plaats is, doel ik hier in de eerste plaats op een fysieke plaats. Een plaats waar het kind zich kan terugtrekken of op eigen houtje de wereld kan verkennen.

Volgens David Sobel hebben kinderen een universele behoefte aan een eigen, speciale plek. Jonge kinderen (4 –7 jaar) zoeken naar die special plekken in en rondom het eigen huis, in de directe nabijheid van de ouders. Oudere kinderen (7-11 jaar) bouwen hun hutten verder van huis, bij voorkeur in een natuurlijke gevarieerde omgeving die uitnodigt tot vrij spel. Sobel stelt dat deze speciale plekken meerdere ontwikkelingsgebieden van het kind stimuleren. Allereerst vormt een speciale plek een brug tussen de veilige beschermde wereld en de wereld daarbuiten. Door de speciale plek leert het kind zichzelf kennen en kan het oefenen in het onafhankelijk zijn. Ten tweede, zorgen de speciale plekken voor een binding met de natuur. Het kind leert zich comfortabel en thuis voelen in de natuur.

Of de plek zich nu dichtbij huis bevindt of verder weg is gelegen, in beide gevallen creëren kinderen voor zichzelf een plek die van hen is. Op die plek wordt druk geoefend met allerlei overlevingsvaardigheden zoals zelf voedsel zoeken en klaarmaken, op jacht gaan, een vuurtje stoken of het verdedigen van het territorium tegen vreemde indringers. Bij jonge kinderen zullen die overlevingsvaardigheden vooral in het doen-alsof spel geoefend worden. Oudere kinderen zullen steeds meer behoefte krijgen aan levensechtheid.

Net zoals dat bij micro-avonturen gaat, kan het kind op micro-niveau met die overlevingsvaardigheden oefenen. Het begint eigenlijk allemaal bij de achterdeur. Het verzamelen van bladeren bijvoorbeeld, of vruchten en besjes, en daar een lekker soepje van maken. Dat mag een heus soepje zijn maar een nep soepje is ook leuk. Of een vuurtje maken. Eerst misschien alleen een kaarsje aansteken, dan snel je vinger door de vlam halen, vervolgens buiten in een vuurkorf een vuurtje stoken en tot slot een fikkie stoken in het wild. Niks zo leuk als samen naar het vuur staren, er verschillende kleuren in ontdekken, de hitte voelen en het hout horen knetteren. Zo’n vuurtje vraagt natuurlijk om er met een stokje in te porren. Ook leuk: aard-appels roosteren, brooddeeg op een stokje of mierzoete marshmallows naar binnen werken. Naast vuur is water een element dat niet in het overlevingsspel mag ontbreken. Kleuters rennen als vanzelf op een waterplas of beekje af: lekker spatten in het water, water overhevelen van het ene emmertje naar het andere emmertje, en in combinatie met zand kunnen er de meest vreemde bouwsels en brouwsels ontstaan. De aantrekkingskracht van water verdwijnt niet bij het ouder worden: hooguit krijgt het spel een andere vorm. Denk aan dammen bouwen, vissen, een eigen vlot maken en die uittesten.

Wildcraften kun je ook dichtbij huis doen. Daarvoor hoef je niet duizenden kilometers te reizen of je op een afgelegen plek te begeven. Waar het bij wildcraften om gaat is dat de buitenruimte zich op een organische en natuurlijke wijze verbindt met de binnenruimte van het kind.

 

[1]Lankston, L., Cusack, P., Fremantle, C., & Isles, C. (2010). Visual art in hospitals: case studies and review of the evidence.J R Soc Med.,103(12), 490–499. doi:  10.1258/jrsm.2010.100256

 

[2]Kim, G.-W. et al. (2010). Functional Neuroanatomy Associated with Natural and Urban Scenic Views in the Human Brain: 3.0T Functional MR Imaging. Korean Journal of Radiology, 11, 507.

 

 

[3]Ten Bos, R. (2008). Het geniale dier.Amsterdam: Boom Uitgeverij.

[4]Rick Dolphijn, p.17. De natuurfilosofie van Deleuze en Guattari. Wijsgerig perspectief, 54(2), 2014.

[5]Weten moet hier opgevat worden als een belichaamd lichamelijk weten. Door de geleefde ervaring situeert het lichaam zich, ook in de slaap. 

 

[6]Sobel, D. (2001). Children’s Special Places:  Exploring the Role of Forts, Dens, and Bush Houses in Middle Childhood.Wayne State: Wayne State University Press.

 

[7]Zie ook het essay over verstoppen.

[8]Pagina 23, Sobel, 2001.

[9]Ik hoop dat het de lezer inmiddels duidelijk is dat ik niet in stereotypen wil denken.  In het bovenstaande poneer ik dat er een tendens lijkt te zijn dat meisjes een meer naar binnen gericht perspectief hanteren terwijl jongens meer van buitenaf naar de schuilplek kijken. Echter, even als het territorium is ook het perspectief er op bij met name jonge kinderen nog veranderlijk en fluide. Er zijn altijd verschillen tussen kinderen en die verschillen worden niet uitsluitend bepaald door geslacht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *